(Bodde-Alderlieste & Salomons)
Hoofdstuk 3: Het vierfasenmodel
Het doel van het vierfasenmodel is om de leerlingen in de beschikbare tijd op een voor hen veilige
manier goed voor te bereiden op het communiceren in het Engels.
De lessencyclus van het vierfasenmodel bevat de volgende fasen:
introductiefase (fase 1)
inputfase (fase 2)
oefenfase (fase 3)
transferfase of overdrachtsfase
(fase 4)
Figuur 1: vierfasenmodel
Gebaseerd op Eibo-thema's = alledaagse
onderwerpen die op de basisschool aan de orde komen.
Fase 1: introductiefase:
belangrijkste doel is de leerlingen bekend maken met het nieuwe thema en de taal die ze gaan leren.
Ze mogen laten zie wat ze al weten. 4 onderdelen komen aanbod:
1. activeren voorkennis: receptieve activiteiten te laten uitvoeren, daarbij gaat het om
woorden, zinnen en ervaringen die ze m.b.t. het onderwerp al kennen. Nodig zodat de
nieuwe taal beter bij het oude aan kan sluiten.
2. motiveren van de leerlingen: je verteld het einddoel en wat ze kunnen met deze nieuwe
stof.
3. herhalen van de leerstof: woorden of structuren (zinnen) uit eerdere hoofdstukken die de
leerlingen bij het nieuwe thema nodig hebben herhalen. Ook tussen de lessen zelf, dus les 4
krijgt een terugkoppeling van les 3.
4. toepassen van strategieën: in de schijf van 5 worden drie typen strategieën genoemd:
receptief handelen (begrijpen), productief
handelen (spreken) en algemeen taalgebruik
(wat heb je nodig in een gesprek).
Zie hiernaast (figuur 2) voor voorbeelden van fase 1.
Figuur 2: Fase 1
, Fase 2: inputfase:
De inputfase is de leerlingen nieuwe taal aanbieden en laten verwerken. Bestaat uit minimaal 5
onderdelen:
1. luisteren naar en/of lezen van de inputtekst: meestal een luisterfragment.
2. verwerken van de input (tekst, nieuwe woorden, kerndialoog) op vorm en inhoud: je stelt
de leerlingen richtvragen voordat ze gaan luisteren.
3. aanbieden van nieuwe woorden: leerlingen beluisteren of lezen deze woorden, maar
hoeven ze nog niet meteen in gesprekjes te gebruiken (receptieve woordenschat). De
woorden die de leerlingen zelf gaan gebruiken zijn productieve woordenschat.
4. aanbieden van kerndialogen (een of meerdere): de leerlingen horen in deze fase een of
meer kerndiaglogen die ze nodig hebben om met elkaar te spreken in fase 3. Dit gaat tot het
geautomatiseerd is.
5. toepassen van strategieën: bijvoorbeeld een filler aanreiken, dat is een manier om meer tijd
te winnen, zodat ze langer kunnen nadenken.
Zie hieronder (figuur 3) voor voorbeelden van fase 2.
Fase 3:
oefenfase:
leerlingen
laten
oefenen
met
nieuwe
stof, met gesloten totFase
Figuur 3: halfgesloten
3 oefeningen.
onderdelen zijn:
1. oefenen met de kerndialoog met noties: uitFiguur
hoofd4: hetzelfde
Fase 2 gesprek.
2. oefenen met variabele noties: de lijst van variabele gebruiken ze in het kerndialoog.
3. oefenen met de kerndialoog met functies: zelf bedenken, dus er staat: Groet en vraag of je
de klant kunt helpen etc.
4. eventueel oefenen met een plusdialoog: meer functies erbij
5. oefenen met strategieën: spreek en schrijfstrategieën aanbieden.
Je kunt ook spelletjes toevoegen om het leuker te maken voor de leerlingen
Zie hierboven (figuur 4) voor voorbeelden voor fase 3
Fase 4: transferfase:
De leerlingen laten hier zien wat ze kunnen. De onderdelen zijn: