L1:
1. Abrahamson (2004): Global cities, ch. 1
- Grote steden zijn historisch gezien focuspunten van landen, omdat:
o Vroeger vooral beweging binnen landsgrenzen, totdat bedrijven de grenzen
overgingen
- Links tussen transnationale steden werden een wereldwijd netwerk
o Steden werden belangrijker dan landen
o Sommige steden zijn belangrijker dan andere en hebben meer invloed
- Tijdens laatste decennia 20ste eeuw werden steden over de hele wereld steeds afhankelijker
van elkaar
o Ook negatieve gevolgen: bij financiële crisis iedereen geraakt, grote vraag naar olie
Identifying global cities
- 1900-1950: productie en industrie in steden
o Vanaf 1950: afname productie bracht sociale en economische problemen
Steden reageerden met “globalization response”: buitenlandse bedrijven
aantrekken die cultuur meenamen (goed voor toerisme)
1. Steden die hier het best in slaagde: nieuwe wereldsteden
- 4 klassieke wereldsteden: Tokyo, New York, Londen en Parijs
o Sommige geleerden focusten zich alleen op die topsteden
Gevaar: generaliseren construct ‘global city’ + andere steden maken geen
kans
o Geen duidelijke maatstaf voor wanneer iets een wereldstad is
o Na de top-tier wereldsteden komen de second- en third-tier steden
- Zitten nu in de postindustriële stad door afname in productie + veranderingen in percepties
en levensstijlen van mensen. Twee stromingen:
1. Postmoderne cultuur ontstaan door postindustriële economische reorganisatie
o In het begin vooral nadruk op economische kant van wereldsteden (Friedmann bijv.)
2. Postmoderne cultuur ontstaan door economie en overheid
o Vaak wordt er gekozen voor een middenweg tussen de twee stromingen (dit artikel
ook).
Industrial to postindustrial economies
- 1900-1950: productie, daarna dus afname. Redenen:
o Doordat bedrijven verplaatste naar armere landen
Hoofdkwartieren bleven in rijke landen!
Arbeids- en productiekosten lager
o Automatisering in rijke landen: machines ipv mensen
Economische en sociale problemen steden zichzelf opnieuw uitvinden
Who benefits?
- Niet iedereen profiteert van buitenlands kapitaal in stad
o Binnensteden vaak wel (onroerend goed, toerisme)
o Sassen: zakenlui willen van stad een zakencentrum maken en kijken niet naar
belangen van de minderheden die weinig verdienen
The knowledge/information base
- Castells: de new global order is gebaseerd op vermogen informatie en kennis te vergaren
, o Steden zijn “space of flows”
Economic measures of global cities
- 1970: begin beschrijven van vorming van global division of labour tussen steden
o Voorheen: veranderingen in de stad gebeuren spontaan als gevolg van natuurlijke
wetten. Vanaf 1970: steden zijn koopwaren en mensen met welvaart en macht
beslissen welke wijken investeringen krijgen en dus groeien.
