Why is there consciousness?
René Descartes -> Cogito Ergo Sum → Ik denk dus ik ben.
Biologische psychologie: wetenschappelijke studie van de biologische basis van psyche
en gedrag. De waarneming van processen in je brein. Het brein is niet perse de oorzaak van
gedrag.
Vraagstukken in de biopsy
- verklaringen voor gedrag
- bewustzijn als concept onderzoeken
- genetische invloed vs. omgevingsinvloed (G x E)
4 biologische verklaringsmodellen
- Fysiologische verklaring: Focus op gedrag gerelateerd aan lichamelijke processen.
- Ontogenetische verklaring: Focus op beschrijving hoe het gedrag zich kon
ontwikkelen.
- Evolutionaire verklaring: Focus op gedrag als gevolg van de evolutie van een
soort.
- Functionele verklaring: Focus op doel van het gedrag, waarom is het zo
ontwikkeld.
Evolutie
- mutaties gebeuren niet doelbewust.
- een individu verandert niet.
- fittest = best aangepast aan de omgeving.
- reproductie van genen is van belang.
- er is geen doelgerichte selectie.
Co-evolutie = soorten passen zich voortdurend aan elkaar aan. Zorgt voor
samenwerkingsverband.
- fijne motoriek
- begrijpen
- taal
- huilen
Dankzij relatief weinig ontwikkelde hersenen krijgt kind kans flexibel te ontwikkelen.
Dieronderzoek → waarom zouden we?
4 redenen in boek
Minimalist: binnen bepaalde kaders dierproeven uitvoeren.
Abolitionist: volledig tegen dierproeven.
Anatomie van een cel
,Oppervlakte: membraan
Kern: Nucleus bevat DNA
Mitochondriën: energie
Ribosomen: maakt nieuwe eiwitmoleculen
Endoplasmatisch reticulum: transport eiwitmoleculen
Neuron = zenuwcel
- moeilijk te vernieuwen
- communiceren met elkaar via neurotransmitters
Motorneuron vs. sensorisch neuron
Cellichaam van motorneuron in ruggenmerg.
Cellichaam sensorisch neuron langs axon
Motorneuron: van axon naar spier
Sensorisch neuron: van axon richting brein
Gliacellen (glia = lijm)
- Aanmaken van Myeline
, - Opruimen van kapotte of dode cellen
- Opruimen van neurotransmitters
- In stand houden van de bloed-brein-barrière.
Waarom hebben wij een bloed-brein-barrière?
- Muurtje om de bloedcellen.
- Zo kunnen stoffen niet zomaar in de bloedbaan komen en dus ook niet in het brein.
- Cellen in brein zijn kwetsbaar en niet makkelijk te vernieuwen.
- Zuurstof, stikstof en glucose kunnen er doorheen.
- Medicatie in vetbolletje toch door de bloed-brein-barrière heen.
Week 2 hoorcollege - Hoofdstuk 2: Neuronen
Centraal zenuwstelsel
Hersenen en ruggenmerg
Neuronen:
- Dendriet zorgt voor input
- Axon verzorgt output
- Soma is het cellichaam
- Putten energie uit glucose
Gliacellen: ondersteunend
1. Astrocyten: neurotransmitters opnemen en afgeven en verteren afvalproducten.
2. Microglia: verteren van afvalproducten en virussen.
3. Oligo dendro cytus en cellen van schwann: voeden en isoleren van axonen en
dendrieten.
4. Rediale glia en cellen van schwann: ontwikkeling en herstel van axonen en
dendrieten..
Soorten neuronen
1. Motorische neuronen, efferent:
CZS → spieren en klieren.
2. Interneuronen:
In en output vanuit andere neuronen
3. Sensorische neuronen, afferent:
Zintuigen → CZS
Efferent: van hersenen weg.
Afferent: naar hersenen en beenmerg structuur toe.
Vorm neuron door functie
- Neuronen in de kleine hersenen integreren informatie uit andere neuronen: veel
dendrieten.
- Neuronen in de retina krijgen input van weinig zintuigcellen: weinig dendrieten.
- Neuronen veranderen de dendrieten voortdurend door te leren en zich aan te
passen.
