Orthopedagogiek
College 1 Wat is orthopedagogiek en de geschiedenis van de orthopedagogiek
1. De student kent de opvattingen van J.F.W. Kok over opvoeden
2. De studenten kan uitleggen waar de wetenschap Orthopedagogiek zich mee bezighoudt:
3. De student kan onderscheid maken tussen pedagogiek en orthopedagogiek
4. De student kan onderscheid maken tussen orthopedagogiek en psychiatrie. 5. De student kan
‘specifiek opvoeden’ in de historische context plaatsten:
6. De student kan beschrijven hoe de ontwikkelingen vanaf de 18e eeuw de visies op kinderen met
probleemgedrag hebben beïnvloed
7. De student kan beschrijven hoe de zorg voor kinderen met problemen zich heeft ontwikkeld
8. De studenten kan kernachtig de bijdrage van diverse (ortho)pedagogen aan de orthopedagogiek
verwoorden.
College 2 Orthopedagogiek als wetenschap (met specifieke aandacht voor Kok)
1. De student heeft kennis van Orthopedagogiek als wetenschap
2. De student kan a.d.h.v. de termen rationalisme en empirisme uitleggen hoe wetenschappelijke
kennis ontstaat
3. De student kan de geesteswetenschappelijke stroming, de empirisch-analytische stroming en de
maatschappijkritische stroming uitleggen.
4. De student kan aangeven welke belangrijke invloed J.F.W. Kok heeft gehad op de hulp aan
kinderen met problemen
5. De student weet wat het begrip ‘orthopedagogische vraagstelling’ inhoud.
6. De student heeft kennis van de drie aspecten van de ontwikkeling, nl. affectief, cognitief en
conatief
7. De student kan uitleggen welke verschillende vraagstellingstypen er zijn en wat deze inhouden
8. De student kan beschrijven wat de drie strategieën van J.F.W. Kok betekenen
College 3 De professionele opvoeder
1. De student kan de veranderingen schetsen die zich hebben voorgedaan in de positie van de
professional.
2. De student kan benoemen welke gevolgen deze veranderingen hebben voor de kwaliteiten
waarover een professional moet beschikken.
3. De student kan het verschil tussen een opvoedingsrelatie en een professionele opvoedingsrelatie
uitleggen
4. De student kan de ontwikkelingen in het denken over de professionele opvoedingssituatie kort
benoemen
5. De student kan benoemen welke werkbare factoren er een rol spelen in het hulpverleningsproces.
6. De student kan beschrijven in welke mate de persoon van de professional een rol speelt in het
opvoedend handelen
,1.1 Als opvoeden niet vanzelf gaat
Opvoeden is een proces dat zich binnen een bepaalde gemeenschap of cultuur afspeelt tussen
opvoeders en kinderen. Als opvoeden niet vanzelf gaat of als de ontwikkeling van een kind stagneert,
leidt dat in het algemeen tot spanningen binnen het gezin, maar ook daarbuiten. Een
opvoedingsimpasse.
Het proces van een opvoedingsimpasse:
- De opvoeder constanteert voor tijdstip 1 dat de ontwikkeling van het kind niet in de door
hem gewenste richting verloopt
- De opvoeder heeft tot op dat moment naar beste kunnen geprobeerd om de ontwikkeling
van het kind in de gewenste richting te beinvloeden.
- Op tijdstip 1 is de opvoeder van mening dat hij daar niet in geslaagd is.
- De opvoeder ziet dan ook geen bevredigde middelen meer om de ontwikkeling van het kind
in die richting te beinvloeden
- De opvoeder mits op dat moment tevens de verwachting dat hij zelfstandig of in overleg met
medeopvoeders, binnen een acceptabele termijn bevredigende middelen zal vinden.
- Dit besef gaat gepaard met pijnlijke emoties bij de opvoeder.
1.2 Opvoeden
Dale: ‘opvoeden is lichamelijk en geestelijk vormen; grootbrengen’.
*niet alleen de opvoeder maar ook het kind neemt deel aan dit opvoedingsproces. Er is sprake van
een wederzijdse beinvloeding.
