Informatica pww 1
E1 H1 drielagenmodel
Hardware: de camera, het scherm, geheugen, een processor en allerlei chips voor de
communicatie.
Er zijn 3 lagen in apparaten waarmee de hard-en software met elkaar samenwerken.
1. De fysieke laag. Deze laag bestaat uit de hardware die in een smartphone zit.
2. De logische laag bestaat uit software die de hardware aanstuurt. Deze software
maakt het mogelijk om toepassingen (zoals apps) op het apparaat uit te voeren.
→ Bij een smartphone bestaat de logische laag voornamelijk uit het
besturingssysteem,
3. De toepassingenlaag bestaat uit allerlei software: de toepassingen of applicaties.
→ Op een smartphone zijn dat de apps die kunnen worden geïnstalleerd vanuit de
Play- of Appstore.
voordelen drielagenmodel:1. Een app kan niet zelf de hardware aansturen
→ het besturingssysteem controle kan houden over wat apps
doen. 2. Een app alleen maar ontwikkeld hoeft te worden voor een
besturingssysteem. → bijvoorbeeld één versie voor iOS en één voor Android.
Interfaces→ De verbindingen tussen de verschillende lagen en tussen de onderdelen in die
lagen.
Hardware-interfaces→ zijn de elektronische verbindingen tussen de fysieke onderdelen.
bv. de verbinding van het geheugen met de processor.
Die verbindingen zijn meestal geïntegreerd in een printplaat.
Onderdelen die een zeer snelle onderlinge verbinding nodig hebben, worden ook wel
geïntegreerd in een chip.
Connectoren zorgen meestal voor bekabelde verbindingen tussen verschillende
apparaten. bv. USB is de bekendste soort connector.
Drivers zijn een voorbeeld van interfaces tussen hard- en software.
Een driver is speciale software die het besturingssysteem alle informatie geeft die het
nodig heeft om een hardware-onderdeel aan te sturen.
Software-interfaces= Application Programming Interfaces (API’s).
Besturingssystemen hebben bijvoorbeeld API’s, zoals de Windows API en de Android
API. Deze API’s zijn de interface tussen de logische laag en toepassingenlaag.
De API zorgt er zo voor dat alle apps op een vergelijkbare manier werken en er zo
consistentie ontstaat in het gebruik van een apparaat.
De meeste apps halen data op via het internet om te kunnen functioneren, zoals
socialmedia-apps of een informatieve app als buienradar. Dat gebeurt vaak via een
web-API.
, → Zo’n API is de interface tussen de app en de database waarin alle gegevens zijn
opgeslagen.
Userinterfaces→ bekendste soort
communiceert een apparaat met de gebruiker. Dat gebeurt meestal via een GUI
(goewie): een Graphical User Interface.
→ Dat is de grafische verbinding tussen de gebruiker en het apparaat.
bv. Het touchscreen van een smartphone of het beeldscherm van een desktop-pc.
De GUI geeft informatie via knoppen, pictogrammen, teksten, afbeeldingen en
video’s.
zorgt ook voor de communicatie van de gebruiker naar het apparaat.
Alle handelingen van gebruikers worden door het besturingssysteem vertaald naar
events.
De Voice User Interface (VUI) → bekende user interfaces
De VUI maakt stembediening van een apparaat mogelijk.
Servers worden vaak op afstand (remote) aangestuurd
Die aansturing gebeurt vaak via een command line interface.
→ In die interface is alleen tekst te zien.
Command Line user Interface (CLI) → bekende user interfaces
Servers worden vaak op afstand (remote) aangestuurd.
E1 H2 Het lagenmodel herkennen
De communicatie tussen computers verloopt via allerlei netwerken
Local Area Network of LAN→ een netwerk binnen een gebouw
is draadloos via wifi of bedraad via een netwerkkabel beschikbaar is.
Een ander voorbeeld is het mobiele communicatienetwerk voor gegevensuitwisseling op
grote afstand.
bv. 4G
Communicatie tussen schepen of gegevensoverdracht vanaf meetstations voor de
bepaling van het weer.
‘lagen’ van de fysieke laag→ bestaat uit allerlei hardware
Kabels
Signaalomvormers.
Apparaten die de datastroom regelen
Servers
Clients.
logische laag
om data te kunnen transporteren over een netwerk is er allerlei software nodig
netwerkprotocollen → afspraken over de manier waarop data getransporteerd moet
worden en hoe apparaten binnen een netwerk te vinden zijn.
vb. Internet Protocol (IP) → beschrijft onder andere hoe elk apparaat in een
netwerk een adres krijgt, zodat het bereikbaar is.Dat adres wordt IP-adres genoemd.
