Blok 3.3, Week 6: Prenatale diagnostiek en screening
1: hoe wordt moedersterfte gedefinieerd en wat zijn de oorzaken en hoe vaak
komt het voor? (Heineman pag. 166-173-174-175)
Moedersterfte: sterfte van een vrouw tijdens de zwangerschap of binnen 42 dagen
(einde van de kraamperiode) na beëindigen van de zwangerschap ongeacht de duur en
de plaats van de zwangerschap door elke oorzaak die gerelateerd is aan of versterkt
wordt door de zwangerschap of de behandeling van de zwangerschap, maar niet door
een toevallig samenloop van omstandigheden.
Directe moedersterfte: sterfte veroorzaakt door obstretische complicaties tijdens
zwangerschap, bevalling en kraambed, door interventies, nalatigheden, foutieve
behandeling, of door een reeks gebeurtenissen volgend uit genoemde factoren.
Indirecte moedersterfte: sterfte a.g.v. een reeds bestaande ziekte of een ziekte die
zich ontwikkelde tijdens de zwangerschap, en die niet veroorzaakt werd door obstretische
oorzaken, maar versterkt werd door de fysiologische effecten van de zwangerschap.
Late moedersterfte: directe en indirecte sterfte meer dan 42 dagen na, maar
minder dan een jaar na het beëindigen van de zwangerschap.
Zwangerschapsgerelateerde sterfte: sterfte van de vrouw tijdens de zwangerschap
of binnen 42 dagen na beëindigen van de zwangerschap, onafhankelijk van de
classificatie.
Oorzaken moedersterfte:
Directe moedersterfte: Indirecte moedersterfte:
(pre-) eclampsie (combi te hoge Cardiovasculaire aandoeningen
bloeddruk en eiwitverlies tijdens Cerebrovasculaire aandoeningen
zwangerschap) Bloedziekten
Trombose en trombo-embolieen infectieuze aandoeningen
Hemorragieen ante partum en post endocriene ziekten
partum psychische stoornissen
Sepsis door genitale infecties longaandoeningen
Complicaties van sectio caeserea neurologische aandoeningen
(keizersnee) en anesthesie
Vruchtwaterembolie
Andere oorzaken (o.a. persisterende
trofoblast, extra-uteriene graviditeit,
plotselinge dood zonder oorzaak)
Voorkomen:). De moedersterfte wordt uitgedrukt per 100.000 levendgeborenen “maternal
mortality rate”(eigenlijk ratio).
1996-1998: 14,1/100.000. de meest voorkomende oorzaak was pre-eclampsie daarna
trombo-embolieen, sepsis uitgaande van de tractus genitalis en obstretische bloeding.
Deze 4 samen vormen 72,4% (176/243) van alle directe sterfte. De meest frequente
oorzaak van indirecte sterfte waren cardiovasculaire aandoeningen (36,4%) en
cerebrovasculaire aandoeningen (30,3%) Heineman: 1993 – 2002: 12,6
gevallen van moedersterfte per 100.000 levendgeborenen. De periode hiervoor
was het 9,7.
De moedersterfte is hoger bij lager sociale klassen (20X) dan bij hoger sociale klassen.
2. Hoe wordt perinatale sterfte gedefinieerd, hoe wordt dit berekend en vertel
iets over de hoogte van de perinatale sterft in Nederland bij allochtonen en
autochtonen?
(Heineman p. 178-179, 193-195, 382)
Perinatale sterfte: doodgeboorte en sterfte binnen de eerste levensweek, waarbij
verschillende inclusiedefinitie geldt voor geboorte naar gelang de internationale of
nationale regels.
o Internationale definitie: epidemiologische maat berekend door het aantal
doodgeboren kinderen van 500 gram en meer en het aantal levend geboren
kinderen van 500 gram en meer dat overlijdt in de eerste levensweek, te delen door
het totale aantal dood- en levend geboren kinderen volgens deze definitie;
vermenigvuldigd met 1000 geeft dit de perinatale sterfte als promillage.
