3.1
———————————————————————————————————————————
Fenotype en genotype
Genotype = de informatie voor alle erfelijke eigenschappen van een individu
Fenotype = alle waarneembare eigenschappen van een individu
- gebaseerd op het genotype
- wordt beïnvloed door milieuomstandigheden: licht, lucht (roken, luchtvervuiling), vochtigheid,
temperatuur, voeding en opvoeding.
Modificatie = verandering van het fenotype
—> informatie in de chromosomen verandert dan niet en wordt niet doorgegeven aan
nakomelingen (genotype verandert niet)
Aangeboren afwijking / aangeboren aandoening = wanneer een afwijking, aandoening of ziekte in
de baarmoeder ontstaat.
Erfelijke ziekte / erfelijke aandoening = als de informatie voor een ziekte genetisch via de ouders
wordt doorgegeven.
———————————————————————————————————————————
Chromosomen
Chromosomen = hier ligt de informatie van erfelijke eigenschappen
—> langgerekte dunne “draden” in de celkern.
—> bevat 1 lang DNA-molecuul en veel eiwitmoleculen
—> zijn alleen te zien in een lichtmicroscoop wanneer de cellen aan het delen zijn
Homologe chromosomen = twee chromosomen met dezelfde lengte en vorm
—> allelen liggen hier op precies dezelfde plek
Een mens heeft in een lichaamscel 23 paren chromosomen (2n):
- 22 paar autosomen (= gelijke chromosomenparen)
- 1 paar geslachtschromosomen (die bepalen het geslacht) —> 23e paar —> ontstaan na meiose
Karyotype/karyogram/chromosomenportret = de rangschikking van chromosomen in een cel
———————————————————————————————————————————
Genen
Gen (/erffactor) = een deel van een chromosoom dat de informatie bevat voor een of meer
erfelijke eigenschappen of een deel van een erfelijke eigenschap.
—> een gen kan voor een bepaalde eigenschap verschillende allelen hebben
DNA is opgebouwd uit 4 verschillende bouwstenen: de nucleotiden
- Nucleotide = bestaat uit een fosfaatgroep, desoxyribose en een
stikstofbase (Adenine -Thymine en Cytosine - Guanine)
- Basenparing = de vaste paren van stikstofbasen —> A met T en C met G
- DNA-sequentie = de specifieke volgorde van de stikstofbasen in een gen
- Allel = een variatie in de DNA-sequentie
Genoom = alle DNA-moleculen in een cel
Genexpressie = als genen worden aangezet en ze komen tot uiting
—> inactivatie = genen staan uit
, 3.2
———————————————————————————————————————————
Homozygoot, heterozygoot, dominant en recessief
Locus = de plaats van een gen in een chromosoom
In lichaamscellen komen genen in paren voor en in geslachtscellen komen ze enkelvoudig voor
Homozygoot = het genenpaar voor een eigenschap bestaat uit twee gelijke allelen
Heterozygoot = het genenpaar voor een eigenschap bestaat uit twee ongelijke allelen
—> alleen dominant allel komt tot uiting
—> deze personen zijn drager van recessieve genen
Dominant allel = een allel dat altijd tot uiting komt in het fenotype
- een hoofdletter A
- individuen waarbij dit gen tot uiting komt in het fenotype zijn homozygoot of heterozygoot voor
deze eigenschap —> Aa of AA
Recessief allel = een allel dat alleen tot uiting komt in het fenotype als er geen dominant gen
aanwezig is
- een kleine letter a
- individuen waarbij dit gen tot uiting komt in het fenotype zijn homozygoot voor deze eigenschap
—> aa
Onvolledig dominant = als de recessieve allel bij een heterozygoot toch een beetje tot uiting komt
—> bv. bij heterozygoten zijn bruine ogen minder bruin dan homozygoten
Intermediair fenotype = beide allelen van een allelenpaar komen in een mengvorm tot uiting in het
fenotype —> geen dominant of recessief allel
- ArAw (Rood en Wit)
Codominantie = beide allelen komen volledig tot uiting in het fenotype
———————————————————————————————————————————
Recombinatie
Recombinatie = door geslachtelijke voortplanting ontstaan nieuwe combinaties van allelen
- Tijdens meiose I worden chromosomen van een chromosomenpaar uiteen getrokken en
ontstaan geslachtscellen met verschillende genotypen
- In geslachtscellen kunnen 2^n verschillende genotypen voorkomen (bij de mens 2^23)
Genetische variatie = een grote verscheidenheid in genotypen binnen een soort door recombinatie
van allelen —> door dit heeft een soort een grote overlevingskans, vooral bij veranderende
milieuomstandigheden
Mutatie = verandering in erfelijke eigenschap
—> hierdoor ontgaat genetische variatie ook
Eineiige tweeling:
- ontstaat uit de versmelting van 1 zaadcel en 1 eicel
- na de deling ontstaan twee klompjes cellen met precies dezelfde genotype
Twee-eiige tweeling:
- ontstaat uit twee zaadcellen en twee eicellen
- deze hebben niet precies hetzelfde genotype en dus lijkt de tweeling net zoveel op elkaar als
elke andere broers en zussen
———————————————————————————————————————————
Fenotype en genotype
Genotype = de informatie voor alle erfelijke eigenschappen van een individu
Fenotype = alle waarneembare eigenschappen van een individu
- gebaseerd op het genotype
- wordt beïnvloed door milieuomstandigheden: licht, lucht (roken, luchtvervuiling), vochtigheid,
temperatuur, voeding en opvoeding.
