ENGELSE GRAMMATICA
TIJDEN
Present simple Altijd, nooit, regelmatig Always, usually often Hele werkwoorden en bij
he/she/it +s
Present continous Als het nu bezig is Now, at the moment Tegenwoordige tijd van to be
+ hele werkwoord + ing
Past simple Als het in het verleden Last week, this morning Regelmatige werkwoorden =
heeft afgespeeld en als stam + ed of 2e rijtje blz
het belangrijk is wanneer 129/130
Past continous Als het in het verleden op when Verleden tijd van to be + hele
een bepaald moment zich werkwoord + ing
heeft afgespeeld
Present perfect Wanner het niet Fijne jas Have/has + voltooi deelwoord
belangrijk is wanner
Passive (lijdend) Je geeft aan wat er Present : vorm van to be +
gebeurt en het is niet voltooi deelwoord
belangerijk wie Past : was or were + voltooi
deelwoord
WERKWOORDEN
HEBBEN / BEZITTEN
Als je aan wilt geven dat iemand iets bezit gebruik je have (or has) got.
MODALE HULPWERKWOORDEN
- Must – moeten (verplicht)
- Must not (mustn’t) – mogen niet
- May – misschien
- Might – heel misschien
- Can / can’t – (niet) kunnen/ (niet) mogen
- Could / couldn’t - (niet) kunnen / zou (niet) mogen / zou (niet) kunnen
- Would / wouldn’t – zou (den) (niet)
- Should / shouldn’t – zou (den) eigenlijk (niet) moeten
COULD HAVE / WOULD HAVE / SHOULD HAVE
Could have – had kunnen
Would have – zou hebben
Should have – had moeten
KON MAAR BETTER
- Had better + hele werkwoord (kon maar beter)
- Should + hele werkwoord (zou eigenlijk moeten)
- Would rather + hele werkwoord (zou liever)
TIJDEN
Present simple Altijd, nooit, regelmatig Always, usually often Hele werkwoorden en bij
he/she/it +s
Present continous Als het nu bezig is Now, at the moment Tegenwoordige tijd van to be
+ hele werkwoord + ing
Past simple Als het in het verleden Last week, this morning Regelmatige werkwoorden =
heeft afgespeeld en als stam + ed of 2e rijtje blz
het belangrijk is wanneer 129/130
Past continous Als het in het verleden op when Verleden tijd van to be + hele
een bepaald moment zich werkwoord + ing
heeft afgespeeld
Present perfect Wanner het niet Fijne jas Have/has + voltooi deelwoord
belangrijk is wanner
Passive (lijdend) Je geeft aan wat er Present : vorm van to be +
gebeurt en het is niet voltooi deelwoord
belangerijk wie Past : was or were + voltooi
deelwoord
WERKWOORDEN
HEBBEN / BEZITTEN
Als je aan wilt geven dat iemand iets bezit gebruik je have (or has) got.
MODALE HULPWERKWOORDEN
- Must – moeten (verplicht)
- Must not (mustn’t) – mogen niet
- May – misschien
- Might – heel misschien
- Can / can’t – (niet) kunnen/ (niet) mogen
- Could / couldn’t - (niet) kunnen / zou (niet) mogen / zou (niet) kunnen
- Would / wouldn’t – zou (den) (niet)
- Should / shouldn’t – zou (den) eigenlijk (niet) moeten
COULD HAVE / WOULD HAVE / SHOULD HAVE
Could have – had kunnen
Would have – zou hebben
Should have – had moeten
KON MAAR BETTER
- Had better + hele werkwoord (kon maar beter)
- Should + hele werkwoord (zou eigenlijk moeten)
- Would rather + hele werkwoord (zou liever)