Bestuursrecht leerdoelen.
Gemeenteraad College van B&W Burgemeester
Verkiezingen (4 jaar) Benoemd door Benoemd bij Koninklijk Besluit
raad (4 jaar) (6 jaar)
Controleren van Voert besluiten uit Handhaaft de openbare orde
bestuurders
Stelt verordeningen vast Dagelijks bestuur Vertegenwoordigt ‘in en buiten
rechte’
Vertegenwoordigt bevolking Voorzitter raad en college van
B&W
Algemeen bestuur
De gemeenteraad heeft een controlerende functie, het controleert de burgemeester
en het college van B&W.
De burgemeester is zowel voorzitter van de gemeenteraad als van het college van
B&W. Hij voert dus ook wetten uit.
Het college van B&W wordt verkozen door de gemeenteraad en voert besluiten uit
die de gemeenteraad beslist.
De ambtenaren bereiden voorstellen van de gemeenteraad en het college van B&W
voor en voeren dit uit.
De bestuursorganen van de gemeente zijn de burgemeester, gemeenteraad en het
college van B&W.
- Wethouder als ambt behoort niet tot het bestuursorgaan.
Bronnen van bestuursrecht: Internationaal Recht, Nationale Regelgeving,
Jurisprudentie en Ongeschreven bestuursrecht.
Algemeen: Algemene Wet Bestuursrecht (Awb).
Bijzonder: Vreemdelingenwet, participatiewet, wet ruimtelijke ordening, woningwet,
wet milieubeheer, wet algemene bepalingen omgevingsrecht, drank- en horecawet.
- Gelede normstelling: Een rechtsregel is niet in één wet te vinden. Je begint in
dit geval bij de Awb en daarbij hoort vaak een bijzondere wet.
Materieel bestuursrecht, bevat rechtsnormen waarin voor burgers en
bestuursorganen aanspraken of verplichtingen zijn opgenomen.
- Inhoud.
Formeel bestuursrecht, betreft de procesrechtelijke regels die de burger nodig heeft
om tegen het optreden van de overheid iets te ondernemen.
- Procedure.
Een gelaagde opbouw wil zeggen dat de wetgever bepaalde onderwerpen in
algemene zin heeft omschreven. Vervolgens vind je op een andere plaats in de wet
vereisten die gesteld moeten worden aan meer specifieke onderwerpen. De reden
hiervan is dat de wetgever zodoende niet bij elk onderwerp de algemene regels hoeft
te herhalen en er is meer structuur en efficiëntie.
- Hoofdstuk 1,3 en 4 van Awb heeft een gelaagde opbouw (Inleidende
bepalingen – algemene bepalingen over besluiten – bijzondere bepalingen
over besluiten).
, Legaliteitsbeginsel, de overheid mag alleen optreden als zij een bevoegdheid
daartoe heeft gekregen in de wet.
Specialiteitsbeginsel, gaat ervan uit dat een bevoegdheid is toegekend voor een
bepaald doel. De bevoegdheid mag ook alleen voor dat doel gebruikt worden.
Attributie, toekennen van een nieuwe bevoegdheid.
Delegatie, bestuursorgaan draagt zijn bevoegdheid over aan een ander.
Mandaat, de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan een besluit te
nemen.
- Ambtenaren handelen in naam van de burgemeester.
Bestuurshandeling, iedere handeling van de overheid. Iets wat het bestuur doet (wat
doet de overheid en mag dat volgens de wet).
- Feitelijke handeling, voorbeeld. aanleggen van de wet.
- Rechtshandeling, iets bewust wijzigen in het recht.
Art. 1:3 lid 1 Awb – onder besluit wordt verstaan.
1. Schriftelijke beslissing: Als het ergens is vastgelegd. Dit kan op papier zijn, per
e-mail of bijv. een elektronisch document.
2. Van een bestuursorgaan: bestuurders van rechtspersonen. Volgens de Awb is
een bestuursorgaan een orgaan van een krachtens publiekrecht ingestelde
rechtspersoon of een ander persoon of college met enig openbaar gezag
bekleed.
3. Rechtshandeling: Handeling gericht op enig rechtsgevolg. Er ontstaat een
plicht en/of recht, er gaat een plicht en/of recht teniet of er wijzigt een plicht
en/of recht.
4. Inhoudende en publiekrechtelijke, exclusieve bevoegdheid om te kunnen
beslissen, toegekend door een publiekrechtelijke wettelijke regeling.
Beschikking (art 1:3 lid 2 Awb): Een besluit gericht op een concreet geval (persoon,
groep personen of een bepaalde zaak).
1. Aflopende en duurzame beschikking, werken voor een bepaalde tijd
(aflopend) of voor een onbepaalde tijd (duurzaam).
2. Belastende en begunstigende beschikking.
a. Belastend, verplicht de verkrijger tot iets. Bijv. tot betalen boete.
b. Begunstigend, geeft de verkrijger een recht (gunst). Bijv. recht om te
mogen bouwen.
3. Vrije en gebonden beschikking.
a. Vrij, een bestuursorgaan heeft van de wetgevers een bepaalde mate
van vrijheid gekregen om te mogen beslissen. Schrijft in dat geval niet
aan welke voorwaarden het besluit moet voldoen (de wetgever).
i. Discretionaire bevoegdheid, de vrije ruimte om te mogen
beslissen.
b. Gebonden, het bestuursorgaan moet zich aan de wettelijk bepalingen
houden en de bevoegdheid om buiten het wettelijke kader te mogen
beslissen is zeer beperkt. De wetgever schrijft aan welke voorwaarden
het besluit moet voldoen.
