Uit “Anatomie en fysiologie; een inleiding” door Marti ni en Bartholomew (6e editi e)
Opmerkingen:
Verwijzingen naar pagina’s zijn verwijzingen naar het boek
Indeling van hoofdstukken is volgens de hoofdstukken in het boek
Pijltje omlaag = minder/omlaag en pijltje omhoog meer/omhoog
11. Het cardiovasculaire stelsel: bloed
11.7 Hemostase bestaat uit vaatspasmen, vorming van
bloedplaatsjesprop en bloedstolling
Hemostase = het proces waardoor bloedingen worden gestopt
11.7.1 Fasen van de hemostase
Vaatspasme = een plaatselijke contractie in het bloedvat (door de gladde
spiercellen) als de bloedvatwant beschadigd raakt, waardoor de diameter
vh bloedvat kleiner wordt bloedverlies door de wand vh bloedvat
1. Vasculaire fase wordt minder/stopt
begint enkele sec o Duurt 30 minuten
na verwonding De membranen vd endotheelcellen op plaats van verwonding worden
kleverig
In capillairen kunnen de endotheelcellen samenkleven en zo de doorgang
afsluiten
Binnen 15 seconden na verwonding: bloedplaatjes hechten zich vast aan
2.Bloedplaatjesfas kleverige endotheelcellen + de collageenvezels ah oppervlak
e Steeds meer bloedplaatjes, ze gaan ook aan elkaar plakken =
begint enkele sec plaatsjesprop
na verwonding o De massa kan de scheur in de wand afsluiten (tenzij zware schade)
o Kunnen doorbloeding belemmeren in kleine bloedvaten tho
Coagulatie = bloedstolling
Hierin veel reacties die leiden tot omzetting fibrinogeen in fibrine
3. Coagulatiefase o Fibrinogeen is opgelost in bloedplasma
Zie afbeelding p. o Fibrine is een onoplosbaar eiwit
470 o Elke deelreactie zet een eiwit om in een enzym, wat weer het
begint min. 30 sec volgende eiwit activeert (zie meer bij 11.7.2) = kettingreactie =
na verwonding cascade
in dit fibrinenetwerk raken steeds meer bloedcellen en bloedplaatjes
gevangen bloedstolsel dan het beschadigde deel vh bloedvat afdicht
11.7.2 Het stollingsproces
Zie afbeelding p. 471
Bloedstolling kan alleen goed verlopen als de noodzakelijke stollingsfactoren in het bloed
zitten
Cerebrale bloedvoorziening - 1
, o
Bvb Ca-ionen
o
Bvb 11 verschillende eiwitten
Worden vanuit inactieve pro-enzymen omgezet in actieve enzymen
Die actieve enzymen katalyseren de deelreacties vd stolling
Meesten worden door de lever gesynthetiseerd
Verloopt volgens kettingreacties vd extrinsieke, intrinsieke en gemeenschappelijke keten
Kortere en snellere keten, begint iets eerder dan de intrinsieke
1. Beschadigde endotheelcellen/perifere weefsels geven een
Extrinsieke keten lipoproteïne af (de weefselfactor)
begint buiten de a. Hoe groter de beschadiging, hoe meer weefselfactor, hoe
bloedsomloop in de sneller de stolling begint
bloedvatwand 2. De weefselfactor reageert met Ca-ionen en met een ander
stollingseiwit (factor VII)
3. er ontstaat een enzym dat factor X kan activeren
Langzamere keten, versterkt het stolsel
Verloopt mbv een bloedplaatjesfactor
o Wordt door de bloedplaatjes afgegeven
Geven ook andere factoren af waardoor de reacties
vd keten sneller gaan
Intrinsieke keten
1. Activering van pro-enzymen
begint in de bloedsomloop
a. Die binden op de collageenvezels die aan uitwendig
oppervlak komen te liggen bij weefselbeschadiging
2. Een reeks onderling samenhangende reacties
3. De geactiveerde stollingseiwitten verbinden zich
a. Onder vorming ve enzym dat factX kan activeren
Hier verenigen beide ketens zich via de activering van factor X
Gemeenschappelijke keten (een stollingseiwit dat door de lever w gevormd)
begint wanneer de enzymen Zie de reacties in de blauwe pijl om te zien wat er gebeurt als
vd extrinsieke- of intrinsieke deze keten wordt “geactiveerd”
keten factor X activeren Trombine voltooit uiteindelijk het stollingsproces door
fibrinogeen om te zetten in fibrine
Trombine:
Voltooit stollingsproces
Versnelt vorming van stolsels. Hoe?
