Samenvatting bio- en neuropsychologie
Hoofdstuk 1-7 + 11-13
Zenuwstelsel;
Centrale zenuwstelsel; brein + ruggenmerg
Perifere zenuwstelsel; kopzenuwen, sympatische- en parasympatische zenuwen
Neuronen; ontvangen info en geven dit door aan andere neuronen via elektrisch impuls
Gliacellen; cellen in hersenen met veel verschillende functies
- Schwanncell; myeliniseren in perifeer zenuwstelstel
- Oligodendrocyte; myeliniseren in centrale zenuwstelsel
- Microglia; hygiëne dode cellen opruimen
- Astrocyte; voeding onttrekken aan bloed en doorgeven + neuronen gelijk laten vuren
ritme
- Radiale glia; migratie van neuronen
Celstructuur;
Membraam of plasmamembraam; twee lagen vetmoleculen die sommige stoffen wel en
andere niet doorlaten binnenin = cytoplasma
Nucleus; kern van de cel structuur waarin chromosomen zitten
Mitochondria; noodzakelijke energie
Ribosomen; proteïne samenstellen voor bouwmateriaal
Endoplasmisch reticulum; verplaatsing van proteïne
Neuronstructuur;
Soma/cellichaam; bevat de kern, ribosomen en mitochondria
Axon; vervoert impulsen door neuron naar ander neuron
- Afferent; brengen info een structuur binnen
- Efferent; brengt info naar buiten
myeline; isolerend omhulsel met knopen van Ranvier (onderbrekingen) voor snellere
impuls transmissie (bij multiple sclerose/MS gaat myeline van axonen af, waardoor
transmissie vertraagd)
presynaptisch uiteinde; einde van axon
Dendrieten; ontvangst van info
interneuron; als dendrieten en axonen binnen een cel volledig in een enkele structuur
zitten
punkinje cel; neuron in cerebellum met veel dendrieten
Bloed-brein barrière; mechanisme dat hersenen beschermd tegen schadelijke stoffen
gevormd door endotheelcellen die dicht op elkaar staan en vrijwel geen stoffen doorlaten,
laten wel moleculen door die oplossen in vetten (vitamine A en D en drugs) en ongeladen
moleculen zoals zuurstof
Voeding van neuronen is vooral glucose en zuurstof en voor gliacellen glycogeen
, Zenuwimpuls;
alles of niets
Rustpotentiaal; het membraam onderhoudt een elektrische gradiënt (verschil in elektrische
lading binnen en buiten membraam)
-70 mv
kalium en chloorionen kunnen door de poorten, natriumpoort is gesloten
natrium meer buiten, kalium meer binnen
Polarisatie; er ontstaat een verschil in elektrische lading tussen twee locaties
Actiepotentiaal; boodschappen die door het axon worden verzonden, ontstaat na
depolarisatie polarisatie wordt gereduceerd tot 0
afname van negatieve lading van ongeveer 15 mv; drempelwaarde
grote beweging van ionen door het membraam ontstaat
+35 mv
voltage-geactiveerde kanalen voor kalium openen; kaliumionen naar binnen
hyperpolarisatie; verder toenemen van negatieve lading
op top van actiepotentiaal gaan natriumkanalen dicht
rustpotentiaal keert terug; kalium-natriumpomp zorgt voor verdeling ionen
Refractaire periode; na actiepotentiaal korte fase waarin neuron niet prikkelbaar is
- Absolute refractoire periode; kan geen actiepotentiaal ontstaan
- Relatieve refractoire periode; lage prikkelbaarheid, dus sterke stimulus nodig
de natriumkanalen zijn gesloten
kalium stroomt sneller uit de cel dan normaal
Temporale summatie; herhaaldelijk neuron stimuleren
Spatiële summatie; synaptische input van meerdere andere neuronen
Lokale neuronen geen actiepotentiaal met alles of niets
Graduele potentialen nemen in intensiteit af na passeren cel
Neurotransmissie bij synaps; diffusie van neuron
naar spleet en van spleet naar neuron
Negatieve feedback voor vermindering
potentiaal
Exitatie; glytomaat, inhibitie; GABA
Ionotroop; kanaal gecontroleerd door
neurotransmissie in post-synaptisch
neuron
Metabotroop; neurotransmitters starten
sequentie van metabole reacties in post-synaptisch neuron
1. Neurotransmitterproductie en opslag
2. Actiepotentiaal stimuleert vrijkomen van neurotransmitters in de synaptische spleet
3. Neurotransmitters hechten aan receptoren van post-synaptische spleet
4. Neurotransmitter laat receptor weer los
5. Neurotransmitter wordt heropgenomen door presynaptische neuron of diffuseerd
naar andere neuronen
6. Post-synaptisch neuron stuurt evt. negatieve feedback om verdere toevoer van
neurotransmitters te remmen
Hoofdstuk 1-7 + 11-13
Zenuwstelsel;
Centrale zenuwstelsel; brein + ruggenmerg
Perifere zenuwstelsel; kopzenuwen, sympatische- en parasympatische zenuwen
Neuronen; ontvangen info en geven dit door aan andere neuronen via elektrisch impuls
Gliacellen; cellen in hersenen met veel verschillende functies
- Schwanncell; myeliniseren in perifeer zenuwstelstel
- Oligodendrocyte; myeliniseren in centrale zenuwstelsel
- Microglia; hygiëne dode cellen opruimen
- Astrocyte; voeding onttrekken aan bloed en doorgeven + neuronen gelijk laten vuren
ritme
- Radiale glia; migratie van neuronen
Celstructuur;
Membraam of plasmamembraam; twee lagen vetmoleculen die sommige stoffen wel en
andere niet doorlaten binnenin = cytoplasma
Nucleus; kern van de cel structuur waarin chromosomen zitten
Mitochondria; noodzakelijke energie
Ribosomen; proteïne samenstellen voor bouwmateriaal
Endoplasmisch reticulum; verplaatsing van proteïne
Neuronstructuur;
Soma/cellichaam; bevat de kern, ribosomen en mitochondria
Axon; vervoert impulsen door neuron naar ander neuron
- Afferent; brengen info een structuur binnen
- Efferent; brengt info naar buiten
myeline; isolerend omhulsel met knopen van Ranvier (onderbrekingen) voor snellere
impuls transmissie (bij multiple sclerose/MS gaat myeline van axonen af, waardoor
transmissie vertraagd)
presynaptisch uiteinde; einde van axon
Dendrieten; ontvangst van info
interneuron; als dendrieten en axonen binnen een cel volledig in een enkele structuur
zitten
punkinje cel; neuron in cerebellum met veel dendrieten
Bloed-brein barrière; mechanisme dat hersenen beschermd tegen schadelijke stoffen
gevormd door endotheelcellen die dicht op elkaar staan en vrijwel geen stoffen doorlaten,
laten wel moleculen door die oplossen in vetten (vitamine A en D en drugs) en ongeladen
moleculen zoals zuurstof
Voeding van neuronen is vooral glucose en zuurstof en voor gliacellen glycogeen
, Zenuwimpuls;
alles of niets
Rustpotentiaal; het membraam onderhoudt een elektrische gradiënt (verschil in elektrische
lading binnen en buiten membraam)
-70 mv
kalium en chloorionen kunnen door de poorten, natriumpoort is gesloten
natrium meer buiten, kalium meer binnen
Polarisatie; er ontstaat een verschil in elektrische lading tussen twee locaties
Actiepotentiaal; boodschappen die door het axon worden verzonden, ontstaat na
depolarisatie polarisatie wordt gereduceerd tot 0
afname van negatieve lading van ongeveer 15 mv; drempelwaarde
grote beweging van ionen door het membraam ontstaat
+35 mv
voltage-geactiveerde kanalen voor kalium openen; kaliumionen naar binnen
hyperpolarisatie; verder toenemen van negatieve lading
op top van actiepotentiaal gaan natriumkanalen dicht
rustpotentiaal keert terug; kalium-natriumpomp zorgt voor verdeling ionen
Refractaire periode; na actiepotentiaal korte fase waarin neuron niet prikkelbaar is
- Absolute refractoire periode; kan geen actiepotentiaal ontstaan
- Relatieve refractoire periode; lage prikkelbaarheid, dus sterke stimulus nodig
de natriumkanalen zijn gesloten
kalium stroomt sneller uit de cel dan normaal
Temporale summatie; herhaaldelijk neuron stimuleren
Spatiële summatie; synaptische input van meerdere andere neuronen
Lokale neuronen geen actiepotentiaal met alles of niets
Graduele potentialen nemen in intensiteit af na passeren cel
Neurotransmissie bij synaps; diffusie van neuron
naar spleet en van spleet naar neuron
Negatieve feedback voor vermindering
potentiaal
Exitatie; glytomaat, inhibitie; GABA
Ionotroop; kanaal gecontroleerd door
neurotransmissie in post-synaptisch
neuron
Metabotroop; neurotransmitters starten
sequentie van metabole reacties in post-synaptisch neuron
1. Neurotransmitterproductie en opslag
2. Actiepotentiaal stimuleert vrijkomen van neurotransmitters in de synaptische spleet
3. Neurotransmitters hechten aan receptoren van post-synaptische spleet
4. Neurotransmitter laat receptor weer los
5. Neurotransmitter wordt heropgenomen door presynaptische neuron of diffuseerd
naar andere neuronen
6. Post-synaptisch neuron stuurt evt. negatieve feedback om verdere toevoer van
neurotransmitters te remmen