,Blok 3.3 Week 6 Pagina 2/46
o Nederlandse wetgeving: epidemiologische maat berekend door het aantal
doodgeboren kinderen vanaf 24 weken zwangerschap en het aantal levend geboren
kinderen vanaf 24 weken zwangerschap dat overlijdt in de eerste levensweek, te
delen door het totale aantal dood- en levend geboren kinderen volgens deze
definitie; vermenigvuldigd met 1000 geeft dit de perinatale sterfte als promillage.
Perinatale sterfte (letterlijk:sterfte rondom de geboorte) wordt onderverdeeld in sterfte
voor de geboorte en sterfte na de geboorte. Sterfte voor de geboorte: laat foetale
sterfte≥ 24 weken, Sterfte na de geboorte wordt alleen: vroegneonatale sterfte (binnen
7x24 uur)
Van de perinatale sterfte gaat 50-70% gepaard met vroeggeboorte. De sterfte kans is
sterk afhankelijk van de zwagerschapsweek waarin het kind wordt geboren. Als het kind
wordt geboren bij een zwangerschapduur van 24 weken of minder, heeft het nauwelijks
overlevingskans. Na 24 weken neemt de overlevingskans snel toe. Na 25 tot en met 27
weken is de overlevingskans ongeveer 55-75%, na 28 of 29 weken 80-85% en na 30 of 31
weken 95-100% gevolgd door een verdere stijging tot vrijwel 100% wanneer het kind à
terme wordt geboren. Perinatale sterfte en morbiditeit wordt vooral veroorzaakt door
hyalienemembraanziekte en ‘respiratory-distress syndrome” (RDS). Beide ziektebeelden
zijn het gevolg van onrijpheid van de longen door onvoldoende aanwezigheid van
surfactans.
In 2004 bedroeg de perinatale sterfte in Nederland volgens de PRN (Perinatale
Registratie Nederland) 7,94 per 1000 geboren kinderen geboren na een
zwangerschapsduur van 24 weken of meer. Volgens de WHO-FIGO-criteria bedroeg de
perinatale sterfte in Nederland in 2004 9,97% onderverdeeld in 70% doodgeboorte en
30% neonatale sterfte..
Onder allochtonen zwangeren (afhankelijk van de definitie 16-20% van de zwangere
populatie) is de perinatale sterfte hoger; overall is het risico ongeveer 1.4x zo groot. Dit
risico is niet hetzelfde voor de verschillende etnische groepen.
Surinaamse zwangeren van Afrikaanse (negroïde) oorsprong hebben een ruim twee keer
zo hoog risico vergeleken met de oorspronkelijke Nederlandse populatie. Premature
geboorte en te laag geboortegewicht (SGA), en op de achtergrond het biologisch sterk
verhoogde risico voor hypertensieve aandoeningen van de zwangerschap, spelen hier
een grote rol.
Voor immigranten uit Turkije en Marokko werd een oddsratio van 1.3 gevonden (1.3x zo
grote kans op perinatale sterfte). Een bijdrage vormt hier tienerzwangerschap, grande
multipariteit en roken (bij Turkse zwangeren).
Opvallend is dat na correctie voor een aantal belangrijke risicofactoren die vaker bij
etnische groepen voorkomen, dat socio-economische factoren weinig tot geen
afzonderlijk effect hebben.
3. Hoe wordt neonatale sterfte gedefinieerd en hoe wordt deze onderverdeeld?
(Heineman p. 178-179, 195) zie ook figuur 9.5 op blz 195
De neonatale sterfte is de sterfte tussen de geboorte en de eerste 28 dagen per 1000
levendgeborenen. Dit wordt onderverdeeld in de vroege en late neonatale sterfte.
Vroege neonatale sterfte: sterfte binnen 168 uur (7 volle dagen) na de geboorte (per
1000 levendgeborenen berekend).
Late neonatale sterfte: sterfte na de eerste levensweek en binnen 28 dagen na de
geboorte (berekend per 1000 levendgeborenen).
4. Leg uit waarom in de westerse wereld Nederland voor wat betreft de
verloskundige organisatie een unieke plaats inneemt, wie verlenen
verloskundige hulp en hoe is de onderlinge samenwerking geregeld?