Modificatie = verandering van het fenotype
—> informatie in de chromosomen verandert dan niet en wordt niet doorgegeven aan
nakomelingen (genotype verandert niet)
Aangeboren afwijking / aangeboren aandoening = wanneer een afwijking, aandoening of ziekte in
de baarmoeder ontstaat.
Erfelijke ziekte / erfelijke aandoening = als de informatie voor een ziekte genetisch via de ouders
wordt doorgegeven.
———————————————————————————————————————————
Chromosomen
Chromosomen = hier ligt de informatie van erfelijke eigenschappen
—> langgerekte dunne “draden” in de celkern.
—> bevat 1 lang DNA-molecuul en veel eiwitmoleculen
—> zijn alleen te zien in een lichtmicroscoop wanneer de cellen aan het delen zijn
Homologe chromosomen = twee chromosomen met dezelfde lengte en vorm
—> allelen liggen hier op precies dezelfde plek
Een mens heeft in een lichaamscel 23 paren chromosomen (2n):
- 22 paar autosomen (= gelijke chromosomenparen)
- 1 paar geslachtschromosomen (die bepalen het geslacht) —> 23e paar —> ontstaan na meiose
Karyotype/karyogram/chromosomenportret = de rangschikking van chromosomen in een cel
———————————————————————————————————————————
Genen
Gen (/erffactor) = een deel van een chromosoom dat de informatie bevat voor een of meer
erfelijke eigenschappen of een deel van een erfelijke eigenschap.
—> een gen kan voor een bepaalde eigenschap verschillende allelen hebben
DNA is opgebouwd uit 4 verschillende bouwstenen: de nucleotiden
- Nucleotide = bestaat uit een fosfaatgroep, desoxyribose en een
stikstofbase (Adenine -Thymine en Cytosine - Guanine)
- Basenparing = de vaste paren van stikstofbasen —> A met T en C met G
- DNA-sequentie = de specifieke volgorde van de stikstofbasen in een gen
- Allel = een variatie in de DNA-sequentie
Genoom = alle DNA-moleculen in een cel
Genexpressie = als genen worden aangezet en ze komen tot uiting
—> inactivatie = genen staan uit
, 3.2
———————————————————————————————————————————
Homozygoot, heterozygoot, dominant en recessief
Locus = de plaats van een gen in een chromosoom
In lichaamscellen komen genen in paren voor en in geslachtscellen komen ze enkelvoudig voor
Homozygoot = het genenpaar voor een eigenschap bestaat uit twee gelijke allelen
Heterozygoot = het genenpaar voor een eigenschap bestaat uit twee ongelijke allelen
—> alleen dominant allel komt tot uiting
—> deze personen zijn drager van recessieve genen
Dominant allel = een allel dat altijd tot uiting komt in het fenotype
- een hoofdletter A
- individuen waarbij dit gen tot uiting komt in het fenotype zijn homozygoot of heterozygoot voor
deze eigenschap —> Aa of AA
Recessief allel = een allel dat alleen tot uiting komt in het fenotype als er geen dominant gen
aanwezig is
- een kleine letter a
- individuen waarbij dit gen tot uiting komt in het fenotype zijn homozygoot voor deze eigenschap
—> aa
Onvolledig dominant = als de recessieve allel bij een heterozygoot toch een beetje tot uiting komt
—> bv. bij heterozygoten zijn bruine ogen minder bruin dan homozygoten
Intermediair fenotype = beide allelen van een allelenpaar komen in een mengvorm tot uiting in het
fenotype —> geen dominant of recessief allel
- ArAw (Rood en Wit)
Codominantie = beide allelen komen volledig tot uiting in het fenotype
———————————————————————————————————————————
Recombinatie
Recombinatie = door geslachtelijke voortplanting ontstaan nieuwe combinaties van allelen
- Tijdens meiose I worden chromosomen van een chromosomenpaar uiteen getrokken en
ontstaan geslachtscellen met verschillende genotypen
- In geslachtscellen kunnen 2^n verschillende genotypen voorkomen (bij de mens 2^23)
Genetische variatie = een grote verscheidenheid in genotypen binnen een soort door recombinatie
van allelen —> door dit heeft een soort een grote overlevingskans, vooral bij veranderende
milieuomstandigheden
Mutatie = verandering in erfelijke eigenschap
—> hierdoor ontgaat genetische variatie ook
Eineiige tweeling:
- ontstaat uit de versmelting van 1 zaadcel en 1 eicel
- na de deling ontstaan twee klompjes cellen met precies dezelfde genotype
Twee-eiige tweeling:
- ontstaat uit twee zaadcellen en twee eicellen
- deze hebben niet precies hetzelfde genotype en dus lijkt de tweeling net zoveel op elkaar als
elke andere broers en zussen