Kok:’ dynamisch proces, waarin het kind zich ontwikkelt en de opvoeder opvoedt’.
*opvoeding krijgt niet alleen vorm in een reeks doelgerichte en bewuste pedagogische handelingen
die leiden tot een bepaalde ontwikkeling bij het kind. Een belangrijk accent ligt bij de invloed van de
dagelijkse omgang met elkaar, de sfeer of de wijze waarop de opvoeder voorleeft. - Kok- functioneel
karakter van de opvoeding, de intentionele momenten of doelgerichte handelingen maken volgens
Kok slechts een beperkt onderdeel uit van het totale opvoedingsproces.
Wat is opvoeden?
Kok:’ het in relatie staan van opvoeders en opvoedelingen, war in de opvoeder zich als persoon, als
zijn wijze van mens-zijn presenteert, een klimaat crëeert dat persoonlijkheidsgroei bevordert en
leefsituaties zo hanteert dat deze optimale kansen bieden voor zelfontplooiing’
Wat valt je op aan deze definitie? Het biedt geen resultaat van die opvoeding. Waarom niet?
Levering geeft antwoord in de tweede wereldoorlog heeft er een accentverschuiving in het
opvoedingsdenken plaatsgevonden van het ‘opvoedingsdoel’ naar de ‘kwaliteit van de
opvoedingsrelatie’. De achtergrond van deze verschuiving is het feit dat er geen eindpunt te
bepalen is voor opvoeden.
Kok ziet het opvoeden als samen op weg zijn, zonder het waarheen te kennen – perspectief.
Opvoedersperspectief: hoop en verwachting op een toekomst, waarbij wat er nog niet is, ook nog
niet gekend is, maar wat gewenst en gehoopt word.
Kindperspectief: wat sluimerend in het jonge kind aanwezig is en in de loop van de ontwikkeling
steeds meer gaat ontwaken. Kok noemt dit ontwikkeling van eigenheid ontplooit. Wanneer
opvoeders sensitief en responsief reageren, ontwikkelt het kind betere kansen.
, Doel van de opvoeding: opvoedingsrelatie, opvoedingsklimaat en opvoedingssituatie. De relatie is
volgens Kok de basis van het opvoedingsproces; zonder relatie is opvoeden niet mogelijk.
Functioneel proces/karakter van de opvoeding wijst naar de continue onderlinge betrokkenheid op
elkaar. Sprang benoemt extra * geborgenheid, veiligheid en een uitnodigende (leer) omgeving als
basis voor zelfontplooiing van het kind. Het opvoeden is niet alleen functioneel, de opvoeder oefent
ook doelgericht invloed uit. De opvoeder wil het kind iets leren, duidelijk maken of ervaren –
intentionele of doelgerichte karakter van de opvoeding. Dit betreft kleine doelen zoals: luisteren en
je kamer opruimen.
1.3 Pedagogiek
‘Kok: ópvoeden lijkt iets belangrijks te zijn’. Het onderwerp opvoeden is niet alleen een thema voor
opvoeder, maar ook mensen die hun beroep ervoor maken. De wetenschap die het opvoeden als
object heeft is Pedagogiek: Pedagogiek (Griekse woord ‘PAIS’ – kind en ‘agooge’ – het wegvoeren,
vervoer, opvoeding). Omschrijving pedagogiek: de bestudering van ‘de opvoeding, het onderwijs en
de hulpverlening aan kinderen en jeugdigen, met het oog op verbetering van de praktijk’. Maar ook
het opvoeden als maatschappelijk fenomeen en de factoren die daarmee samenhangen worden
onderzocht.
Waar wordt over nagedacht? Wanneer het proces van opvoeden niet vanzelf gaat. Een
wetenschapper gaat een stap verder denken dan nadenken: hij onderzoekt de werkelijkheid op een
systematische manier, waarbij hij uitgaat van veronderstellingen of hypotheses en als doel heeft
voorspellingen voor de toekomst te kunnen doen, zodat het handelen daarop kan worden
afgestemd. Tussen opvoeders in de dagelijkse praktijk en de wetenschappers op het gebied van
opvoeding bevindt zich de professionele opvoeder.
