Week 1A
● Er zijn subjectieve en objectieve bestanddelen te onderscheiden.
● Door het gevolg gekwalificeerd delict (vb. “dood ten gevolge”).
● Wanneer spreken we van een strafbaar feit?
a. Gedraging (actief en passief);
b. Voldoen aan bestanddelen van de delictsomschrijving;
c. Elementen
■ Wederrechtelijkheid
■ Schuld/verwijtbaarheid
Week 1B
● Wanneer is er sprake van ontoerekeningsvatbaarheid?
a. Gebrekkige of ziekelijke stoornis;
b. Causaal verband tussen stoornis en strafbare feit;
c. Is de gebrekkige of ziekelijke stoornis een reden om het strafbare feit niet toe
te rekenen?
■ Stel jezelf hierbij de vraag: Wat mogen we van iemand met zo’n
stoornis verwachten?
● Garantenstellung: we hebben hogere verwachtingen bij iemand in functie (vb.
politieagent).
1
, Week 2A: Noodweer en noodweerexces
1. Is er sprake van een noodweersituatie?
a. Aanranding van lijf, eerbaarheid of goed van jezelf of van een ander?
b. Ogenblikkelijk?
■ Er moet sprake zijn van onmiddellijk dreigend gevaar. Vrees voor
onmiddellijk dreigend gevaar is onvoldoende [Vrees] + [Bijlmer
schietpartij].
c. Wederrechtelijk?
d. Subsidiariteit: Noodzakelijke verdediging?
■ Stel jezelf hierbij de vraag: Kon je iets anders doen? Kon je je aan de
situatie onttrekken?
2. Tussenconclusie: Er is wel/geen sprake van een noodweersituatie.
3. Is er sprake van noodweer?
a. Heb je jezelf proportioneel verdedigd?
■ Proportionaliteit: Is het belang van de verdediging in verhouding met
het belang van de aanranding?
■ Subsidiariteit: Welk middel heb je gebruikt?
4. Conclusie: Er is wel/geen sprake van noodweer.
5. Is er sprake van noodweerexces?
a. Dubbele causaliteit:
■ Veroorzaakt de aanranding de hevige gemoedsbeweging?
■ Veroorzaakt de hevige gemoedsbeweging de reactie?
6. Conclusie: Er is wel/geen sprake van noodweerexces.
Vormen van noodweerexces
1. Intensief: de reactie is te hevig.
2. Extensief eerstegraads: de reactie is te lang.
3. Extensief tweedegraads: de reactie is te laat.
Week 2B: Afwezigheid van alle schuld (AVAS)
Er zijn vijf vormen van afwezigheid van alle schuld te onderscheiden:
1. Verschoonbare feitelijke dwaling: je vergist je in de werkelijkheid.
2. Verschoonbare rechtsdwaling: je vergist je in het recht, je denkt dat iets niet
strafbaar is.
a. Onbekendheid met regel
b. Onjuist advies [Verzwegen vermogen]
c. Verkeerde toepassing van de regel
3. Maximaal te vergen zorg betracht [Aflatoxine in pinda’s]
4. Verontschuldigbare onmacht: vb. je auto werkt niet meer en je veroorzaakt een
ongeluk.
5. Putatieve strafuitsluitingsgronden
Feitelijke en normatieve component
Het is goed om je bewust te zijn van het feitelijke component en het normatieve component.
● Feitelijk: je wist het niet.
● Normatief: je hoefde het ook niet te weten.
2