Vraag 1: Waarom wordt het staatsrecht ook wel 'constitutioneel recht' genoemd?
A) Omdat het de juridische basis vormt voor alle andere nationale en internationale
rechtsnormen.
B) Omdat het enkel bepalingen bevat over de inrichting van de rechterlijke macht.
C) Omdat het alleen betrekking heeft op privaatrechtelijke overeenkomsten.
D) Omdat het de verhouding tussen burgers onderling reguleert zonder
staatsinmenging.
Vraag 2: Wat is het uitgangspunt van individuele vrijheid in een klassiek-liberale
rechtsstaat?
A) Vrijheid is de uitzondering en beperking de regel.
B) Individuele vrijheid mag alleen bestaan als er geen wetten zijn.
C) Vrijheid is de algemene regel en beperking daarvan is de uitzondering.
D) De staat bepaalt per individu welke vrijheden zij mogen genieten.
Vraag 3: Welk historisch politiek systeem diende als basis voor het moderne
denken over machtsevenwicht van denkers als Montesquieu?
A) Het Franse feodale stelsel.
B) Het Engelse systeem met een parlement en onafhankelijke rechtspraak.
C) De Amerikaanse federale structuur.
D) De Nederlandse Republiek van de 17e eeuw.
Vraag 4: Wat was een direct maatschappelijk gevolg van het gelijkheidsbeginsel
bij de opkomst van de rechtsstaat?
A) De versterking van de absolute macht van de vorst.
B) De invoering van verplichte godsdienstbeoefening.
C) De afschaffing van historische privileges voor adel en kerk.
D) De creatie van een nieuwe klasse van ambtenaren met speciale rechten.
Vraag 5: Wie of wat wordt aangeduid met de term 'materiële wetgever'?
A) Uitsluitend de Tweede Kamer der Staten-Generaal.
B) Elk overheidsorgaan dat bevoegd is om algemeen verbindende voorschriften vast te
stellen.
C) De rechter die de wetten inhoudelijk toetst aan de Grondwet.
D) De burger die via een referendum wetsvoorstellen indient.
Vraag 6: Welk kwalitatief criterium stelt het constitutionalisme aan wetgeving om
de burger te beschermen?
A) De wetten moeten geheim blijven voor vijandige mogendheden.
B) De wetgever moet elke dag nieuwe regels kunnen invoeren zonder overleg.
C) Wetten moeten voldoen aan kenbaarheid voor de burger en gelijkheid voor iedereen.
D) De wetten mogen uitsluitend gelden voor specifieke individuele gevallen.
Vraag 7: Wat is de primaire reden voor de inzet van een 'grondwetgever' via een
verzwaarde procedure?
2
, A) Om de Koning meer invloed te geven op de dagelijkse wetgeving.
B) Om te voorkomen dat de staatsinrichting door een toevallige politieke meerderheid
wordt aangepast.
C) Om te zorgen dat de Grondwet elk jaar vernieuwd kan worden.
D) Om de rechtsprekende macht ondergeschikt te maken aan de ministerraad.
Vraag 8: Wanneer wordt een grondwet specifiek als 'rigide' bestempeld?
A) Wanneer de grondwet juridisch onmogelijk te wijzigen is onder alle omstandigheden.
B) Wanneer de wijziging ervan aanzienlijk moeilijker is dan het aannemen van een
gewone formele wet.
C) Wanneer de tekst van de grondwet in een vreemde taal is opgesteld.
D) Wanneer de grondwet alleen geldt voor de uitvoerende macht.
Vraag 9: Welk land heeft een systeem met een 'flexibele grondwet'?
A) Duitsland.
B) Nederland.
C) Engeland.
D) De Verenigde Staten.
Vraag 10: Hoe wordt het principe van 'collectieve vrijheid' in de tekst gedefinieerd?
A) De vrijheid van meningsuiting voor groepen.
B) Het recht van de staat om eigendommen te onteigenen.
C) Democratie, waarbij burgers zichzelf besturen via collectieve besluitvorming.
D) De verplichting voor burgers om deel te nemen aan militaire dienst.
