Paragraaf 1
Hoogtezone= (Een uitgestrekt gebied dat een gelijke maximale hoogte ligging
heeft.)
Westen → Andesgebergte met vulkanen
Westen → Diepe trog gevormd door subductie= (Een oceanische plaat duikt onder
een continentale plaat, waarbij de oceanische plaat smelt en er magma omhoog
komt.)
Oosten van de Andes → Tropisch laagland/Selva= (Dicht ondoordringbaar bos,
zoals het amazonegebied) in de warme, vochtige tropen met grote rivieren.
Noordoosten → Hoogvlakte/ Hoogland= (Een vlak of zacht golvend gebied op
meer dan 500 meter hoogte.)
Zuidoosten→ Plateau van Patagonië
, Paragraaf 2
Een groot deel van Zuid-Amerika ligt onder de tropische lucht => De lucht stijgt op
en er ontstaat een lagedrukgebied=> De afgekoelde lucht condenseert => Neerslag
wordt gevormd => ontstaan ITCZ= (Het lagedrukgebied in de tropen.)
Aan de oostkant van Zuid-Amerika is er een aanlandige passaat= (Een wind die
altijd waait tussen een hogedrukgebied en de evenaar) => Wind is vochtig, want de
wind komt vanaf een zee met warme zeestromen => aan de loefzijde van de Andes
veel regen.
EZELSBRUGGETJE Loef=Oef, veel neerslag Lijf=blij, weinig neerslag