Werken als professional;
• Doelgerichtheid;
• Bewust handelen;
• Systematisch handelen;
• Procesmatig handelen.
Goed nadenken hoe je iets doet. Kunnen verantwoorden waarom je iets doet.
Eisen verpleegkundige; intellectuele vaardigheden, creativiteit, nieuwsgierigheid,
intermenselijke vaardigheden, culturele competentie, verpleegtechnische en technologische
vaardigheden.
Het verpleegkundig proces; datgene wat tussen en met betrekking tot de patiënt/cliënt, zijn
mantelzorger en de verpleegkundige ontstaat en zich afspeelt van het eerste tot en met
laatste contact.
Proces; een proces is een onomkeerbare serie veranderingen in de tijd, met een bepaalde
continuïteit, in een bepaalde richting.
Verpleegkundige methodiek (de basis voor andere methodes als GVO);
1. Anamnese (gegevens verzamelen).
- Data-verzamelen, selecteren en ordenen.
- Data valideren en kijken of er ook patronen in de data zijn te herkennen.
- De dataverzameling rapporteren, zodat je die later kunt gebruiken.
2. Diagnose stellen. Databewerking;
analyse en interpretatie; Wat is huidige gezondheidstoestand? Omschrijven
wat de gezondheidstoestand is. Wat zijn de beïnvloedende factoren van deze
gezondheidstoestand?
Synthese; Wat is hierbij de diagnose? Wat heeft prioriteiten?
Zijn alle diagnoses noodzakelijk of moeten er andere disciplines bijkomen?
Formuleren van verpleegkundige diagnose
3. Planning (doelen bepalen).
- Opstellen van (preventie)plan
- Stellen van prioriteiten
- Formuleren van evaluatiecriteria
- Selectie van verpleegkundige interventies
- Formuleren van verpleegkundige opdrachten
- Documenten van het verpleegplan.
4. Uitvoeren.
- Continue verzameling van gegevens
- Opnieuw vaststellen van de prioriteiten
- Uitvoering van de verpleegkundige interventies
- Rapporteren van de geleverde zorglenening.
5. Evaluatie.
- Je doet een procesevaluatie en/of productevaluatie.
- Onderkennen van factoren die de uitvoering van het preventieplan beïnvloeden.
- Maatregelen treffen om het preventieplan aan te passen.
- Beëindiging van de zorgrelatie.
Alle fasen hebben ook invloed op elkaar.
Een methode is een samenhangend geheel van handelingen waarmee een gesteld doel kan
worden bereikt.
Voordelen van methodisch werken; zorg op maat (individuele zorg), stapsgewijs, completer
beeld, organisatie van de zorgverlening, meer bewuste zorgverlening (denken & doen),
ontwikkeling van verpleegkunde.
,Hoorcollege 18/9 GVO-cyclus
De GVO-cyclus is;
- Systematiek.
- Doelgerichtheid.
- Planmatigheid.
Sociale beoordelingstheorie;
- Neutraal gebied
- Acceptatie gebied
- Verwerpingsgebied
V= verpleegkundige
P= patiënt (acceptatiegebied)
N= neutraal gebied
X= verwerpingsgebied
X X V X X N P N
Patiënt luistert pas als informatie in het neutrale gebied zit.
Links is het gezonde gedrag, en rechts betekent dat de patiënt ongezond gedrag vertoont.
Deze patiënt vertoont dus ongezond gedrag.
Gezondheid;
- Toename levensverwachting
- Langer gezond eten
- Minder verschil gezondheid mensen
Fysiek, psychisch en sociaal welbevinden
Gedragsverandering meest succesvol door middel van;
- ASE model
- Stappenplan, als GVO-systematiek.
- Stages of Change
Zodra een verpleegkundige weet waardoor het gedrag wordt veroorzaakt, kan de
verpleegkundige hier ook iets aan doen.
Gezondheidstoestand is een toestand die in objectiveerbare en meetbare grootheden
gezondheid beschrijft.
GVO-plan;
- Gezondheidskundige analyse(gegevens verzamelen; epidemiologie)
- Determinanten van gezondheid bepalen (diagnose en doelen)
- Gezondheidskundige interventies opzetten en implementeren
- evaluatie (effect evaluatie en procesevaluatie)
Als deze stappen goed worden verlopen, heeft de verpleegkundige de meeste kans op
slagen om het gedrag van de patiënt succesvol te laten veranderen.
1. Gezondheidskundige analyse;
Hoe belangrijk is het probleem? Speelt gedrag een rol? Gedrag moet wel een rol spelen in
een gezondheidsprobleem om gebruik te maken van GVO-cyclus
- Sociale diagnose(Community diagnose); hoe ervaren de mensen zelf
het probleem? Hoeveel mensen hebben last van dit probleem?
- Epidemiologische diagnose (Community diagnose);
Ernst; wat voor effect heeft het gezondheidsprobleem op
levensverwachting van die iemand? Gevolgen voor kwaliteit van
het leven.
, Omvang; hoeveel mensen hebben last van het probleem? Hoe
verhouding deze aantal t.o.v. jaar eerder? Frequentie van het
probleem.
Spreiding; Komt het probleem in het hele land voor?
Het vóórkomen van ziekten onder de bevolking (zeldzaam?
Bepaalde bevolkingsgroepen?) relatie tussen het vóórkomen van
ziekten en het vóórkomen van andere verschijnselen. Verdeling
van het probleem over tijdstippen, plaatsen en personen.
Etiologische factoren; erfelijke aanleg. Wat is bepalend voor het
ontstaan van een ziekte.
Prognostische factoren; factoren die de ziekte verergert of stopt
(roken).
Diagnostische factoren; maken aanwezigheid van bepaalde
ziekte duidelijk (verandering moedervlek).
- Gedrags- en omgevingsanalyse; welke invloed heeft de omgeving op
het gezondheidsprobleem?
Gezondheidsindicatoren;
- Mortaliteit (sterftecijfer)
- Levensverwachting
- Morbiditeit (ziektecijfer)
2. Gedragsdeterminanten; Waarom gedragen mensen zich op een bepaalde manier? Wat
zijn de achterliggende redenen van bepaald gedrag?
ASE- model (bepaald waarom mensen op bepaalde manier gedragen);
- Attitude (kennis en houding); kennis van bepaalde gedrag. Overwegingen
en waarderingen van het gedrag.
- Sociale invloeden
Sociale druk.
Sociale steun.
Referentie kader
De geneigdheid om iets van anderen aan te trekken
- Eigen-effectiviteit (wat kan ik?). Is patiënt in staat het gezonde gedrag uit
te voeren?
- Barrières (geld, tijd, eigenschappen)
3. gezondheidskundige interventies
Interventies bedenken om gedragsdeterminanten aan te pakken. Daarbij moet je
onderscheid maken in het inzicht van de patiënt in het gezondheidsprobleem (geen inzicht of
juist heel veel inzicht). Je moet bedenken in welke fase de patiënt zit. Dit vraagt om
verschillende interventies.
- Aandacht; Patiënt heeft nog geen aandacht voor het probleem, of dat het
probleem er is.
- Nadenken; patiënt gaat nadenken, misschien wel verstandig om gedrag te
veranderen.
- Actie; patiënt gaat actie ondernemen om het gedrag uiteindelijk te
veranderen.
- Behoud en terugval; patiënt hierin begeleiden, zodat verpleegkundige
actie kan ondernemen bij terugval en de patiënt begeleiden naar de actie
fase.