1 Introductie
1.1 Ideeëngeschiedenis versus systematische rechtsfilosofische
vraagstellingen
• Manier om rechtsfilosofie te gaan bestuderen
= Ideeëngeschiedenis = bestuderen van rechtsfilosofie door ideeën en theorieën
van individuele rechtsfilosofen te gaan bekijken
(Zelfde als schilderkunst uitleggen door à schilders en schilderijen te laten zien)
1.2 Ontstaan moraalfilosofieën en rechtsfilosofieën
• Ontstaan moraalfilosofieën en rechtsfilosofieën =
Voortgekomen uit/als;
o Discussies over maatschappelijke (MS) problemen
o Gevolg van bepaalde politieke ontwikkelingen
o Kritieken op eerdere filosofen en opvattingen
o Teruggrijpen naar eerdere filosofen en opvattingen
“Je kan het warm water niet meer uitvinden”
• Wisselwerking aanwezig (HISTORISCHE DIMENSIE VAN RECHTSFILOSOFIE)
Politieke & rechtsfilosofische theorieën ó MS-debatten & gebeurtenissen
Þ Theorieën tot stand gekomen door MS-debatten & gebeurtenissen
Þ Dynamiek in MS-debatten & gebeurtenissen verandert door ontwikkeling
theorieën
1.3 Specifiek karakter van rechtsfilosofische vraagstukken
• Rechtsfilosofie
≠ juridische discipline
= meta-juridische discipline (zoals rechtssociologie & rechtspsychologie)
• Meta-juridische discipline = disciplines die uit extern perspectief reflecteren over het
recht
• Rechtsfilosofische vragen
= meta-juridische vragen = vragen van hogere orde
(bvb. Heeft de maatschappij een recht tot straffen? Zo ja, waarop is dat recht dan
gebaseerd?)
(bvb. Heeft straffen een nut?)
à Utilitarisme = nutsbeginsel = moeten afschrikken; Bentham, Stuart Mill
à Vergelding = moet geen nut = een “vergoeding” aan de MS
= reflectievragen = normatieve vraagstukken
Niet alleen antwoord op de vraag is belangrijk, maar ook manier hoe men tot
antwoord komt = de rechtsfilosofische discussie zelf
≠ primair juridische vragen
(bvb. Welke straf is er in het wetboek voorzien voor een bepaald delict?)
1
, • Antwoorden op strafrechtsfilosofische vraagstukken anders naargelang mensbeeld &
plaats in maatschappij
MENSBEELD 1 = Determinatie ó MENSBEELD 2 = Vrije wil
Mens = Mens =
Een redelijk wezen dat van nature goed Wezen dat van nature geneigd tot kwade
+ +
Enkel door maatschappelijke Kan enkel afgehouden van wangedrag door
omstandigheden tot crimineel gedrag voortdurend bedreigd met
aanzetten afschrikwekkende sancties
• Filosoferen over recht leidt niet tot eenduidige uitkomsten
• Filosoferen = problematiseren / vooronderstellingen in vraag stellen
1.4 Het recht als relatief autonoom normensysteem: subsystemen
• Ontwikkeling van de Westerse cultuur = voorwerp van moderniseringsproces
• Door moderniseringsproces = recht als relatief autonoom normensysteem
• Stelsel transformeert zichzelf
Þ Juridische normen in moderne rechtssysteem komen enkel tot stand op
wijze zoals aanvaard & omschreven binnen juridische systeem zelf
• Subsystemen door functionele differentiatie
o Premoderne maatschappij
o Moderne maatschappij
1.4.1 Functionele differentiatie
• Niklas Luhmann (1927-1998)
o Duitse rechtsfilosoof/rechtssocioloog
o Systeemtheoreticus
o Moderniseringsprocessen = processen van functionele differentiatie van
maatschappij in relatief autonome subsystemen
o Functionele differentiatie = verschillende domeinen in MS (economie, recht,
politiek, wetenschap, defensie, religie, kunst, politiek) ontwikkelen zich
autonoom tot subsysteem binnen samenleving
Þ Hebben allemaal eigen taal, specialisten & normen
Þ Brengen allemaal eigen geldigheidsregels mee
Þ Evolueren onafhankelijk van elkaar
= wat belangrijk in ene deelsysteem ≠ noodzakelijk belangrijk in andere
(bvb. Wat economisch rendabel ≠ altijd sociaal wenselijk)
(bvb. Wat wetenschappelijk waar ≠ altijd in religie als waar gezien)
MAAR het ene deelsysteem sluit het andere wel niet uit !!!