Vraag 11: Wat is het hoofddoel van verticale machtsverdeling?
A) Het scheiden van kerk en staat op landelijk niveau.
B) Het voorkomen van een te grote machtsconcentratie bij het centrale bestuur door
taken te spreiden naar lagere overheden.
C) Het verlenen van rechtspraakbevoegdheid aan ministers.
D) Het beperken van het aantal partijen dat mag deelnemen aan verkiezingen.
Vraag 12: Welke rol vervult de ministeriële verantwoordelijkheid binnen het
systeem van 'checks and balances'?
A) Het stelt de Koning in staat om zelfstandig besluiten te nemen zonder controle.
B) Het fungeert als schakel om de uitvoerende macht via het parlement democratisch te
legitimeren.
C) Het voorkomt dat de rechter wetten mag toetsen aan verdragen.
D) Het zorgt ervoor dat ministers niet naar de Kamer hoeven te komen voor debat.
Vraag 13: Wat biedt het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)
aan burgers bovenop de nationale voorzieningen?
A) Een extra rechtsgang en waarborgen waar ook de nationale wetgever aan gebonden
is.
B) Een recht op gratis inkomen voor elke burger.
C) De mogelijkheid om de Grondwet volledig buiten werking te stellen.
D) Vrijstelling van alle nationale belastingen.
3
, Vraag 14: Wanneer zijn lidstaten van de Europese Unie verplicht om het EU-
grondrechtenhandvest te respecteren?
A) In alle gevallen waarin zij handelen tegenover hun eigen burgers.
B) Alleen wanneer zij wetgeving maken die geen enkel verband houdt met de EU.
C) Wanneer zij specifiek Unierecht uitvoeren.
D) Uitsluitend tijdens verkiezingen voor het Europees Parlement.
Vraag 15: Wat is de functie van beperkingsclausules bij grondrechten in de
Grondwet?
A) Het permanent afschaffen van vrijheden in tijden van vrede.
B) Het aangeven van strikte criteria en de wettelijke basis waarop een grondrecht mag
worden ingeperkt.
C) Het verplichten van burgers om hun politieke voorkeur publiek te maken.
D) Het geven van onbeperkte macht aan de politie om woningen te betreden.
Vraag 16: Wat houdt de 'ruime betekenis' van rechtmatigheid in bij
overheidshandelen?
A) Uitsluitend de strikte naleving van de geschreven wet.
B) De bevoegdheid om wetten te negeren als deze niet efficiënt zijn.
C) Het handelen op basis van wat de meerderheid van het volk op dat moment wenst.
D) Consistentie met zowel de geschreven wet als ongeschreven rechtsbeginselen.
Vraag 17: Wat is het juridische gevolg van de 'rechtspersoonlijkheid' van de staat?
A) De staat kan deelnemen aan het privaatrecht en is gebonden aan het Burgerlijk
Wetboek.
B) De staat kan niet worden aangeklaagd door burgers.
C) De staat staat boven alle wetten van het land.
D) De staat mag geen contracten afsluiten met private bedrijven.
Vraag 18: Hoe onderscheidt administratief beroep zich van toetsing door een
rechter?
A) Het wordt uitgevoerd door een volledig onafhankelijke buitenlandse instantie.
B) Het besluit wordt getoetst door een hoger orgaan binnen hetzelfde bestuur.
C) Het is alleen bedoeld voor strafrechtelijke vergrijpen van ambtenaren.
D) Er is bij administratief beroep nooit een hoorzitting mogelijk.
Vraag 19: Hoe is de wetgevende macht in de Amerikaanse variant van de trias
politica georganiseerd?
A) Deze is verdeeld tussen de President en de Hoge Raad.
B) Deze ligt volledig bij het Congress.
C) De wetgevende macht berust uitsluitend bij de afzonderlijke deelstaten.
D) Wetten worden direct door de bevolking aangenomen via internet.
Vraag 20: Wat wordt in de Amerikaanse context verstaan onder 'enumerated
powers'?
A) De specifiek in de Grondwet opgesomde bevoegdheden van de uitvoerende macht.
B) De onbeperkte macht van de President in noodsituaties.
4