René Descartes -> Cogito Ergo Sum → Ik denk dus ik ben.
Biologische psychologie: wetenschappelijke studie van de biologische basis van psyche
en gedrag. De waarneming van processen in je brein. Het brein is niet perse de oorzaak van
gedrag.
Vraagstukken in de biopsy
- verklaringen voor gedrag
- bewustzijn als concept onderzoeken
- genetische invloed vs. omgevingsinvloed (G x E)
4 biologische verklaringsmodellen
- Fysiologische verklaring: Focus op gedrag gerelateerd aan lichamelijke processen.
- Ontogenetische verklaring: Focus op beschrijving hoe het gedrag zich kon
ontwikkelen.
- Evolutionaire verklaring: Focus op gedrag als gevolg van de evolutie van een
soort.
- Functionele verklaring: Focus op doel van het gedrag, waarom is het zo
ontwikkeld.
Evolutie
- mutaties gebeuren niet doelbewust.
- een individu verandert niet.
- fittest = best aangepast aan de omgeving.
- reproductie van genen is van belang.
- er is geen doelgerichte selectie.
Co-evolutie = soorten passen zich voortdurend aan elkaar aan. Zorgt voor
samenwerkingsverband.
- fijne motoriek
- begrijpen
- taal
- huilen
Dankzij relatief weinig ontwikkelde hersenen krijgt kind kans flexibel te ontwikkelen.
Dieronderzoek → waarom zouden we?
4 redenen in boek
Minimalist: binnen bepaalde kaders dierproeven uitvoeren.
Abolitionist: volledig tegen dierproeven.
Anatomie van een cel
,Oppervlakte: membraan
Kern: Nucleus bevat DNA
Mitochondriën: energie
Ribosomen: maakt nieuwe eiwitmoleculen
Endoplasmatisch reticulum: transport eiwitmoleculen
Neuron = zenuwcel
- moeilijk te vernieuwen
- communiceren met elkaar via neurotransmitters
Motorneuron vs. sensorisch neuron
Cellichaam van motorneuron in ruggenmerg.
Cellichaam sensorisch neuron langs axon
Motorneuron: van axon naar spier
Sensorisch neuron: van axon richting brein
Gliacellen (glia = lijm)
- Aanmaken van Myeline
, - Opruimen van kapotte of dode cellen
- Opruimen van neurotransmitters
- In stand houden van de bloed-brein-barrière.
Waarom hebben wij een bloed-brein-barrière?
- Muurtje om de bloedcellen.
- Zo kunnen stoffen niet zomaar in de bloedbaan komen en dus ook niet in het brein.
- Cellen in brein zijn kwetsbaar en niet makkelijk te vernieuwen.
- Zuurstof, stikstof en glucose kunnen er doorheen.
- Medicatie in vetbolletje toch door de bloed-brein-barrière heen.
Week 2 hoorcollege - Hoofdstuk 2: Neuronen
Centraal zenuwstelsel
Hersenen en ruggenmerg
Neuronen:
- Dendriet zorgt voor input
- Axon verzorgt output
- Soma is het cellichaam
- Putten energie uit glucose
Gliacellen: ondersteunend
1. Astrocyten: neurotransmitters opnemen en afgeven en verteren afvalproducten.
2. Microglia: verteren van afvalproducten en virussen.
3. Oligo dendro cytus en cellen van schwann: voeden en isoleren van axonen en
dendrieten.
4. Rediale glia en cellen van schwann: ontwikkeling en herstel van axonen en
dendrieten..
Soorten neuronen
1. Motorische neuronen, efferent:
CZS → spieren en klieren.
2. Interneuronen:
In en output vanuit andere neuronen
3. Sensorische neuronen, afferent:
Zintuigen → CZS
Efferent: van hersenen weg.
Afferent: naar hersenen en beenmerg structuur toe.
Vorm neuron door functie
- Neuronen in de kleine hersenen integreren informatie uit andere neuronen: veel
dendrieten.
- Neuronen in de retina krijgen input van weinig zintuigcellen: weinig dendrieten.
- Neuronen veranderen de dendrieten voortdurend door te leren en zich aan te
passen.