‘Strien’ drie niveaus van omgaan met problemen in de opvoeding die elkaar onderling beïnvloeden.
1. Ouders, leerkrachten en andere opvoeders nadenken over opvoeding en gedrag.
2. Praktijkgericht theorie: een deskundige. Zij halen informatie uit wetenschappelijke getoetse
kennis. Systematisch ahndelen en reflectie praktijkkennis te ontwikkelen en te toetsen.
3. Wetenschappelijk niveau – het niveau wrrop onderzoek wordt verricht dat bijdraagt aan
algemene theorievorming. Expliciet en door anderen controleerbaar- systematisch proces
van denken en handelen doorlopen, wetenschappelijke ontwikkelde instrumenten en
procedures.
Opvoeders leren van de ontwikkelingen van het kind. Ze leren als het ware het gedrag van het kind te
‘lezen’ en de opvoeding daarop af te stemmen. Het gedrag van het kind lezen betekent, zien en
kunnen vertalen wat het door middel van zijn gedrag ‘vertelt’ en wat het ‘vraagt’ m.b.t. zijn
ontwikkeling en de opvoeding.
1.4 Orthopedagogiek
Is de wetenschap die zich bezighoudt met bijzondere of specifieke opvoeding en het in zijn
ontwikkeling belemmerde kind. Ortho – recht (op).
De overeenkomsten tussen orthopedagogiek en pedagogiek is dat ze beide primair gericht zijn op de
opvoeding van en de invloed daarvan op de ontwikkeling van het kind. Orthopedagogiek doet dit
door problemen met kinderen op de eerste plaats te zien als opvoedingsproblemen en als een
opvoedingsopdracht. Dit is het onderscheidt wat gemaakt wordt tussen psychiatrie. Het object
wordt gerekend als een belemmering. Het verschil tussen pedagogiek en orthopedagogiek is dat
pedagogiek zich richt op normale opvoeding en orthopedagogiek gericht is op specifieke opvoeding.
College 1 Wat is orthopedagogiek en de geschiedenis van de orthopedagogiek
1. De student kent de opvattingen van J.F.W. Kok over opvoeden
2. De studenten kan uitleggen waar de wetenschap Orthopedagogiek zich mee bezighoudt:
3. De student kan onderscheid maken tussen pedagogiek en orthopedagogiek
4. De student kan onderscheid maken tussen orthopedagogiek en psychiatrie. 5. De student kan
‘specifiek opvoeden’ in de historische context plaatsten:
6. De student kan beschrijven hoe de ontwikkelingen vanaf de 18e eeuw de visies op kinderen met
probleemgedrag hebben beïnvloed
7. De student kan beschrijven hoe de zorg voor kinderen met problemen zich heeft ontwikkeld
8. De studenten kan kernachtig de bijdrage van diverse (ortho)pedagogen aan de orthopedagogiek
verwoorden.
College 2 Orthopedagogiek als wetenschap (met specifieke aandacht voor Kok)
1. De student heeft kennis van Orthopedagogiek als wetenschap
2. De student kan a.d.h.v. de termen rationalisme en empirisme uitleggen hoe wetenschappelijke
kennis ontstaat
3. De student kan de geesteswetenschappelijke stroming, de empirisch-analytische stroming en de
maatschappijkritische stroming uitleggen.
4. De student kan aangeven welke belangrijke invloed J.F.W. Kok heeft gehad op de hulp aan
kinderen met problemen
5. De student weet wat het begrip ‘orthopedagogische vraagstelling’ inhoud.
6. De student heeft kennis van de drie aspecten van de ontwikkeling, nl. affectief, cognitief en
conatief
7. De student kan uitleggen welke verschillende vraagstellingstypen er zijn en wat deze inhouden
8. De student kan beschrijven wat de drie strategieën van J.F.W. Kok betekenen
College 3 De professionele opvoeder
1. De student kan de veranderingen schetsen die zich hebben voorgedaan in de positie van de
professional.