Gemeenteraad College van B&W Burgemeester
Verkiezingen (4 jaar) Benoemd door Benoemd bij Koninklijk Besluit
raad (4 jaar) (6 jaar)
Controleren van Voert besluiten uit Handhaaft de openbare orde
bestuurders
Stelt verordeningen vast Dagelijks bestuur Vertegenwoordigt ‘in en buiten
rechte’
Vertegenwoordigt bevolking Voorzitter raad en college van
B&W
Algemeen bestuur
De gemeenteraad heeft een controlerende functie, het controleert de burgemeester
en het college van B&W.
De burgemeester is zowel voorzitter van de gemeenteraad als van het college van
B&W. Hij voert dus ook wetten uit.
Het college van B&W wordt verkozen door de gemeenteraad en voert besluiten uit
die de gemeenteraad beslist.
De ambtenaren bereiden voorstellen van de gemeenteraad en het college van B&W
voor en voeren dit uit.
De bestuursorganen van de gemeente zijn de burgemeester, gemeenteraad en het
college van B&W.
- Wethouder als ambt behoort niet tot het bestuursorgaan.
Bronnen van bestuursrecht: Internationaal Recht, Nationale Regelgeving,
Jurisprudentie en Ongeschreven bestuursrecht.
Algemeen: Algemene Wet Bestuursrecht (Awb).
Bijzonder: Vreemdelingenwet, participatiewet, wet ruimtelijke ordening, woningwet,
wet milieubeheer, wet algemene bepalingen omgevingsrecht, drank- en horecawet.
- Gelede normstelling: Een rechtsregel is niet in één wet te vinden. Je begint in
dit geval bij de Awb en daarbij hoort vaak een bijzondere wet.
Materieel bestuursrecht, bevat rechtsnormen waarin voor burgers en
bestuursorganen aanspraken of verplichtingen zijn opgenomen.
- Inhoud.
Formeel bestuursrecht, betreft de procesrechtelijke regels die de burger nodig heeft
om tegen het optreden van de overheid iets te ondernemen.
- Procedure.
Een gelaagde opbouw wil zeggen dat de wetgever bepaalde onderwerpen in
algemene zin heeft omschreven. Vervolgens vind je op een andere plaats in de wet
vereisten die gesteld moeten worden aan meer specifieke onderwerpen. De reden
hiervan is dat de wetgever zodoende niet bij elk onderwerp de algemene regels hoeft
te herhalen en er is meer structuur en efficiëntie.
- Hoofdstuk 1,3 en 4 van Awb heeft een gelaagde opbouw (Inleidende
bepalingen – algemene bepalingen over besluiten – bijzondere bepalingen
over besluiten).
, Legaliteitsbeginsel, de overheid mag alleen optreden als zij een bevoegdheid
daartoe heeft gekregen in de wet.
Specialiteitsbeginsel, gaat ervan uit dat een bevoegdheid is toegekend voor een
bepaald doel. De bevoegdheid mag ook alleen voor dat doel gebruikt worden.
Attributie, toekennen van een nieuwe bevoegdheid.
Delegatie, bestuursorgaan draagt zijn bevoegdheid over aan een ander.
Mandaat, de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan een besluit te
nemen.
- Ambtenaren handelen in naam van de burgemeester.
Bestuurshandeling, iedere handeling van de overheid. Iets wat het bestuur doet (wat
doet de overheid en mag dat volgens de wet).
- Feitelijke handeling, voorbeeld. aanleggen van de wet.
- Rechtshandeling, iets bewust wijzigen in het recht.
Art. 1:3 lid 1 Awb – onder besluit wordt verstaan.
1. Schriftelijke beslissing: Als het ergens is vastgelegd. Dit kan op papier zijn, per
e-mail of bijv. een elektronisch document.
2. Van een bestuursorgaan: bestuurders van rechtspersonen. Volgens de Awb is
een bestuursorgaan een orgaan van een krachtens publiekrecht ingestelde
rechtspersoon of een ander persoon of college met enig openbaar gezag
bekleed.
3. Rechtshandeling: Handeling gericht op enig rechtsgevolg. Er ontstaat een
plicht en/of recht, er gaat een plicht en/of recht teniet of er wijzigt een plicht
en/of recht.
4. Inhoudende en publiekrechtelijke, exclusieve bevoegdheid om te kunnen
beslissen, toegekend door een publiekrechtelijke wettelijke regeling.
Beschikking (art 1:3 lid 2 Awb): Een besluit gericht op een concreet geval (persoon,
groep personen of een bepaalde zaak).
1. Aflopende en duurzame beschikking, werken voor een bepaalde tijd
(aflopend) of voor een onbepaalde tijd (duurzaam).
2. Belastende en begunstigende beschikking.
a. Belastend, verplicht de verkrijger tot iets. Bijv. tot betalen boete.
b. Begunstigend, geeft de verkrijger een recht (gunst). Bijv. recht om te
mogen bouwen.
3. Vrije en gebonden beschikking.
a. Vrij, een bestuursorgaan heeft van de wetgevers een bepaalde mate
van vrijheid gekregen om te mogen beslissen. Schrijft in dat geval niet
aan welke voorwaarden het besluit moet voldoen (de wetgever).
i. Discretionaire bevoegdheid, de vrije ruimte om te mogen
beslissen.
b. Gebonden, het bestuursorgaan moet zich aan de wettelijk bepalingen
houden en de bevoegdheid om buiten het wettelijke kader te mogen
beslissen is zeer beperkt. De wetgever schrijft aan welke voorwaarden
het besluit moet voldoen.