Hoofdstuk 1 Monetaire zaken
———————————————————————————————————————————
Functie’s van geld
Drie functie’s:
- Rekenmiddel
- Ruilmiddel
- Spaarmiddel
Drie vormen van geld:
- Chartaal geld: munten en bankbiljetten
- Giraal geld: betaalrekening, lopende rekening of rekening-courant —> pinpas, creditcard,
acceptgiro, chipknip (‘pinpas’ zonder te pinnen) —> je kan er direct mee betalen (geld op
spaarrekening niet, nu wel makkelijk online overboeken)
- Crypto geld: Bitcoin (online geld)
Rekening-couranttegoed = Tegoeden bij een bank die direct opvraagbaar zijn. Het is giraal geld in
handen van het publiek (betaalrekening).
———————————————————————————————————————————
Sparen en lenen
Sparen = Het niet-besteden van inkomen of het uitstellen van consumptie.
1. Sparen via de bank (spaarrekening) —> weinig risico
2. Beleggen: aandelen/obligaties of niet-financiële goederen
—> niet hetzelfde als investeren (= het aanschaffen van kapitaalgoederen om ermee te
produceren —> bedrijven, geen gezinnen)
3. Oppotten: meteen beschikbaar (liquide): bewaart het thuis of op (renteloze) rekening courant
—> ontpotten = uitgeven van opgepot geld
Rente (vergoeding voor het beschikbaar stellen van inkomen) is afhankelijk van het risico, inflatie/
deflatie en tijdsvoorkeur
—> hoe hoger de looptijd van de lening, hoe hoger de rente
Lenen = Het naar voren halen van consumptie in de hoop dit later terug te verdienen
, Hoofdstuk 2 Monetaire zaken
———————————————————————————————————————————
Geschiedenis van geld en banken
Eerst autarkische gemeenschappen (iedereen voor zichzelf)
Specialisatie —> directe ruil —> erg omslachtig —> hoge transactiekosten (zoektijd en en
vervoerskosten)
Gebruik van ruilmiddelen als schelpen, zout, edele metalen enz. als doel (altijd) om
transactiekosten te verminderen —> indirecte ruil: het ruilmiddel wordt gebruikt om te ruilen
(= betalen), als rekenmiddel of spaarmiddel (en bewaarmiddel, waardoor ruiltransactie naar
toekomst verplaatst kan worden)
Ruilmiddel moet aan deze eisen voldoen:
Deelbaar, hanteerbaar, houdbaar, waardevast, niet-reproduceerbaar en algemeen geaccepteerd
———————————————————————————————————————————
Munten
Heersers van een land hadden vaak het muntrecht —> zo ontstond een monopolie
Munt heeft verschillende waarden:
- Intrinsiek/metaalwaarde: materiaal waarde
- Extrinsiek: nominale waarde (waarde wat op de munt staat)
Intrinsieke waarde mag niet hoger zijn dan extrinsiek —> publiek zal munt omsmelten in metaal,
waardoor de geldhoeveelheid afneemt
Wet van Gresham: bad money drives out good money
—>mensen met geld van hoge intrinsieke waarde willen dit vasthouden en lagere waarde uitgeven
In de loop van de tijd wordt de bank tussen geld en edele metalen steeds losser en dit is goed
voor de economie.
———————————————————————————————————————————
Bankbiljetten
Eerst ontvangstbewijs (voor munten) bij een goudsmid, later werd dit als betaalmiddel gebruikt
(zie balans 1)
- Activa = Alle eigendommen van de goudsmid, zoals goud, woning, spullen in zijn huis
- Passiva = Middelen die geldschieters hebben verschaft om de bezittingen te kunnen kopen.
Een deel komst van de goudsmid zelf (eigen vermogen) en de rest komt van de eigenaar van de
ontvangstbewijs. De goudsmid heft een schild aan de eigenaren van de ontvangst-bewijzen
(= vreemd vermogen)
- Eigen vermogen = Bezittingen - schulden
In het begin werd dit gedekt door goud —> Na verloop van tijd was dit niet meer mogelijk en werd
het goud niet meer opgevraagd, waardoor de goudsmid steeds meer ontvangstbewijzen ging
uitgeven.