E1 H1 drielagenmodel
Hardware: de camera, het scherm, geheugen, een processor en allerlei chips voor de
communicatie.
Er zijn 3 lagen in apparaten waarmee de hard-en software met elkaar samenwerken.
1. De fysieke laag. Deze laag bestaat uit de hardware die in een smartphone zit.
2. De logische laag bestaat uit software die de hardware aanstuurt. Deze software
maakt het mogelijk om toepassingen (zoals apps) op het apparaat uit te voeren.
→ Bij een smartphone bestaat de logische laag voornamelijk uit het
besturingssysteem,
3. De toepassingenlaag bestaat uit allerlei software: de toepassingen of applicaties.
→ Op een smartphone zijn dat de apps die kunnen worden geïnstalleerd vanuit de
Play- of Appstore.
voordelen drielagenmodel:1. Een app kan niet zelf de hardware aansturen
→ het besturingssysteem controle kan houden over wat apps
doen. 2. Een app alleen maar ontwikkeld hoeft te worden voor een
besturingssysteem. → bijvoorbeeld één versie voor iOS en één voor Android.
Interfaces→ De verbindingen tussen de verschillende lagen en tussen de onderdelen in die
lagen.
Hardware-interfaces→ zijn de elektronische verbindingen tussen de fysieke onderdelen.
bv. de verbinding van het geheugen met de processor.
Die verbindingen zijn meestal geïntegreerd in een printplaat.
Onderdelen die een zeer snelle onderlinge verbinding nodig hebben, worden ook wel
geïntegreerd in een chip.
Connectoren zorgen meestal voor bekabelde verbindingen tussen verschillende
apparaten. bv. USB is de bekendste soort connector.
Drivers zijn een voorbeeld van interfaces tussen hard- en software.
Een driver is speciale software die het besturingssysteem alle informatie geeft die het
nodig heeft om een hardware-onderdeel aan te sturen.
Software-interfaces= Application Programming Interfaces (API’s).
Besturingssystemen hebben bijvoorbeeld API’s, zoals de Windows API en de Android
API. Deze API’s zijn de interface tussen de logische laag en toepassingenlaag.
De API zorgt er zo voor dat alle apps op een vergelijkbare manier werken en er zo
consistentie ontstaat in het gebruik van een apparaat.
De meeste apps halen data op via het internet om te kunnen functioneren, zoals
socialmedia-apps of een informatieve app als buienradar. Dat gebeurt vaak via een
web-API.
, → Zo’n API is de interface tussen de app en de database waarin alle gegevens zijn
opgeslagen.
Userinterfaces→ bekendste soort
communiceert een apparaat met de gebruiker. Dat gebeurt meestal via een GUI
(goewie): een Graphical User Interface.
→ Dat is de grafische verbinding tussen de gebruiker en het apparaat.
bv. Het touchscreen van een smartphone of het beeldscherm van een desktop-pc.
De GUI geeft informatie via knoppen, pictogrammen, teksten, afbeeldingen en
video’s.
zorgt ook voor de communicatie van de gebruiker naar het apparaat.
Alle handelingen van gebruikers worden door het besturingssysteem vertaald naar
events.
De Voice User Interface (VUI) → bekende user interfaces
De VUI maakt stembediening van een apparaat mogelijk.
Servers worden vaak op afstand (remote) aangestuurd
Die aansturing gebeurt vaak via een command line interface.
→ In die interface is alleen tekst te zien.
Command Line user Interface (CLI) → bekende user interfaces
Servers worden vaak op afstand (remote) aangestuurd.
E1 H2 Het lagenmodel herkennen
De communicatie tussen computers verloopt via allerlei netwerken
Local Area Network of LAN→ een netwerk binnen een gebouw
is draadloos via wifi of bedraad via een netwerkkabel beschikbaar is.
Een ander voorbeeld is het mobiele communicatienetwerk voor gegevensuitwisseling op
grote afstand.
bv. 4G
Communicatie tussen schepen of gegevensoverdracht vanaf meetstations voor de
bepaling van het weer.
‘lagen’ van de fysieke laag→ bestaat uit allerlei hardware
Kabels
Signaalomvormers.
Apparaten die de datastroom regelen
Servers
Clients.
logische laag
om data te kunnen transporteren over een netwerk is er allerlei software nodig
netwerkprotocollen → afspraken over de manier waarop data getransporteerd moet
worden en hoe apparaten binnen een netwerk te vinden zijn.
vb. Internet Protocol (IP) → beschrijft onder andere hoe elk apparaat in een
netwerk een adres krijgt, zodat het bereikbaar is.Dat adres wordt IP-adres genoemd.