Week 1
Je bent in staat om…
1. Het onderscheid tussen rechtsvragen en vragen over recht uit te
leggen in de context van rechtspleging;
Over het recht zijn verschillende typen vragen te stellen. De rechtsvraag in een rechterlijke uitspraak
is een interpretatieve vraag; dit zijn de ‘klassieke’ juridische vragen die in de rechtenstudie en in de
rechtspraktijk gesteld worden.
Juristen doen veel meer dan het stellen en beantwoorden van rechtsvragen. Zo wordt tegenwoordig
in toenemende mate erkend dat juristen in de praktijk, in de wetenschap, maar ook tijdens hun
studie tevens met andersoortige vragen worden geconfronteerd die direct of indirect betrekking
hebben op het recht. Dit kunnen naast rechtinterpretatieve vragen, ook empirische, conceptuele en
normatieve vragen zijn.
2. Empirische, conceptuele, rechtsinterpretatieve en normatieve
perspectieven op het recht van elkaar te onderscheiden en te
herkennen in een casus;
Zie ‘Bijlage: Schema’s’
3. De casusgerichtheid van juristen uit te leggen;
Casusgerichtheid: de neiging van juristen om zich te focussen op de casus.
Gevolgen:
- Casusgerichtheid bepaalt in belangrijke mate het debat over rechterlijke rechtsvorming.
- Niet de kwaliteit of dringendheid van de rechtsvraag bepaalt of zij aan de Hoge Raad wordt
voorgelegd, maar andere factoren in dit proces bepalen dit.
- Juristen streven naar individuele rechtvaardigheid.
4. Het fenomeen van verhullend argumenteren uit te leggen en te
herkennen in een casus.
Het niet vermelden van de echte, achterliggende overwegingen en keuzes. Argumenten worden dat
zoveel mogelijk gepresenteerd als uitleg van regels, precedenten en overeenkomsten. Vier redenen:
- Het regelkarakter van het recht: regels in het burgerlijk recht zijn de uitdrukking van de
meest elementaire notie van het recht; het recht is niet gericht op eenmaligheid, maar op
herhaalbaarheid van gelijke gevallen.
- Het burgerlijk recht is qua structuur en inhoud meestal vergaand gecodificeerd.
- In een codificatie en ook in wetten is al veel voorwerk verricht doordat de wetgever de (toen)
relevante gezichtspunten en de voor- en nadelen van een bepaalde keuze heeft afgewogen.
- In het burgerlijk recht worden argumenten bij voorkeur herleid tot uitleg, omdat op deze
manier nieuwe oplossingen gemakkelijker in het systeem kunnen worden ingepast.
, Week 2
Je bent in staat om…
1. De belangrijkste kenmerken van de rechtsvindingstheorieën van
Jerome Frank, Karl Llewellyn en H.L.A. Hart te benoemen, uit te
leggen en te illustreren aan de hand van een casus;
Zie ‘Bijlage: Schema’s’
2. Uit te leggen welk rechtsbegrip ten grondslag ligt aan de
rechtsvindingstheorieën van Jerome Frank, Karl Llewellyn en
H.L.A. Hart;
Zie ‘Bijlage: Schema’s’
3. Uit te leggen waarom volgens Jerome Frank politieke,
economische en morele vooroordelen een rol spelen in de
rechterlijke oordeelsvorming;
In de praktijk begint de rechter niet met de rechtsregels en de feiten, maar met een conclusie. Deze
conclusie bepaalt vervolgens de redenering van de rechter. Politieke, economische en morele
vooroordelen (zogenaamde hunch-producers) bepalen in grote mate welke conclusie gekozen wordt
door de rechter.
4. Uiteen te zetten waarom rechters volgens Karl Llewellyn logische
ladders bouwen om hun oordeel te rechtvaardigen;
De juridische argumentatie die de rechter gebruikt om zijn oordeel te rechtvaardigen noemt
Llewellyn een logische ladder omdat zijn beslissing moet voortbouwen op het bestaande recht.
Door middel van een logische ladder zal een rechter zeker weten dat zijn beslissing rechtvaardig is.
Daarnaast is zijn beslissing door middel van een logische ladder te legitimeren.
5. Uit te leggen waarom volgens H.L.A. Hart de rechter
geconfronteerd kan worden met lacunes in het recht.
Een rechter kan geconfronteerd worden met lacunes in het recht door:
- Open structuur van het recht;
- Onwetendheid t.a.v. feiten;
- Onbepaaldheid van doelen.