———————————————————————————————————————————
Functie’s van geld
Drie functie’s:
- Rekenmiddel
- Ruilmiddel
- Spaarmiddel
Drie vormen van geld:
- Chartaal geld: munten en bankbiljetten
- Giraal geld: betaalrekening, lopende rekening of rekening-courant —> pinpas, creditcard,
acceptgiro, chipknip (‘pinpas’ zonder te pinnen) —> je kan er direct mee betalen (geld op
spaarrekening niet, nu wel makkelijk online overboeken)
- Crypto geld: Bitcoin (online geld)
Rekening-couranttegoed = Tegoeden bij een bank die direct opvraagbaar zijn. Het is giraal geld in
handen van het publiek (betaalrekening).
———————————————————————————————————————————
Sparen en lenen
Sparen = Het niet-besteden van inkomen of het uitstellen van consumptie.
1. Sparen via de bank (spaarrekening) —> weinig risico
2. Beleggen: aandelen/obligaties of niet-financiële goederen
—> niet hetzelfde als investeren (= het aanschaffen van kapitaalgoederen om ermee te
produceren —> bedrijven, geen gezinnen)
3. Oppotten: meteen beschikbaar (liquide): bewaart het thuis of op (renteloze) rekening courant
—> ontpotten = uitgeven van opgepot geld
Rente (vergoeding voor het beschikbaar stellen van inkomen) is afhankelijk van het risico, inflatie/
deflatie en tijdsvoorkeur
—> hoe hoger de looptijd van de lening, hoe hoger de rente
Lenen = Het naar voren halen van consumptie in de hoop dit later terug te verdienen
, Hoofdstuk 2 Monetaire zaken
———————————————————————————————————————————
Geschiedenis van geld en banken
Eerst autarkische gemeenschappen (iedereen voor zichzelf)
Specialisatie —> directe ruil —> erg omslachtig —> hoge transactiekosten (zoektijd en en
vervoerskosten)
Gebruik van ruilmiddelen als schelpen, zout, edele metalen enz. als doel (altijd) om
transactiekosten te verminderen —> indirecte ruil: het ruilmiddel wordt gebruikt om te ruilen
(= betalen), als rekenmiddel of spaarmiddel (en bewaarmiddel, waardoor ruiltransactie naar
toekomst verplaatst kan worden)
Ruilmiddel moet aan deze eisen voldoen:
Deelbaar, hanteerbaar, houdbaar, waardevast, niet-reproduceerbaar en algemeen geaccepteerd
———————————————————————————————————————————
Munten
Heersers van een land hadden vaak het muntrecht —> zo ontstond een monopolie
Munt heeft verschillende waarden:
- Intrinsiek/metaalwaarde: materiaal waarde
- Extrinsiek: nominale waarde (waarde wat op de munt staat)
Intrinsieke waarde mag niet hoger zijn dan extrinsiek —> publiek zal munt omsmelten in metaal,
waardoor de geldhoeveelheid afneemt
Wet van Gresham: bad money drives out good money
—>mensen met geld van hoge intrinsieke waarde willen dit vasthouden en lagere waarde uitgeven
In de loop van de tijd wordt de bank tussen geld en edele metalen steeds losser en dit is goed
voor de economie.
———————————————————————————————————————————
Bankbiljetten
Eerst ontvangstbewijs (voor munten) bij een goudsmid, later werd dit als betaalmiddel gebruikt
(zie balans 1)
- Activa = Alle eigendommen van de goudsmid, zoals goud, woning, spullen in zijn huis
- Passiva = Middelen die geldschieters hebben verschaft om de bezittingen te kunnen kopen.
Een deel komst van de goudsmid zelf (eigen vermogen) en de rest komt van de eigenaar van de
ontvangstbewijs. De goudsmid heft een schild aan de eigenaren van de ontvangst-bewijzen
(= vreemd vermogen)
- Eigen vermogen = Bezittingen - schulden
In het begin werd dit gedekt door goud —> Na verloop van tijd was dit niet meer mogelijk en werd
het goud niet meer opgevraagd, waardoor de goudsmid steeds meer ontvangstbewijzen ging
uitgeven.