Hoofdstuk 2: de leerkracht als spelbegeleider van drama.
Paragraaf 1.
In het Nederlands basisonderwijs zijn Cultuur- en Kunsteducatie geplaatst onder eenzelfde
noemer, namelijk Kunstzinnige oriëntatie.
De Nederlandse kerndoelen:
- De kinderen leren beelden, taal, muziek, spel en beweging te gebruiken om er
gevoelens en ervaringen mee uit te drukken en om er mee te communiceren.
- De kinderen leren om op eigen werk en dat van anderen te reflecteren.
- De kinderen verwerven enige kennis over en krijgen waardering voor aspecten van
cultureel erfgoed.
In het schoolvak drama ontwikkel je kwaliteiten op:
- Beelden (houdingen, verhoudingen).
- Taal (gevoel, vrijuit spreken, zeggingskracht).
- Muziek (intonatie).
- Spel (speelsheid, spelkwaliteit).
- Beweging (bewegen vanuit rol door bewogen te zijn door de spelsituatie).
Vlaamse eindtermen:
Ik weet niet of deze belangrijk zijn om te weten voor het tentamen. Ik denk het eigenlijk niet.
Deze staan in je boek op bladzijde 72, 73.
Paragraaf 2.
Als startend leerkracht begin je met concrete spelsuggesties uit lesmateriaal dat voor jouw
leeftijdsgroep is ontworpen. Deze lessen kun je niet onvoorbereid geven, omdat ze niet
ontworpen zijn voor jouw groep, lokaal, tijdstip en omstandigheden van dat moment.
Voor je begint, is het goed om eerst wat misverstanden weg te werken:
- Kinderen spelen spontaan, dat hoeven ze toch niet te leren? Spelen is van nature
ingegeven, maar niet ieder kind krijgt ideeën of heeft plezier in het spel. Drama helpt
kinderen met verzinnen en vrijuit spelen.
- Drama is gek doen. Drama is serieus en betekent met overgave een rol spelen. het
bespeelt onderwerpen waarover spelen willen nadenken. Soms kan dat komisch
uitpakken, maar ook de komiek speelt serieus.
- Spelen is vrij en grenzeloos. Drama vraagt juist om heldere structuren, zodat
kinderen de onbeperkte mogelijkheden binnen de beperking uitbuiten en hun
spelkwaliteiten ontwikkelen.
- Drama is een grote leugen. Dit klopt. Spelers willen er samen in geloven. Beginnende
spelers schieten hierom soms ook in de lach. Sommige kinderen willen alles zo echt
mogelijk op de spelvloer en laten daardoor weinig over aan de verbeelding.
- Drama is spannend. Dit klopt, maar het hoeft niet eng te zijn. Sommige kinderen
willen het eng maken door te trekken met pistolen of te gaan knokken. Gevorderde
spelers weten dat uitstel meer spanning oplevert.
, - De juf weet het altijd beter. Dat klopt niet. Kinderen kunnen heel anders naar een
scene kijken. Stel daarom open vragen en ben nieuwsgierig naar wat de kinderen
gezien, ontdekt of beleefd hebben.
De voorbereiding van een spel:
Voordat je een les gaat geven, heb je een praktisch beeld nodig van een leswerkelijkheid.
Vanuit de beginsituatie van je groep pas je het dramamateriaal aan. Hierbij kun je jezelf
enkele vragen stelen:
Waardoor genieten zowel de kinderen als jijzelf van het spel?
- Duidelijkheid: is het spel voor jou duidelijk en kun je het duidelijk uitleggen?
- Ontspanning: voel jij je er voldoende vertrouwd mee en kun je de kinderen er
vertrouwd mee maken?
- Inspiratie: krijg je al ideeën bij de beschrijving en kun jij de opdacht zo vertellen dat
kinderen hun eigen ideeën erin kunnen uitspelen?
- Uitdaging: iets vertrouwds herhalen kan zolang het de kinderen boeit, anders moet
je iets nieuws toevoegen. Dit om de kinderen betrokken te laten spelen.
- Voldoende tijd: een spelmoment kan kort zijn, maar er moet naast uitleg en
uitvoeringsorganisatie echt 10 minuten speeltijd zijn zodat ze niet onder tijdsdruk
spelen.
- Voldoening: krijgen zowel jij als de kinderen voldoening uit wat jullie doen? Wat is er
nog meer nodig om dit mogelijk te maken?
Wat vraagt drama van spelers?
- In welke mate zijn de spelers vertrouwd met drama?
- Wat kennen en kunnen ze al?
- Waar hebben ze nog moeite mee?
- Bij welk onderwerp kunnen de kinderen betrokken raken?
- Hoe verbaal vaardig is je groep?
Waar doet het spel een beroep op? (Dit noemen we de appelwaarden van een spel).
- Vraagt de opdracht om een inleiding met voorbeeld?
- Weten de kinderen van tevoren hoe het spel zal verlopen, of kunnen ze zich er
zomaar aan overgeven?
