———————————————————————————————————————————
Homeostase en regelkringen
Normwaarde = een bepaalde waarde die je lichaam bij factoren handhaaft
—> bijv. lichaamstemperatuur 37 ºC
Dynamisch evenwicht = een evenwicht dat om een bepaalde waarde schommelt
Homeostase = het in stand houden van een dynamisch evenwicht in het inwendige milieu van
organismen
- voorbeeld van zelfregulatie op het organisatieniveau organisme
- wordt gehandhaafd met een regelkring:
- sensor
- controlecentrum
- effector
Intern milieu: bloed en weefselvloeistof
Extern milieu: inhoud v.d. longen en darmen.
Negatieve terugkoppeling: het resultaat van een proces heeft een remmende invloed op het
proces.
Positieve terugkoppeling: versterkt een toename van het resultaat het proces.
Bij homeostase in meercellige organismen vindt communicatie tussen cellen plaats met
signaalmoleculen (hormonen en neurotransmitters)
, 1.2
———————————————————————————————————————————
Hormonen
= signaalmoleculen die de cellen van hormoonklieren afgeven
Endocriene klieren: geven stoffen af aan het bloed
—> secretie: het afgeven van hormonen aan het bloed door de hormoonklier
Exocriene klieren (bijv. zweet- en speekselklieren): geven hun product af via een afvoerbuis
(excretie/uitscheiding)
———————————————————————————————————————————
Doelwitorganen
= orgaan waarvan de cellen receptoren bevatten waaraan een bepaald hormoon kan binden
—> een hormoon kan processen in meerdere doelwitorganen regelen
De mate van reactie van doelwitorganen wordt bepaald door:
- aantal hormoonreceptoren voor een bepaald hormoon in het orgaan
- hormoonspiegel (hormoonconcentratie in het bloed) van dat hormoon
Hormonen reguleren vooral geleidelijke processen (bv groei, stofwisseling), omdat het lang in het
bloed en het weefsel van doelwitorganen blijft.
———————————————————————————————————————————
Werking van hormonen
Het hormoon bindt aan het receptoreiwit
• in het cytoplasma
Het hormoon-receptorcomplex komt in het kernplasma en kan bepaalde genen in het DNA aan/
uit zetten. Zo beïnvloedt het de werking van het orgaan.
• op het celmembraan
De receptor activeert een second messenger binnen het celmembraan. Die kan:
1. een enzym activeren
2. het signaal doorgeven aan een volgend signaalmolecuul
3. een specifieke reactie op gang brengen
OF genen in het DNA aan/uitzetten
= (signaal)cascade = een signaal wordt in de cel door meerdere schakels doorgegeven.