o Stimuleert de vorming vd weefselfactor
o Stimuleert de afgifte vd bloedplaatjesfactor door de bloedplaatjes
Calciumionen:
Is voor alle 3 de ketens nodig als je een aandoening hebt waardoor je aantal Ca-ionen
daalt dan zal ook je bloedstolling slecht zijn
Vitamine K:
Lever heeft hiervan voldoende nodig om 4 vd stollingsfactoren te vormen
Cerebrale bloedvoorziening - 2
, Tekort gemeenschappelijke keten onderbroken bloedstollingsreactie verstoord
½ vd benodigde vit K door voeding opgenomen
½ vd benodigde vit K door bacteriën in het spijsverteringskanaal gevormd
13. Het cardiovasculaire stelsel: bloedvaten en
bloedsomloop
13.1 Arteriën, arteriolen, capillairen, venulen en venen verschillen in
omvang, structuur en functie
Belangrijkste functie cardiovasculaire stelsel = uitwisseling stoffen en gassen tussen het bloed en de
interstitiële vloeistof via capillairwanden
13.1.1 De structuur van bloedvatwanden
Wanden van arteriën en venen zijn 3 lagen
Zie afbeelding p. 511
Bevat
Tunica intima = tunica interna Endotheel vd bloedvatwand
binnenste laag Onderliggende laag bindweefsel met vooral elastische
vezels
Bevat
Glad spierweefsel in een raamwerk van collagene en
Tunica media
elastische vezels
middelste laag
Samentrekken, dan dia bloedvat ↓ = vasoconstrictie
Ontspannen, dan dia bloedvat ↑ = vasodilatatie
Kader van bindweefsel rond bloedvat.
Tunica externa = tunica adventitia Soms zijn de collagene vezels vervlochten met
buitenste laag aangrenzende weefsels bloedvat gestabiliseerd en
verstevigd
13.1.2 Arteriën
Zie afbeelding p. 512
3 soorten:
Diameter: 2,5cm
Vb: aorta, longslagader, hun grootste vertakkingen
Tunica media heeft meer elastische vezels dan gladde
Elastische arteriën
spiercellen kunnen drukveranderingen opvangen
o Als niet elastisch dan druk tijdens systole veel
hoger en tijdens diastole veel lager
Musculeuze arteriën Diameter: 0,4cm
= middelgrote arteriën Vb: a. carotis externa
= distributiearteriën Tunica media heeft meer glad spierweefsel dan
elastische vezels
Cerebrale bloedvoorziening - 3
, Vervoeren bloed naar skeletspieren en inwendige
organen
Binnendiameter: 30 µm = micrometer
Arteriolen
Tunica media = 1 of 2 lagen gladde spiercellen
13.1.3 Capillairen
Zie afbeelding p. 515
= haarvaten
Functioneren niet afzonderlijk, maar als deel van een capillairnet = haarvatennet
Enige bloedvaten waarbij uitwisseling via de wand mogelijk is. Hoe?
o Dunne wanden diffusieafstand klein waardoor snelle uitwisseling
o Kleine diameter waardoor vertraagde bloedstroom genoeg tijd
Opbouw:
Diameter: 8 µm (bijna gelijk aan rode bloedcel)
Enkel tunica interna
Endotheelcellen met basaalmembraan
Diffusie:
Door poriën in de endotheelcellen of door openingen tussen aangrenzende endotheelcellen
Water, kleine opgeloste stoffen, in vet oplosbare stoffen
Precapillaire sfincters:
Kringspier, glad spierweefsel
Bij elke in- en uitgang van een haarvat
Samentrekken geen doorbloeding
Ontspannen capillairen open
Vertonen cyclische activiteit = vasomotie
Vasomotie:
Ontspannen/samentrekken 10x/min bloedstroom in bep. capillair niet constant
bloed gaat steeds via een andere route naar de venulen
Gereguleerd op weefselniveau = autoregulatie
o Gladde spiercellen reageren op plaatselijke veranderingen vd concentraties
chemische stoffen en opgeloste gassen in de interstitiële vloeistof
Anastomen:
= verbinding tussen 2 bloedvaten ze bieden een alternatieve route voor bloedstroming
2 soorten:
Cerebrale bloedvoorziening - 4