- Vraagt het spel met name fantasie, fysiek spel, raken kinderen elkaar aan, is er solo-
of samenspel?
Waarom laat je het spel spelen?
- Als een moment van spelplezier en ontspanning.
- De kinderen ergens in trainen.
- De kinderen uitdagen tot een experiment.
- De kinderen een succeservaring geven.
Hoe organiseer je de groep?
- Allemaal tegelijk.
- In subgroepjes.
- In duo’s tegelijkertijd.
, Wat heb je nodig aan materialen?
Is alleen de verbeelding voldoende of zijn er voorwerpen, verkleedkleren, licht- en
geluidtechniek nodig?
Waar gaan de kinderen spelen?
- Eigen lokaal.
- Speelzaal.
- Meerdere ruimtes.
Hoeveel tijd hebben de kinderen nodig?
- Durven kinderen te improviseren of spreken ze liever eerst samen af zodat ze weten
waar ze aan toe zijn?
- Is er voldoende tijd voor voorbereiding, oefenen en presenteren?
Wat vraagt het spel aan actie: wat gaan de kinderen concreet doen?
- hebben de kinderen voldoende ruimte om in actie te komen?
- Mogen de kinderen eerst met elkaar overleggen en oefenen?
- Spelen ze voor zichzelf of treden ze op voor elkaar?
- Kunnen ze elkaar in betrekkelijke stilte of werkgeluid laten spelen?
Wat vraagt het van de spelers?
- Kunnen de kinderen de appelwaarden hanteren?
- Hoe kun jij daar op inspelen?
Wat vraagt het van jou als leerkracht?
- Kun je de drukte aan die je bij dit spel verwacht?
- Kun je de kinderen ruimte geven het spel op hun manier uit te voeren?
Hoe ga je het spel uitleggen?
- Ga je iets voorspelen, alleen of samen met een kind?
- Laat je speeltalenten uit je groep iets voorspelen?
- Is de opdracht te complex om ineens uit te leggen?
- Is stap voor stap uitleggen beter?
- Leg je het in korte zinnen helder uit en heb je dat geoefend?
Hoe begeleid je de kinderen in het spel?
- Welke heldere uitleg geef je?
- Speel je zelf mee om het spel te ondersteunen?
- Heb je ideeën hoe je dat kunt doen?
- Welke ondersteunende opdrachten kun je geven tijdens en na het spel?
Wanneer ben jij tevreden met het spel van de kinderen, ofwel wat is je doel?
Hoe rond je het spel af?
- Met een teken: een bel, applaus.
- Laat je kinderen vrij reageren?
Paragraaf 1.
In het Nederlands basisonderwijs zijn Cultuur- en Kunsteducatie geplaatst onder eenzelfde
noemer, namelijk Kunstzinnige oriëntatie.
De Nederlandse kerndoelen:
- De kinderen leren beelden, taal, muziek, spel en beweging te gebruiken om er
gevoelens en ervaringen mee uit te drukken en om er mee te communiceren.
- De kinderen leren om op eigen werk en dat van anderen te reflecteren.
- De kinderen verwerven enige kennis over en krijgen waardering voor aspecten van
cultureel erfgoed.
In het schoolvak drama ontwikkel je kwaliteiten op:
- Beelden (houdingen, verhoudingen).
- Taal (gevoel, vrijuit spreken, zeggingskracht).
- Muziek (intonatie).
- Spel (speelsheid, spelkwaliteit).
- Beweging (bewegen vanuit rol door bewogen te zijn door de spelsituatie).
Vlaamse eindtermen:
Ik weet niet of deze belangrijk zijn om te weten voor het tentamen. Ik denk het eigenlijk niet.
Deze staan in je boek op bladzijde 72, 73.
Paragraaf 2.
Als startend leerkracht begin je met concrete spelsuggesties uit lesmateriaal dat voor jouw
leeftijdsgroep is ontworpen. Deze lessen kun je niet onvoorbereid geven, omdat ze niet
ontworpen zijn voor jouw groep, lokaal, tijdstip en omstandigheden van dat moment.
Voor je begint, is het goed om eerst wat misverstanden weg te werken:
- Kinderen spelen spontaan, dat hoeven ze toch niet te leren? Spelen is van nature
ingegeven, maar niet ieder kind krijgt ideeën of heeft plezier in het spel. Drama helpt
kinderen met verzinnen en vrijuit spelen.
- Drama is gek doen. Drama is serieus en betekent met overgave een rol spelen. het
bespeelt onderwerpen waarover spelen willen nadenken. Soms kan dat komisch
uitpakken, maar ook de komiek speelt serieus.
- Spelen is vrij en grenzeloos. Drama vraagt juist om heldere structuren, zodat
kinderen de onbeperkte mogelijkheden binnen de beperking uitbuiten en hun
spelkwaliteiten ontwikkelen.
- Drama is een grote leugen. Dit klopt. Spelers willen er samen in geloven. Beginnende
spelers schieten hierom soms ook in de lach. Sommige kinderen willen alles zo echt
mogelijk op de spelvloer en laten daardoor weinig over aan de verbeelding.