2. De student kan benoemen welke gevolgen deze veranderingen hebben voor de kwaliteiten
waarover een professional moet beschikken.
3. De student kan het verschil tussen een opvoedingsrelatie en een professionele opvoedingsrelatie
uitleggen
4. De student kan de ontwikkelingen in het denken over de professionele opvoedingssituatie kort
benoemen
5. De student kan benoemen welke werkbare factoren er een rol spelen in het hulpverleningsproces.
6. De student kan beschrijven in welke mate de persoon van de professional een rol speelt in het
opvoedend handelen
,1.1 Als opvoeden niet vanzelf gaat
Opvoeden is een proces dat zich binnen een bepaalde gemeenschap of cultuur afspeelt tussen
opvoeders en kinderen. Als opvoeden niet vanzelf gaat of als de ontwikkeling van een kind stagneert,
leidt dat in het algemeen tot spanningen binnen het gezin, maar ook daarbuiten. Een
opvoedingsimpasse.
Het proces van een opvoedingsimpasse:
- De opvoeder constanteert voor tijdstip 1 dat de ontwikkeling van het kind niet in de door
hem gewenste richting verloopt
- De opvoeder heeft tot op dat moment naar beste kunnen geprobeerd om de ontwikkeling
van het kind in de gewenste richting te beinvloeden.
- Op tijdstip 1 is de opvoeder van mening dat hij daar niet in geslaagd is.
- De opvoeder ziet dan ook geen bevredigde middelen meer om de ontwikkeling van het kind
in die richting te beinvloeden
- De opvoeder mits op dat moment tevens de verwachting dat hij zelfstandig of in overleg met
medeopvoeders, binnen een acceptabele termijn bevredigende middelen zal vinden.
- Dit besef gaat gepaard met pijnlijke emoties bij de opvoeder.
1.2 Opvoeden
Dale: ‘opvoeden is lichamelijk en geestelijk vormen; grootbrengen’.
*niet alleen de opvoeder maar ook het kind neemt deel aan dit opvoedingsproces. Er is sprake van
een wederzijdse beinvloeding.
Kok:’ dynamisch proces, waarin het kind zich ontwikkelt en de opvoeder opvoedt’.
*opvoeding krijgt niet alleen vorm in een reeks doelgerichte en bewuste pedagogische handelingen
die leiden tot een bepaalde ontwikkeling bij het kind. Een belangrijk accent ligt bij de invloed van de
dagelijkse omgang met elkaar, de sfeer of de wijze waarop de opvoeder voorleeft. - Kok- functioneel
karakter van de opvoeding, de intentionele momenten of doelgerichte handelingen maken volgens
Kok slechts een beperkt onderdeel uit van het totale opvoedingsproces.
Wat is opvoeden?
Kok:’ het in relatie staan van opvoeders en opvoedelingen, war in de opvoeder zich als persoon, als
zijn wijze van mens-zijn presenteert, een klimaat crëeert dat persoonlijkheidsgroei bevordert en
leefsituaties zo hanteert dat deze optimale kansen bieden voor zelfontplooiing’
Wat valt je op aan deze definitie? Het biedt geen resultaat van die opvoeding. Waarom niet?
Levering geeft antwoord in de tweede wereldoorlog heeft er een accentverschuiving in het
opvoedingsdenken plaatsgevonden van het ‘opvoedingsdoel’ naar de ‘kwaliteit van de
opvoedingsrelatie’. De achtergrond van deze verschuiving is het feit dat er geen eindpunt te
bepalen is voor opvoeden.
Kok ziet het opvoeden als samen op weg zijn, zonder het waarheen te kennen – perspectief.
Opvoedersperspectief: hoop en verwachting op een toekomst, waarbij wat er nog niet is, ook nog
niet gekend is, maar wat gewenst en gehoopt word.
Kindperspectief: wat sluimerend in het jonge kind aanwezig is en in de loop van de ontwikkeling
steeds meer gaat ontwaken. Kok noemt dit ontwikkeling van eigenheid ontplooit. Wanneer
opvoeders sensitief en responsief reageren, ontwikkelt het kind betere kansen.
