1991)
2.1 opkomst van Nazi-Duitsland (1918-1945):
Na de nederlaag van Duitsland in de 1e wereldoorlog ontstond in 1918
chaos. Arbeiders en soldaten kwamen in opstand, de keizer vluchtte en de
Republiek van Weimar werd uitgeroepen.
Duitsland kreeg een democratische grondwet, maar deze
democratischering was vanaf het begin zwak. Veel Duitsers waren tegen
democratie, zoals conservatieven, nationalisten en communisten.
Daarnaast hadden veel mensen weinig vertrouwen in de regering, omdat
zij haar schuld gaven van het oorlogsverloes (dolksstootlegende) en
van het vernederende verdag van versailles, dat zware straffen oplegde
aan Duitsland.
De economie kampte met grote problemen door herstelbetalingen en
verlies van gebieden. Het Dawesplan (Amerika leende geld uit aan
Duitsland) zorgde in de jaren twintig tijdelijk voor herstel, maar door de
Beurskrach van 1929 (Val beurskoersen in VS, wilden VS hun leningen
terug) raakte Duitsland opnieuw in een diepe economische crisis. De
werkloosheid steeg sterk en de politieke onrust nam toe.
In deze chaos groeide de NSDAP onder leiding van Adolf Hitler. Hij gaf
Joden en de democratische regering (Weimarrepubliek) de schuld van
de problemen en beloofde herstel van nationale eenheid,
werkgelegenheid en het terugdraaien van het Verdrag van Versailles. Met
propoganda en geweld door paramilitaire groepen groeide de partij snel.
In 1933 werd Hitler Rijkskanselier. Na de Rijksdagbrand wist hij via de
machtigingswet alle macht naar zich toe trekken, waarmee een einde
kwam aan de Republiek van Weimar.
Hitler bouwde een totalitair regime op waarin alle politieke partijen
behalve de NSDAP werden verboden. Door propoganda, terreur en
vervolging van tegenstanders kreeg de overheid volledige controle over
de samenleving. Groepen die niet pasten binnen de Nazitische
Volksgemeinschaft, zoals Joden, Roma en Sinti, gehandicapten en
homoseksuelen, werden uitgesloten en vervolgd. Ondanks de
, onderdrukking kreeg het regime veel steun, mede doordat de economisch
herstelde en werkloosheid afnam.
In Europa voerde Hitler een agressieve buitenlandse politiek. Hij
annexeerde gebieden met Duitstalige bevolking. GB en FR probeerden
oorlog te voorkomen door toe te teven (Appeasementspolitiek), onder
andere tijdens de conferentie van München in 1938 (Duitsland toesteming
deel van Tsjecho-Slowakije in te nemen). Toen Duitsland in 1939 Polen
binnenviel, verklaarden GB en FR de oorlog met DU: het begin van de 2e
wereldoorlog.
Duitsland boekte aanvankelijk grote militaire succes en het bezette een
grootdeel van Europa. In bezette gebiedde werden rechten afgeschaft en
moesten mensen dwangarbeid verrichten. Joden werden overal vervolgd,
gedeporteerd nasr vernietigingskampen en massaal vermoord. Deze
genocide staat bekend als de Holocaust (Shoah).
2.2 Duitsland na de oorlog (1945-1961)
Tijdens de 2e wereldoorlog veroverde Duitsland onder leiding van Hitler
grote delen van Europa. De aanval op de Sovjet-Unie leidde tot een
tweefrontenoorlog, die Duitsland niet kon winnen. In mei 1945 gaf
Duitsland zich onvoorwaardelijk over. Het land was volledig verwoest en
miljoenen mensen waren op vlucht, waaronder terugkerende soldaten en
verdreven Duitstalige uit Oost-en centraal Europa. Duitsland verloor
bovendien veel grondgebied, vooral in het oosten.
Na de oorlog werd Duitsland verdeel in vier besettingszones, bestuurd
door de VS, GB, FR en SU. Ook Berlijn werd op die manier verdeeld,
ondanks dat de stad diep in Sovjet-zone lag.
Twee invloedsferen en de koude oorlog:
Het wanttrouwen tussen de voormalige bondsgenoten groeide snel. In
West-Europa herstelden de Westerse geallieerden Liberale democratieën
met een kapitalistische economie, terwijl de SU in Oost-Europa
communistische volksdemocratieën instelde. Deze staten waren in
werkelijkheid geen echte democratieën en stonden onder controle van
Moskou.