Samenvatting aardrijkskunde
Domein A : vaardigheden
Aardrijkskundige basistermen
- Absolute afstand : gemeten in kilometers, vaak hemelsbreed
- Relatieve afstand : gemeten in tijd, moeite en/of kosten
- Absolute ligging : exacte ligging, bijvoorbeeld vastgelegd met lengte- en
breedtegraden
- Relatieve ligging : ten opzichte van andere plaats, gebied of verschijnsel
- Schaalniveaus
Sociale geografie Fysische geografie
Lokale schaal : gemeente / plaatselijk Lokale schaal : plaatselijk
Regionale schaal : streek / provincie Regionale schaal : landschap
Nationale schaal : land
Internationale schaal : grensoverschrijdend Fluviale schaal : stroomgebied rivier
Macroregionale schaal : groep landen met Continentale schaal : groot landoppervlak
overeenkomstige kenmerken
Mondiale schaal : wereld Mondiale schaal : aarde
Planetaire schaal : aarde en atmosfeer
Geografische kenmerken
- Ruimtelijke kenmerken : over de ligging van een plaats of gebied
Absolute en relatieve ligging
- Gebiedskenmerken : omstandigheden van het gebied zelf
Fysisch-geografische gebiedskenmerken zoals reliëf, klimaat, bodem,
vegetatie en voorraad delfstoffen
Sociaalgeografische gebiedskenmerken zoals bestaansbron,
nederzettingspatroon, infrastructuur, bevolkingsdichtheid en
bevolkingsspreiding
- Bevolkingskenmerken : kenmerken van de bewoners zelf
Culturele kenmerken zoals godsdienst, taal, architectuur en etniciteit
Economische kenmerken zoals aandeel van de verschillende sectoren, de
welvaart en het import en exportpakket
Demografische kenmerken als natuurlijke bevolkingsgroei, sociale
bevolkingsgroei en leeftijdsopbouw
Politieke kenmerken zoals regeringsvorm en handhaving van mensenrechten
- Relationele kenmerken : tonen onderlinge verbanden / relaties
Relaties tussen gebieden : tussen delen van hetzelfde gebieden of met andere
gebieden
Relaties tussen kenmerken en invloed van verschijnselen op elkaar
, Domein B : wereld
Veranderende wereld
Verandering van de wereld van 1500 tot 1990
- 16e t/m 18e eeuw
Aan het begin van de 16e eeuw begon vanuit Europa een periode van
kolonialisme. Overzeese gebieden werden bezet door West-Europese landen
uit economische en strategische overwegingen.
Er zijn twee soorten koloniën, met als eerst een exploitatiekolonie. Zo’n
kolonie levert grondstoffen en landbouwproducten. Een vestigingskolonie is
een vestigingsgebied voor migranten uit de ‘oude’ wereld.
Ook is er sprake van handelskolonialisme, waarbij Europese landen via
handelsposten o.a. specerijen en slaven halen.
In de eeuwen daarna vond er europeanisering plaats, waarbij de inwoners
van de koloniën zich moesten aanpassen aan de Europese normen en
gewoonten.
- Eind 18e eeuw
De industriële revolutie in Europa leidde tot een mondiale kettingreactie.
Door de industrialisatie groeide de welvaart en daarmee ook de bevolking. Er
was meer vraag naar grondstoffen en voedingsmiddelen. Het bezit van
grondstofrijke koloniën werd steeds belangrijker.
Europese staten breidden hun macht in koloniën uit en bezetten nieuwe
gebieden. Dit heet ook wel het imperialisme.
- Na WOII
Er vindt dekolonisatie plaats, dus koloniën worden politiek onafhankelijk.
Wel is er sprake van neokolonialisme. Ex-koloniën blijven economisch
ondergeschikt ondanks politieke zelfstandigheid.
- Na 1970
Global shift richting pacific rim.
Vrijemarkteconomie krijgt steeds meer ruimte, door toename vrijhandel,
liberalisering wereldmarkt en verdwijnen van planeconomieën door val
communisme.
- Moderne tijd
Op dit moment zijn de Verenigde Staten de grootste hegemoniale staat,
oftewel een staat die met behulp van politieke, economische, financiële en
militaire middelen een overheersende rol speelt in de wereldorde.
Door globalisering komen ook andere landen op, zoals China. Dit betekent dat
de wereldorde aan het veranderen is, en er minder duidelijke verhoudingen
zijn.
Er is sprake van een groei naar een multipolaire wereldeconomie, dus een
economie met meerdere economische kerngebieden zoals de VS en China.