Politiek voor het eerst belangrijk
Zelfde zou gelden voor steden: grote steden bepalen welke steden groeien
- World System Theory (WST) ook rond 1970 bedacht: kern en periferie is zelfonderhoudend
systeem waarin de kern de periferie exploiteert
o Denk aan bedrijven die weinig betalen
o Wereldsteden zijn ook de grootste steden in eigen land gedachte was dat WST
zou ook werken voor analyse wereldsteden
o Friedmann (1986): aard van verbondenheid van stad in wereldeconomie is belangrijk
Wereldstad is global command and control centre: centrum van productie en
macht
Nadruk op de economie
o Sassen gebruikt juist geen WST en scheiding van steden en landen
Modern to postmodern culture
- Vervorming culturele kenmerken van industriële samenlevingen door aantal grote culturele
veranderingen
1. Hyperconsumptie: constant groeiende wensen
2. Hyperrationality: rationaal zijn voor maximale winst (Fordisme)
o Kwantiteit boven kwaliteit
o Postfordisme: overdreven rationaliteit (hyperrationaliteit) dingen die efficiënt
lijken (magnetronmaaltijden, all-in groepsreizen)
3. Dedifferntiatie: grotere dichtheid en grootte industriële samenleving leidde tot grotere
specialisatie (aldus Durkheim)
o Differentiatie: specifieke producten maken
o Er kwam te veel differentiatie: het explodeerde
Verschillen arm en rijk namen af: musea niet meer alleen voor de rijken
Cultural measures of global cities
- Samenlevingen begonnen eind twintigste eeuw steeds meer op elkaar te lijken meer
nadruk op vrije tijd en consumptie
- Twee stromingen:
1. Culturele dimensie komt voort uit economie
2. Cultuur en economie zijn gelijk
o Meeste financiële districten van wereldsteden zijn ook media- en museabolwerken
- Grote knooppunten in de wereld zijn global city-regions
2. Abrahamson (2004), ch. 4
- 20ste eeuw: urban rankings waren gefocust op de rol van de stad in het land zelf
o Focus op primacy: stad die alle steden overtreft
- Laatste decennia 20ste eeuw: transnationale links worden belangrijker
o Bijvoorbeeld financiële markten
Global classifications
, - Sociale wetenschappers wilden weten hoe internationale steden gerankt moesten worden
o Primacy was niet handig, want buiten de landsgrenzen nu
o Wanneer men exact begon met classificeren is lastig te bepalen
Hall (1966) erg belangrijk voor de vele artikelen in 1980
Friedmann: hiërarchie door hoeveelheid internationaal geld en
hoofdkwartieren
1. Control en command centres of the global economy
2. De tradtionele top 4
Welk meetsysteem het beste is, is lastig te zeggen
o Het gebruiken van slechts één maatstaf zorgt voor verschillende uitkomsten (Parijs is
cultureel sterk, maar economisch is Londen sterker) + nuances missen meerdere
indicatoren combineren
Location of stock exchanges
- Steden met grote financiële uitwisselingen zijn hoekstenen in wereldeconomie
o Die gelduitwisselingen trekken bovendien bedrijven concentratie financiële
activiteiten in wereldsteden
International banking and finance
- 1970: banken zagen in dat zowel het thuisland als buitenlandse rekeningen beheren
winstgevend zou zijn
o Telecommunicatie maakte dit mogelijk
- Sassen: bankensectoren in grote steden hebben voordeel van “global connectivity”
internationaal is er veel mogelijk + contacten wereldwijd
- Twee indicatoren voor bekijken concentratie van kapitaal in grote financiële centra:
1. Locatie grote banken
2. Locatie werelds grootste financiële dienstenindustrieën
beide tonen aanwezigheid veel kapitaal en expertise
Multinational corporations and foreign investment
- Grote hoeveelheid hulpbronnen en voorzieningen in bezit van multinationals maakt ze
belangrijk voor stad waarin ze gevestigd zijn
o Deze steden hebben voordeel van veel geld dat naar het land (met hoofdkwartier)
stroomt en veel invloed die wordt uitgestraald door de beslissingen vanuit HQ
- Redenen voor productiefabrieken buiten rijke landen plaatsen:
1. Goedkope arbeid en materialen
2. Toegang tot nieuwe markten
- Sinds 1970 is Foreign Direct Investments sterk gegroeid
o Bewijs voor internationalisatie
o 2 grote stromen van FDI afgelopen decennia:
1. Van bedrijven in rijke landen naar bedrijven in arme landen
Azië en Latijns-Amerika
2. Tussen bedrijven in rijke landen
Corporate service firms
- Beslissingen maken in hoofdkwartieren vergt diverse expertises
o Bedrijven die deze diensten aanbieden, runnen de “advanced corporate economy”
o Waren geen nieuwe diensten, maar vraag ernaar was heel hoog
- “Globalization and World Cities” (GaWC) richt zich op groei en verbindingen van zulke
bedrijven (corporate service firms)
theorie dat wereldsteden control en command functies hebben