Samenvatting Financiële Analyse
Balans: Hoeveel is een bedrijf waard? (Bezittingen/schulden)
BALANS - 31 JANUARI 2012 (datum)
debet credit
Vaste activa Eigen vermogen
Gebouw 250.000 Aandelenkapitaal 80.000
Apparatuur 125.000 Lang vreemd vermogen
Vlottende activa Hypothecaire lening 250.000
Voorraden 55.000 Banklening 75.000
Debiteuren 23.000 Kort vreemd vermogen
Vooruitbetalingen 1.000 Crediteuren 51.300
Bank 0 Rekening-courantkrediet 2.200
Kas 4.500
Totale activa: 458.500 Totale passiva: 458.500
Debiteuren: Producten zijn al verkocht door het bedrijf, maar de klant betaalt later.
Crediteuren: Producten zijn al geleverd, maar het bedrijf betaalt later.
Wat zijn de bezittingen van het bedrijf?
Vaste en vlottende activa
Hoe zijn die bezittingen gefinancierd?
Eigen vermogen, lang en kort vreemd vermogen
Wat is de waarde van een bedrijf?
Waarde = eigen vermogen = totale activa - totale vreemd vermogen (schulden)
,Resultatenrekening: Hoe goed heeft het bedrijf het gedaan? (Winst)
Hoe goed heeft het bedrijf gedraaid?
Omzet en winst.
Waar worden de kosten gemaakt?
Vaste en variabele kosten.
Hoeveel belasting moet het bedrijf betalen?
Netto winst.
Winst = omzet – inkoopwaarde
Omzet: voor hoeveel de klanten hebben gekocht.
Inkoopwaarde: hoeveel het bedrijf betaald heeft voor de verkochte producten.
VERKOOPPRIJS
INKOOPPRIJS WINST
Inkopen: de kosten van alle ingekochte producten OP BALANS (voorraad)!
Inkoopwaarde van de omzet: de inkoopkosten van alleen de verkochte producten
OP RESULTATENREKENING!
Brutowinst = omzet – inkoopwaarde van de omzet
Brutowinst = % van de omzet of % van de inkoopwaarde
Voorbeeld: 60% van de omzet:
40% 60%
inkoop bruto winst
60%
omzet
100%
, Voorbeeld: 60% van de inkoop:
60%
100% 60%
inkoop bruto winst
omzet
160%
Variabele kosten:
Kosten die direct gerelateerd zijn aan de hoeveelheid verkopen of productie.
Het bedrijf heeft die kosten alléén als er iets wordt verkocht of geproduceerd.
Bijvoorbeeld: inkoopwaarde van de omzet, transport, stukloon, verpakking en
provisie.
Vaste kosten:
Kosten die niet gerelateerd zijn aan de hoeveelheid verkopen of productie.
Het bedrijf heeft die kosten altijd, ook als er niets verkocht of geproduceerd
wordt.
Bijvoorbeeld: huur, verwarming, telefoon, marketing, afschrijving, rente en
salarissen.
o Afschrijving:
Waardevermindering van de vaste activa.
Als vaste kosten op de resultatenrekening.
Vermindert de nettowinst en hoeft niet werkelijk betaald te worden.
Balans: Hoeveel is een bedrijf waard? (Bezittingen/schulden)
BALANS - 31 JANUARI 2012 (datum)
debet credit
Vaste activa Eigen vermogen
Gebouw 250.000 Aandelenkapitaal 80.000
Apparatuur 125.000 Lang vreemd vermogen
Vlottende activa Hypothecaire lening 250.000
Voorraden 55.000 Banklening 75.000
Debiteuren 23.000 Kort vreemd vermogen
Vooruitbetalingen 1.000 Crediteuren 51.300
Bank 0 Rekening-courantkrediet 2.200
Kas 4.500
Totale activa: 458.500 Totale passiva: 458.500
Debiteuren: Producten zijn al verkocht door het bedrijf, maar de klant betaalt later.
Crediteuren: Producten zijn al geleverd, maar het bedrijf betaalt later.
Wat zijn de bezittingen van het bedrijf?
Vaste en vlottende activa
Hoe zijn die bezittingen gefinancierd?
Eigen vermogen, lang en kort vreemd vermogen
Wat is de waarde van een bedrijf?
Waarde = eigen vermogen = totale activa - totale vreemd vermogen (schulden)
,Resultatenrekening: Hoe goed heeft het bedrijf het gedaan? (Winst)
Hoe goed heeft het bedrijf gedraaid?
Omzet en winst.
Waar worden de kosten gemaakt?
Vaste en variabele kosten.
Hoeveel belasting moet het bedrijf betalen?
Netto winst.
Winst = omzet – inkoopwaarde
Omzet: voor hoeveel de klanten hebben gekocht.
Inkoopwaarde: hoeveel het bedrijf betaald heeft voor de verkochte producten.
VERKOOPPRIJS
INKOOPPRIJS WINST
Inkopen: de kosten van alle ingekochte producten OP BALANS (voorraad)!
Inkoopwaarde van de omzet: de inkoopkosten van alleen de verkochte producten
OP RESULTATENREKENING!
Brutowinst = omzet – inkoopwaarde van de omzet
Brutowinst = % van de omzet of % van de inkoopwaarde
Voorbeeld: 60% van de omzet:
40% 60%
inkoop bruto winst
60%
omzet
100%
, Voorbeeld: 60% van de inkoop:
60%
100% 60%
inkoop bruto winst
omzet
160%
Variabele kosten:
Kosten die direct gerelateerd zijn aan de hoeveelheid verkopen of productie.
Het bedrijf heeft die kosten alléén als er iets wordt verkocht of geproduceerd.
Bijvoorbeeld: inkoopwaarde van de omzet, transport, stukloon, verpakking en
provisie.
Vaste kosten:
Kosten die niet gerelateerd zijn aan de hoeveelheid verkopen of productie.
Het bedrijf heeft die kosten altijd, ook als er niets verkocht of geproduceerd
wordt.
Bijvoorbeeld: huur, verwarming, telefoon, marketing, afschrijving, rente en
salarissen.
o Afschrijving:
Waardevermindering van de vaste activa.
Als vaste kosten op de resultatenrekening.
Vermindert de nettowinst en hoeft niet werkelijk betaald te worden.