Domein A : vaardigheden
Aardrijkskundige basistermen
- Absolute afstand : gemeten in kilometers, vaak hemelsbreed
- Relatieve afstand : gemeten in tijd, moeite en/of kosten
- Absolute ligging : exacte ligging, bijvoorbeeld vastgelegd met lengte- en
breedtegraden
- Relatieve ligging : ten opzichte van andere plaats, gebied of verschijnsel
- Schaalniveaus
Sociale geografie Fysische geografie
Lokale schaal : gemeente / plaatselijk Lokale schaal : plaatselijk
Regionale schaal : streek / provincie Regionale schaal : landschap
Nationale schaal : land
Internationale schaal : grensoverschrijdend Fluviale schaal : stroomgebied rivier
Macroregionale schaal : groep landen met Continentale schaal : groot landoppervlak
overeenkomstige kenmerken
Mondiale schaal : wereld Mondiale schaal : aarde
Planetaire schaal : aarde en atmosfeer
Geografische kenmerken
- Ruimtelijke kenmerken : over de ligging van een plaats of gebied
Absolute en relatieve ligging
- Gebiedskenmerken : omstandigheden van het gebied zelf
Fysisch-geografische gebiedskenmerken zoals reliëf, klimaat, bodem,
vegetatie en voorraad delfstoffen
Sociaalgeografische gebiedskenmerken zoals bestaansbron,
nederzettingspatroon, infrastructuur, bevolkingsdichtheid en
bevolkingsspreiding
- Bevolkingskenmerken : kenmerken van de bewoners zelf
Culturele kenmerken zoals godsdienst, taal, architectuur en etniciteit
Economische kenmerken zoals aandeel van de verschillende sectoren, de
welvaart en het import en exportpakket
Demografische kenmerken als natuurlijke bevolkingsgroei, sociale
bevolkingsgroei en leeftijdsopbouw
Politieke kenmerken zoals regeringsvorm en handhaving van mensenrechten
- Relationele kenmerken : tonen onderlinge verbanden / relaties
Relaties tussen gebieden : tussen delen van hetzelfde gebieden of met andere
gebieden
Relaties tussen kenmerken en invloed van verschijnselen op elkaar
, Domein B : wereld
Veranderende wereld
Verandering van de wereld van 1500 tot 1990
- 16e t/m 18e eeuw
Aan het begin van de 16e eeuw begon vanuit Europa een periode van
kolonialisme. Overzeese gebieden werden bezet door West-Europese landen
uit economische en strategische overwegingen.
Er zijn twee soorten koloniën, met als eerst een exploitatiekolonie. Zo’n
kolonie levert grondstoffen en landbouwproducten. Een vestigingskolonie is
een vestigingsgebied voor migranten uit de ‘oude’ wereld.
Ook is er sprake van handelskolonialisme, waarbij Europese landen via
handelsposten o.a. specerijen en slaven halen.
In de eeuwen daarna vond er europeanisering plaats, waarbij de inwoners
van de koloniën zich moesten aanpassen aan de Europese normen en
gewoonten.
- Eind 18e eeuw
De industriële revolutie in Europa leidde tot een mondiale kettingreactie.
Door de industrialisatie groeide de welvaart en daarmee ook de bevolking. Er
was meer vraag naar grondstoffen en voedingsmiddelen. Het bezit van
grondstofrijke koloniën werd steeds belangrijker.
Europese staten breidden hun macht in koloniën uit en bezetten nieuwe
gebieden. Dit heet ook wel het imperialisme.
- Na WOII
Er vindt dekolonisatie plaats, dus koloniën worden politiek onafhankelijk.
Wel is er sprake van neokolonialisme. Ex-koloniën blijven economisch
ondergeschikt ondanks politieke zelfstandigheid.
- Na 1970
Global shift richting pacific rim.
Vrijemarkteconomie krijgt steeds meer ruimte, door toename vrijhandel,
liberalisering wereldmarkt en verdwijnen van planeconomieën door val
communisme.
- Moderne tijd
Op dit moment zijn de Verenigde Staten de grootste hegemoniale staat,
oftewel een staat die met behulp van politieke, economische, financiële en
militaire middelen een overheersende rol speelt in de wereldorde.
Door globalisering komen ook andere landen op, zoals China. Dit betekent dat
de wereldorde aan het veranderen is, en er minder duidelijke verhoudingen
zijn.
Er is sprake van een groei naar een multipolaire wereldeconomie, dus een
economie met meerdere economische kerngebieden zoals de VS en China.