- Drama is spannend. Dit klopt, maar het hoeft niet eng te zijn. Sommige kinderen
willen het eng maken door te trekken met pistolen of te gaan knokken. Gevorderde
spelers weten dat uitstel meer spanning oplevert.
, - De juf weet het altijd beter. Dat klopt niet. Kinderen kunnen heel anders naar een
scene kijken. Stel daarom open vragen en ben nieuwsgierig naar wat de kinderen
gezien, ontdekt of beleefd hebben.
De voorbereiding van een spel:
Voordat je een les gaat geven, heb je een praktisch beeld nodig van een leswerkelijkheid.
Vanuit de beginsituatie van je groep pas je het dramamateriaal aan. Hierbij kun je jezelf
enkele vragen stelen:
Waardoor genieten zowel de kinderen als jijzelf van het spel?
- Duidelijkheid: is het spel voor jou duidelijk en kun je het duidelijk uitleggen?
- Ontspanning: voel jij je er voldoende vertrouwd mee en kun je de kinderen er
vertrouwd mee maken?
- Inspiratie: krijg je al ideeën bij de beschrijving en kun jij de opdacht zo vertellen dat
kinderen hun eigen ideeën erin kunnen uitspelen?
- Uitdaging: iets vertrouwds herhalen kan zolang het de kinderen boeit, anders moet
je iets nieuws toevoegen. Dit om de kinderen betrokken te laten spelen.
- Voldoende tijd: een spelmoment kan kort zijn, maar er moet naast uitleg en
uitvoeringsorganisatie echt 10 minuten speeltijd zijn zodat ze niet onder tijdsdruk
spelen.
- Voldoening: krijgen zowel jij als de kinderen voldoening uit wat jullie doen? Wat is er
nog meer nodig om dit mogelijk te maken?
Wat vraagt drama van spelers?
- In welke mate zijn de spelers vertrouwd met drama?
- Wat kennen en kunnen ze al?
- Waar hebben ze nog moeite mee?
- Bij welk onderwerp kunnen de kinderen betrokken raken?
- Hoe verbaal vaardig is je groep?
Waar doet het spel een beroep op? (Dit noemen we de appelwaarden van een spel).
- Vraagt de opdracht om een inleiding met voorbeeld?
- Weten de kinderen van tevoren hoe het spel zal verlopen, of kunnen ze zich er
zomaar aan overgeven?
- Vraagt het spel met name fantasie, fysiek spel, raken kinderen elkaar aan, is er solo-
of samenspel?
Waarom laat je het spel spelen?
- Als een moment van spelplezier en ontspanning.
- De kinderen ergens in trainen.
- De kinderen uitdagen tot een experiment.
- De kinderen een succeservaring geven.
Hoe organiseer je de groep?
- Allemaal tegelijk.
- In subgroepjes.
- In duo’s tegelijkertijd.
, Wat heb je nodig aan materialen?
Is alleen de verbeelding voldoende of zijn er voorwerpen, verkleedkleren, licht- en
geluidtechniek nodig?
Waar gaan de kinderen spelen?
- Eigen lokaal.
- Speelzaal.
- Meerdere ruimtes.
Hoeveel tijd hebben de kinderen nodig?
- Durven kinderen te improviseren of spreken ze liever eerst samen af zodat ze weten
waar ze aan toe zijn?
- Is er voldoende tijd voor voorbereiding, oefenen en presenteren?
Wat vraagt het spel aan actie: wat gaan de kinderen concreet doen?
- hebben de kinderen voldoende ruimte om in actie te komen?
- Mogen de kinderen eerst met elkaar overleggen en oefenen?
- Spelen ze voor zichzelf of treden ze op voor elkaar?
- Kunnen ze elkaar in betrekkelijke stilte of werkgeluid laten spelen?
Wat vraagt het van de spelers?
- Kunnen de kinderen de appelwaarden hanteren?
- Hoe kun jij daar op inspelen?
Wat vraagt het van jou als leerkracht?
- Kun je de drukte aan die je bij dit spel verwacht?
- Kun je de kinderen ruimte geven het spel op hun manier uit te voeren?
Hoe ga je het spel uitleggen?
- Ga je iets voorspelen, alleen of samen met een kind?
- Laat je speeltalenten uit je groep iets voorspelen?
- Is de opdracht te complex om ineens uit te leggen?
- Is stap voor stap uitleggen beter?
- Leg je het in korte zinnen helder uit en heb je dat geoefend?
Hoe begeleid je de kinderen in het spel?
- Welke heldere uitleg geef je?
- Speel je zelf mee om het spel te ondersteunen?
- Heb je ideeën hoe je dat kunt doen?
- Welke ondersteunende opdrachten kun je geven tijdens en na het spel?
Wanneer ben jij tevreden met het spel van de kinderen, ofwel wat is je doel?
Hoe rond je het spel af?
- Met een teken: een bel, applaus.
- Laat je kinderen vrij reageren?