Realisme (1840-1880):
- Gewone mensen en alledaagse taferelen
- Sombere kleuren; overeenkomstig met het sobere
bestaan van de arme mensen
- Centrale gedeelte valt op door lichtere tinten
- Clair-obscureffect door diepe schaduwen en lichtere
tinten
- Technische vooruitgang is belangrijk bij de
constructies van gebouwen (bijv. de Eiffeltoren)
- Contrapost houding in de beeldhouwkunst
Impressionisme (1870-1905):
- De beleving van het moment en thema’s uit het moderne leven
- Fotografie wordt als hulpmiddel gebruikt
- Niet de voorstelling, maar de manier van schilderen is belangrijk
- Willen weergeven dat licht weerkaatst en maken uitsluitend wat
op hun netvlies staat: vlekjes licht en kleur.
- Schaduwen kunnen hun eigen kleur hebben
- Er wordt snel geschilderd want licht verandert ook snel
- Felle en zuivere kleuren worden gebruikt
- Silhouetten van gebouwen en een warm-koud kleurcontrast
- Bij beeldhouwkunst wordt de natuur gebruikt om het werk er
levendig uit te laten zien
Pointillisme (1884-1905):
- Schilderijen zijn geheel opgebouwd uit puntjes
- Er wordt gebruikt gemaakt van zuivere kleuren
- Het weergeven van de sfeer en lichtinval zijn belangrijk
- De werkelijkheid wordt min of meer vervormd in vorm en kleur
Postimpressionisme (1884-1905):
- Onrealistisch kleurgebruik: niet de echte kleuren maar de emoties van de
schilder
- Persoonlijke visie van de kunstenaar
- Afwijzing van het impressionisme
- Het doel is om meer gevoel in het schilderij te brengen
- Combinatie van warm en koud zorgt voor diepte in het schilderij
- Vincent van Gogh is een postimpressionist
, Symbolisme (1885-1900):
- Kunstenaars uiten hun gevoelens en/of opvattingen
door middel van symbolen
- Hun emotionele, filosofische of religieuze achtergrond
is te zien in hun werk
- Fel kleurgebruik, veel kleurcontrasten en grote
kleurvlakken
- Het ontbreken van schaduwen en sterke contouren
- Poëzie, mystieke overleveringen, dromen en visioenen
zijn inspiratie
Arts and Crafts (1975-1900):
- Stijl voor architectuur en toegepaste kunst
- William Morris had socialistische ideeën en vond dat producten uit de
fabriek levenloos waren. Hij wilde terug naar ambacht en vakmanschap
- Er worden natuurlijke materialen gebruikt: steen, klei, hout etc.
- Er moet worden bijgedragen aan een betere wereld voor de arbeiders
- Meubels, behang en meubelstoffen
- Bloemenmotieven, simpele vormen
Jugendstil (1890-1910):
- Heel elegant, lange vloeiende lijnen
- Beinvloed door het Japanisme
- Vooral toegepaste kunst en veel kostbare materialen
- Siermotieven zijn vaak natuurlijke vormen: bloemen, vogels, insecten en
vrouwenfiguren
- Posters voor films en theater
- Manieren om een afbeelding snel te vermenigvuldigen: vlakdruktechniek,
lithografie (steendruk)
- Alfons Mucha is bekend van het maken van posters
- Ook hier worden meubels gemaakt met zweepslagmotief
Art deco (1910-1940):
- Toegepaste kunst: interieur van Tuschinskitheater
- Geometrische vormen
- Primaire kleuren
- Ambacht en luxe materialen, chique stijl
Expressionisme (1905-1920)
- Kunstenaar vervormd zijn ervaringen/gevoelens door de werkelijkheid
te vereenvoudigen
- Uitdrukken van het gevoel
- Organische vormgeving
- Kunstenaarsbewegingen: ‘Die Brücke’, ‘Der Blaue Reiter’, ‘Die Neue
Sachlichkeit’
- Realistische kleuren werden losgelaten en ook de regels van de
perspectief los
- Die Brücke: seksualiteit, kleurvlakken, warm-koud contrast