1.1 Amerikaanse koloniën (1585-1833)
Eind 15e eeuw hadden Spaanse (Colombus) en Portugese (Da Gama)
ontdekkingsreizigers de weg naar Amerika opengelegd.
Pas rond 1585 begonnen Engelse Noord-Amerika te verkennen als
mogelijke locatie om zich te vestigen. Dit gebeurt in opdracht van de
Engelse vorst (koning Henry 8):
-De vorst had een politiek reden: tijdens de reformatie had de Engelse
kerk zich losgemaakt van de katholieke kerk. De engels koning was
voortaan het hoofd van de Anglicaanse kerk (staatskerk waartoe alle
Engelse zich behoorden). Daardoor ontstond in 1585 een conflict met de
spaanse koning. Engelse zochten een goede uitvalsbasis voor hun strijd
tegen Spanje (dat toen al veel koloniën in Zuid en midden Amerika had).
-Economische motieven: Engelsen hoopten kostbaarheid (goud & zilver)
ook in Noord-Amerika aan te treffen
De eerste Engelse nederzettingen in Noord-Amerika waren geen succes.
Vrijwel alle kolonisten stierven uit honger en ziektes.
Pas in 17e eeuw wisten Engelse kolonisten permante nederzettingen te
stichten. Met andere motieven dan de eerste groep kolonisten:
-Engelse handelscompagnieën: ondernemers die in koloniën
landbouwproducten wilden gaan verbouwen om te verkopen
-Religeuze reden: Pilgrim Fathers: waren protestanten die het niet eens
waren met de Anglicaanse kerk. Daardoor reisden ze naar Amerika om
een geheel nieuwe samenleving op te bouwen (zodat ze veilig hun religie
konden uiten).
De eerste kolonisten hadden een andere relatie met de Inheemse
bevolking dan latere groepen. Ze handelen bijv met de lokale bevolking.
Echter was de relatie niet vriendschappelijk want de 2 volken kregen
conflicten over wie de eigenaar van bepaalde gebied was en ook
verspreiden de Engelse koloniën ziektes onder de Inheemse bevolking.
Engelse hadden uiteindelijk 13 koloniës gesticht in Amerika:
, Noordelijk: vestigingskoloniën, met een economie die was gericht op
landbouw, handel en nijverheid (Nieuwe leven opbouwen). Zuiden:
plantages-ecomomieën, lag de focus op verbouwen van gewassenen
(tabak en katoen).
Van het werk op plantages waren veel arbeiders nodig. Daarom werden
mensen uit Afrika als slaaf gehaald en moesten ze op plantages werken.
De handel in slaven vormden deel van de driehoekshandel tussen
Europa, Afrika en Amerika (handels schepen vanuit Engeland met textiel,
wapens, kostbaarheden in ruil voor slaven van handel in West-Afrika.
Royal African Company: Britse handelscompagnie opgericht in 1672. Het
had als doel een monopolie te verkrijgen op de handel langs de westkust
van Afrika (handel ging gepaard met geweld).
In loop van 18e eeuw kwam in de Britse koloniën in Amerika steeds meer
verzet tegen het bestuur. 3 oorzaken:
-Veel kolonisten hadden helemaal geen band meer met GB (koloniën
hadden eigen wetten en zelfbestuur)
-kolonisten vonden oneerlijk dat zij wel belasting moeten betalen, maar
niet vertegenwoordigd waren in het parlement van GB
-Kolonisten kwamen in aanraking met het denkbeeld van de verlichting.
Daardoor kregen ze nieuwe ideeën over de verdeling van macht en
rechten van burgers. 3 verlichte denkbeelden:
1.Trias Politica: uitvoerende macht, rechtgevende macht, wetgevende
macht (koning geen hoogste macht)
2.Volkssoevereiniteit: hoogste ligt bij het volk zelf.
3.Natuurlijke rechten: rechten waarmee je geboren bent.
In 1776 kwamen de kolonisten in opstand. Op 4 juli 1776 verklaarden de
koloniën zich onafhankelijk van het Britse rijk. Ze vormden een federale
staat, een samenwerkingsverband van deelstaten met een eigen bestuur,
onder een gemeenschappelijke nationale overheid.