1.1
———————————————————————————————————————————
Voeding
Voedingsmiddelen = Alles wat je eet en drinkt
Voedingsstoffen = De bruikbare bestanddelen van voedingsmiddelen
—> zes groepen: eiwitten, koolhydraten, vetten, water, mineralen en vitaminen
Functie van voedingsstoffen:
1. Bouwstoffen voor organische moleculen bij voortgezette assimilatie:
- Groei en ontwikkeling
- Vervanging van afgestorven cellen
- Herstel van verwondingen
2. Brandstoffen om energie e leveren voor dissimilatie:
- Bewegen
- Op peil houden lichaamstemperatuur
- Groei, ontwikkeling, herstel
———————————————————————————————————————————
Eiwitten (proteïnen)
Eiwitten / proteïnen = Ketens van tientallen tot meer dan duizend aminozuren (20 verschillende)
—> of dierlijke (vlees, vis, melk …) of plantaardige (brood, noten …)
Een teveel aan eiwitten wordt niet opgeslagen, maar wordt omgezet in glucose en verbrand
Functie:
- Vooral als bouwstof —> komt voor in tussencelstof (collageen, kraakbeen, been)
- Transport van stoffen —> transporteiwitten
- Celcommunicatie —> signalen overbrengen: hormonen, neurotransmitters
- Chemische reacties —> enzymen
- Immuniteit —> antistoffen
- Bloedstolling —> stollingseiwitten
Essentiële aminozuren (8) = Moeten in het voedsel aanwezig zijn, omdat ze niet of in onvoldoende
hoeveelheden in het menselijk lichaam kunnen worden gevormd —> kunnen niet aan
transaminering doen in de lever
———————————————————————————————————————————
Koolhydraten (sachariden)
—> monosacharide, disacharide, polysacharide
Functie:
- Vooral als brandstof
- Bouwstof —> in DNA, ATP en celmembranen
Teveel aan opgenomen koolhydraten wordt omgezet in glycogeen (door insuline) of vet en
opgeslagen
Voedingsvezels = Koolhydraten die niet kunnen worden verteerd door enzymen van de mens (bv.
cellulose en pectine) —> komt uit celwanden van plantaardige voedingsmiddelen
Voedingsvezels bevorderen de darmwerking (zorgt voor verzadigd gevoel)
, ———————————————————————————————————————————
Vetten (lipiden)
Functie:
- Vooral als brandstof
- Bouwstof —> fosfolipiden in membranen
- Oplosmiddel voor sommige vitaminen —> A, D, E en K
Triglyceriden = Vetmoleculen die zijn opgebouwd uit een
glycerolmolecuul en drie vetzuurmoleculen
Verzadigd = Enkele bindingen (vet)
Onverzadigd = Dubbele binding (olie)
Essentiële vetzuren = Moeten in het voedsel aanwezig zijn (onverzadigde vetzuren)
Teveel aan opgenomen vetten wordt opgeslagen onder de huid en rondom organen
Cholesterol = Aangemaakt door lever en deels via voeding —> komt voor in celmembranen en
wordt gebruikt bij de productie van hormonen, gal en vitamine D
———————————————————————————————————————————
Water
Functie:
- Bouwstof (in lichaamscellen)
- Oplosmiddel / transportmiddel
- Bepaalt samen met de opgeloste stoffen de osmotische waarde van vloeistoffen in het lichaam
- Regeling van lichaamstemperatuur (zweten)
Organismen bestaan voor het grootste deel uit water
———————————————————————————————————————————
Mineralen (zouten)
Mineralen = Anorganische stoffen
Functie:
- Bouwstof —> bv. calcium en fosfor in de tussencelstof van beenweefsel en tandbeen
- Bloedstolling (calcium)
- Impulsgeleiding (kalium en natrium)
Spoorelementen = Mineralen die in geringe hoeveelheden in het voedsel aanwezig zijn
—> vaak bestanddeel van enzymen of hormonen
———————————————————————————————————————————
Vitaminen
Vitaminen = Organische stoffen die nodig zijn om de processen in je lichaam goed te laten
verlopen —> belangrijkste zijn A, B, C, D en K
Functie:
- Bouwstof —> o.a. bestanddeel van enzymen
Vitaminecomplex = Een verzamelnaam voor verschillende vitaminen B waarbij de afzonderlijke
vitaminen worden aangegeven met cijfers —> bv. B1 en B6