, Doel van de opvoeding: opvoedingsrelatie, opvoedingsklimaat en opvoedingssituatie. De relatie is
volgens Kok de basis van het opvoedingsproces; zonder relatie is opvoeden niet mogelijk.
Functioneel proces/karakter van de opvoeding wijst naar de continue onderlinge betrokkenheid op
elkaar. Sprang benoemt extra * geborgenheid, veiligheid en een uitnodigende (leer) omgeving als
basis voor zelfontplooiing van het kind. Het opvoeden is niet alleen functioneel, de opvoeder oefent
ook doelgericht invloed uit. De opvoeder wil het kind iets leren, duidelijk maken of ervaren –
intentionele of doelgerichte karakter van de opvoeding. Dit betreft kleine doelen zoals: luisteren en
je kamer opruimen.
1.3 Pedagogiek
‘Kok: ópvoeden lijkt iets belangrijks te zijn’. Het onderwerp opvoeden is niet alleen een thema voor
opvoeder, maar ook mensen die hun beroep ervoor maken. De wetenschap die het opvoeden als
object heeft is Pedagogiek: Pedagogiek (Griekse woord ‘PAIS’ – kind en ‘agooge’ – het wegvoeren,
vervoer, opvoeding). Omschrijving pedagogiek: de bestudering van ‘de opvoeding, het onderwijs en
de hulpverlening aan kinderen en jeugdigen, met het oog op verbetering van de praktijk’. Maar ook
het opvoeden als maatschappelijk fenomeen en de factoren die daarmee samenhangen worden
onderzocht.
Waar wordt over nagedacht? Wanneer het proces van opvoeden niet vanzelf gaat. Een
wetenschapper gaat een stap verder denken dan nadenken: hij onderzoekt de werkelijkheid op een
systematische manier, waarbij hij uitgaat van veronderstellingen of hypotheses en als doel heeft
voorspellingen voor de toekomst te kunnen doen, zodat het handelen daarop kan worden
afgestemd. Tussen opvoeders in de dagelijkse praktijk en de wetenschappers op het gebied van
opvoeding bevindt zich de professionele opvoeder.
‘Strien’ drie niveaus van omgaan met problemen in de opvoeding die elkaar onderling beïnvloeden.
1. Ouders, leerkrachten en andere opvoeders nadenken over opvoeding en gedrag.
2. Praktijkgericht theorie: een deskundige. Zij halen informatie uit wetenschappelijke getoetse
kennis. Systematisch ahndelen en reflectie praktijkkennis te ontwikkelen en te toetsen.
3. Wetenschappelijk niveau – het niveau wrrop onderzoek wordt verricht dat bijdraagt aan
algemene theorievorming. Expliciet en door anderen controleerbaar- systematisch proces
van denken en handelen doorlopen, wetenschappelijke ontwikkelde instrumenten en
procedures.
Opvoeders leren van de ontwikkelingen van het kind. Ze leren als het ware het gedrag van het kind te
‘lezen’ en de opvoeding daarop af te stemmen. Het gedrag van het kind lezen betekent, zien en
kunnen vertalen wat het door middel van zijn gedrag ‘vertelt’ en wat het ‘vraagt’ m.b.t. zijn
ontwikkeling en de opvoeding.
1.4 Orthopedagogiek
Is de wetenschap die zich bezighoudt met bijzondere of specifieke opvoeding en het in zijn
ontwikkeling belemmerde kind. Ortho – recht (op).
De overeenkomsten tussen orthopedagogiek en pedagogiek is dat ze beide primair gericht zijn op de
opvoeding van en de invloed daarvan op de ontwikkeling van het kind. Orthopedagogiek doet dit
door problemen met kinderen op de eerste plaats te zien als opvoedingsproblemen en als een
opvoedingsopdracht. Dit is het onderscheidt wat gemaakt wordt tussen psychiatrie. Het object
wordt gerekend als een belemmering. Het verschil tussen pedagogiek en orthopedagogiek is dat
pedagogiek zich richt op normale opvoeding en orthopedagogiek gericht is op specifieke opvoeding.