1. Wat houden box 1, 2 en 3 in?
1 = belasting op inkomen uit werk en woning
2 = belasting op inkomen uit aanmerkelijk belang
3 = belasting op inkomen uit sparen en beleggen
2. Riedeltje box 1 a.u.b.
bepaal belastbaar inkomen (brutoloon - hypotheekrente + bijtelling eigenwoning forfait) -->
bereken belasting --> trek kortingen eraf.
3. wat is gemiddelde belastingdruk en wat is marginale belastingdruk?
het gemiddelde percentage dat iemand betaalt over zijn gehele inkomen vs. het percentage van
de hoogste schijf waarin iemand met zijn inkomen valt.
4. Riedeltje box 3 a.u.b.
bepaal belastbaar vermogen (bezitting - schuld (boven drempel - hef ngsvrij vermogen) -->
bereken ctief inkomen --> bereken belasting
5. wat is het nibud?
onafhankelijke stichting die informeert en adviseert over nanciën van huishoudens.
6. 3 soorten verzekeringen
schade (auto, inboedel, reis), zorg (basis, aanvullend), levens (overlijdensrisico, uitvaart, lijfrente)
7. wat is eigen risico?
deel ziektekosten voor eigen rekening
8. 4 onderdelen studie nanciering
studentenreisproduct, aanvullende beurs, lening, collegegeldkrediet
9. waarom is rente hoog bij consumptief krediet?
geen onderpand --> geen zekerheid
10. 5 vormen consumptief krediet
persoonlijke lening, doorlopende krediet, rood staan, kopen op afbetaling (meteen eigenaar),
huurkoop (niet)
11. wat is een annuïteiten lening?
betaal elke maand n vast bedrag -- deel a ossing en interest verschilt, eerst interest deel heel groot
later kleiner.
, 12. wat is een lineaire lening?
een lening waarbij je elke maand dezelfde hoeveelheid a ossing betaalt.
13. 3 soorten pensioenvoorzieningen
staatspensioen (aow), bedrijfspensioen (aanvullend mits in loondienst), zelf sparen/beleggen
14. welke 2 opties heb je voor sparen?
spaardeposito = je stort 1x geld, kan niet opnemen vervroegd, enkelvoudige rente over
oorspronkelijke bedrag
spaarrekening = samengestelde interest - rente over rente
15. stappenplan eindwaarde of contante waarde 1 bedrag
tijdlijn --> bepaal welke formule - Eindwaarde = K * (1+i)ˆn. Contante waarde = K * (1+i)^-n met n =
aantal jaar
16. stappenplan eindwaarde of contante waarde reeks bedragen
tijdlijn --> somformule, a = 1e getal rij = meest rechtse, r = reden, n = aantal getallen --> * kapitaal
17. 4 voorbeelden beleggen op beurs
aandelen, obligaties, beleggingsfondsen, derivaten
18. wat is een aandeel?
bewijs van eigendom van n bedrijf --> nominale waarde = statuten. beurswaarde - marktprijs
(vraag/aanbod)
19. 2 voordelen en 2 nadelen aandelen
voor: kans op hoog rendement, zeggenschap in AVA. tegen: hoog risico, hoge transactiekosten
20. Totaal rendement aandeel
dividendrendement (dividend per aandeel/ koers begin periode * 100%) + koersrendement
(verandering koers/ koers begin periode * 100%)
21. wat is een obligatie?
bewijs van deelname aan langlopende lening van onderneming/overheid --> nominale waardes =
statuten. beurskoers = marktprijs obligatie (markrente)
22. 2 voordelen en 2 nadelen obligaties
voor: lager risico - vaste rente + eerder geld terug bij faillissement. tegen: mogelijk lager
rendement, meer risico dan spaarrekening.
23. Totaal rendement obligatie