———————————————————————————————————————————
Voeding
Voedingsmiddelen = Alles wat je eet en drinkt
Voedingsstoffen = De bruikbare bestanddelen van voedingsmiddelen
—> zes groepen: eiwitten, koolhydraten, vetten, water, mineralen en vitaminen
Functie van voedingsstoffen:
1. Bouwstoffen voor organische moleculen bij voortgezette assimilatie:
- Groei en ontwikkeling
- Vervanging van afgestorven cellen
- Herstel van verwondingen
2. Brandstoffen om energie e leveren voor dissimilatie:
- Bewegen
- Op peil houden lichaamstemperatuur
- Groei, ontwikkeling, herstel
———————————————————————————————————————————
Eiwitten (proteïnen)
Eiwitten / proteïnen = Ketens van tientallen tot meer dan duizend aminozuren (20 verschillende)
—> of dierlijke (vlees, vis, melk …) of plantaardige (brood, noten …)
Een teveel aan eiwitten wordt niet opgeslagen, maar wordt omgezet in glucose en verbrand
Functie:
- Vooral als bouwstof —> komt voor in tussencelstof (collageen, kraakbeen, been)
- Transport van stoffen —> transporteiwitten
- Celcommunicatie —> signalen overbrengen: hormonen, neurotransmitters
- Chemische reacties —> enzymen
- Immuniteit —> antistoffen
- Bloedstolling —> stollingseiwitten
Essentiële aminozuren (8) = Moeten in het voedsel aanwezig zijn, omdat ze niet of in onvoldoende
hoeveelheden in het menselijk lichaam kunnen worden gevormd —> kunnen niet aan
transaminering doen in de lever
———————————————————————————————————————————
Koolhydraten (sachariden)
—> monosacharide, disacharide, polysacharide
Functie:
- Vooral als brandstof
- Bouwstof —> in DNA, ATP en celmembranen
Teveel aan opgenomen koolhydraten wordt omgezet in glycogeen (door insuline) of vet en
opgeslagen
Voedingsvezels = Koolhydraten die niet kunnen worden verteerd door enzymen van de mens (bv.
cellulose en pectine) —> komt uit celwanden van plantaardige voedingsmiddelen
Voedingsvezels bevorderen de darmwerking (zorgt voor verzadigd gevoel)
, ———————————————————————————————————————————
Vetten (lipiden)
Functie:
- Vooral als brandstof
- Bouwstof —> fosfolipiden in membranen
- Oplosmiddel voor sommige vitaminen —> A, D, E en K
Triglyceriden = Vetmoleculen die zijn opgebouwd uit een
glycerolmolecuul en drie vetzuurmoleculen
Verzadigd = Enkele bindingen (vet)
Onverzadigd = Dubbele binding (olie)
Essentiële vetzuren = Moeten in het voedsel aanwezig zijn (onverzadigde vetzuren)
Teveel aan opgenomen vetten wordt opgeslagen onder de huid en rondom organen
Cholesterol = Aangemaakt door lever en deels via voeding —> komt voor in celmembranen en
wordt gebruikt bij de productie van hormonen, gal en vitamine D
———————————————————————————————————————————
Water
Functie:
- Bouwstof (in lichaamscellen)
- Oplosmiddel / transportmiddel
- Bepaalt samen met de opgeloste stoffen de osmotische waarde van vloeistoffen in het lichaam
- Regeling van lichaamstemperatuur (zweten)
Organismen bestaan voor het grootste deel uit water
———————————————————————————————————————————
Mineralen (zouten)
Mineralen = Anorganische stoffen
Functie:
- Bouwstof —> bv. calcium en fosfor in de tussencelstof van beenweefsel en tandbeen
- Bloedstolling (calcium)
- Impulsgeleiding (kalium en natrium)
Spoorelementen = Mineralen die in geringe hoeveelheden in het voedsel aanwezig zijn
—> vaak bestanddeel van enzymen of hormonen
———————————————————————————————————————————
Vitaminen
Vitaminen = Organische stoffen die nodig zijn om de processen in je lichaam goed te laten
verlopen —> belangrijkste zijn A, B, C, D en K
Functie:
- Bouwstof —> o.a. bestanddeel van enzymen
Vitaminecomplex = Een verzamelnaam voor verschillende vitaminen B waarbij de afzonderlijke
vitaminen worden aangegeven met cijfers —> bv. B1 en B6