o Deelsystemen vervullen MS dus andere functie
o Functionele differentiatie = resultaat lange historische ontwikkeling
= gaat samen met professionalisering/specialisering
2
,1.4.1.1 Premoderne maatschappij
= gedifferentieerd
≠ functioneel gedifferentieerd
• Premoderne maatschappijen = hiërarchie
• 1 overkoepelend betekenissysteem domineert andere systemen
• Dominante betekenissysteem (meestal religie/mythe) domineert
o Waarheidsvoorwaarde (wat is waarheid?)
o Geldigheidsvoorwaarde (wat kan gezien als waarheid?)
(bvb. Bepaling tussen machtsverhouding machtshebbers en burgers, Hoe gaat dat?)
1.4.1.2 Moderne maatschappij
= gedifferentieerd
= functioneel gedifferentieerd
• Moderne maatschappijen = verschillende deelsystemen als relatief onafhankelijke
functionele systemen
• Subsystemen niet volledig van elkaar gescheiden = kunnen interageren
MAAR altijd hercoderen & vertalen
(bvb. Een morele norm pas juridische betekenis als in juridische systeem
gespecifieerd (door wet, gewoonterecht, …))
• Tussen recht en moraal dus geen betonnen scheidingswand
• Paul Ricoeur (1913-2005)
Macht ó recht ó moraal
Recht = bemiddelaar
Zonder macht = moraal niks
Zonder moraal = macht alleen geweld
1.5 Juridische geldigheid
• Juridische geldigheid
≠ meer primair bepaald door moraal/religie (traditionele voormoderne
maatschappijen)
≠ niet bepaald door universele consensus
Juridische geldigheid = primair bepaald door proceduralistische legitimatie van recht
• Primair bepaald door proceduralistische legitimatie van recht?
= geldigheid van juridische normen
= een geldige rechtsregel = tot stand door
o Wijze voorzien in recht zelf (procedurele correctheid)
o Instantie die in recht daartoe bevoegd verklaard
(bevoegdheid)
• Niklas Luhmanns’ werk; “Legitimation durch Verfahren”
“Legitimatie door procedures”
3
, • Zorgt voor circulaire zelfreferentialiteit
= geldige rechtsregel is rechtsregel als procedure
correct en bevoegdheid correct
MAAR bevoegdheid en procedure = opgenomen in
rechtsregels zelf
Recht verwijst dus de hele tijd naar zichzelf
• Er zijn wel invloeden van andere subsystemen zoals
religie en moraal >< KRITIEK POSITIVISTEN: Kelsen & Hart
1.6 Rechtspositivistisch denken: recht versus rechtvaardigheid
• Rechtspositivistisch denken = modern (vanaf 20ste eeuw)
• Rechtspositivisme geeft kritiek op zogezegde invloeden van andere subsystemen!
• Rechtspositivisme = tweedelige opvatting;
1. Wet en moraliteit zijn gescheiden
2. Alle door mensen gemaakte (“positieve”) wetten zijn terug te voeren naar
menselijke wetgevers
1.6.1 Rechtspositivist John Austin
John Austin (1790-1859)
• Eerste rechtspositivist
• Kerndenker
• Basis bij Bentham
• Wilde wet omzetten in wetenschap
• Volgens hem; nodig om
o Recht te zuiveren van alle moraliteitsnoties
o Juridische concepten te definiëren in louter empirische termen
• Wat is recht?
Recht = een sociaal feit
= weerspiegelt machtsverhoudingen en gehoorzaamheid
Wat zijn wetten?
Wetten = moeten het grootste geluk van samenleving bevorderen
= regels, die een commando zijn
= algemene bevelen die;
• Door een soeverein worden uitgevaardigd
• Aan leden van een onafhankelijke politieke samenleving
• Ondersteunt door geloofwaardige dreigementen met straf of
andere nadelige gevolgen in geval van niet-naleving
Wat is de soeverein met zijn bevelen?
Soeverein = de persoon/groep personen die wordt gehoorzaamd door grootste
deel van de bevolking & niemand anders gehoorzaamd
Bevel = een uitgesproken wens dat er iets gedaan wordt, uitgevaardigd door een
meerdere, met sancties op de niet-naleving
= geven aanleiding tot wettelijke plichten om te gehoorzamen
4