(Heineman 9.5 p 196-198)
Verloskundige organisatie is de wijze waarop de zorg voor moeder en kind tijdens
zwangerschap, geboorte en kraambed landelijk is geregeld. In de Westerse wereld neemt
, Blok 3.3 Week 6 Pagina 3/46
Nederland in verschillende opzichten een unieke plaats in. Deze typisch Nederlandse
situatie heeft de volgende kenmerken:
- 25-30% van alle geboorten vindt thuis plaats. Dit in contrast met andere landen,
waar de thuisbevalling slechts bij hoge uitzondering plaatsvindt (0,5-3%). In
sommige landen is het zelfs illegaal.
- Nederland beschikt niet alleen theoretisch (zoals in vele landen) maar ook
praktisch over 3 verschillende beroepsgroepen die afzonderlijk gerechtigd zijn
zelfstandig en onafhankelijk van elkaar de totale zorg voor zwangerschap, baring
en kraambed te verlenen. De verdeling wordt gemaakt op basis van de scheiding
tussen fysiologie en pathologie. Deze 3 groepen omvatten de huisartsen,
verloskundigen en gynaecologen. De verloskundige en de huisarts begeleiden de
gezonde zwangere bij een normaal verlopende zwangerschap en bevalling.
- Er is een verzekeringssysteem waarbij de Nederlanders verplicht en volledig
verzekerd zijn voor verloskundige hulp. Specialistische hulp door een gynaecoloog
tijdens een zwangerschap, bevalling en kraambed wordt alleen vergoed indien
daarvoor een medische indicatie voor bestaat. Deze medische indicaties zijn
gezamenlijk door de verloskundige beroepsgroepen vastgelegd in het verloskundig
Vademecum (indicatielijst waarin verantwoordelijkheid van de begeleiding van de
zwangerschap en bevalling duidelijk wordt gemaakt voor verloskundige
hulpverleners.)
Er zijn 4 categorieën gevormd.
1. Eerstelijns verloskundige zorg.
De verantwoordelijkheid voor verloskundige begeleiding in de genoemde situatie
ligt bij de verloskundige of huisarts
2. Overlegsituatie
Er is sprake van een beoordeling op het raakvlak van de eerste en de tweede lijn.
De individuele situatie van de zwangere wordt beoordeeld en er worden afspraken
gemaakt over de verantwoordelijkheid voor de verloskundige begeleiding.
3. Tweedelijns verloskundige zorg
De vermelde indicatie is van dien aard dat de verloskundige begeleiding in de
tweede lijn door de gynaecoloog moet worden uitgevoerd, overigens slechts voor
zolang er van de beschreven aandoening sprake is.
4. Verplaatste eerstelijns verloskundige zorg.
De verantwoordelijkheid voor de verloskundige zorg ligt bij de eerstelijns
zorgverlener, maar in de vermelde situatie bestaat aanleiding de bevalling in het
ziekenhuis te laten plaatsvinden om evt transportrisico tijdens de bevalling te
vermijden.
5. Beschrijf de conceptie van eisprong tot pre-embryo, de communicatie tussen
pre-embryo en endometrium, de implantatie en decidualisatie. (Heineman p
227-234).
Eisprong pre-embryo
Vlak voor de eisprong, als reactie op LH-piek, vindt de 1 e meiotische deling
(reductiedeling) plaats. De uitgangssituatie bij een meiose is identiek aan die van een
mitose. Het DNA van de cellen is al gerepliceerd (in de S-fase) en alle 46 chromosomen
bestaan dus uit 2 chromatiden. In tegenstelling tot de mitose wordt tijdens de 1 e
meiotische deling het aantal chromosomen gehalveerd. Hieraan voorafgaand vindt er
overkruising tussen de 23 homologe chromosomen plaats. Door middel van recombinatie
wordt vervolgens homoloog paternaal en maternaal DNA uitgewisseld. Dit resulteert in
een over de 2 dochterkernen wel gelijke maar niet identieke verdeling van het erfelijke
materiaal. Vervolgens worden de 23 gerecombineerde chromosoomparen gesplitst,
waarna 1 helft in het eerste poollichaampje wordt opgenomen. Na marginalisatie van dit
poollichaampje in het cytoplasma ontstaat een secundaire oocyt, waarbij het genetisch
materiaal bestaat uit de andere helft .
Ongeveer 12 uur na de eisprong, als de eicel zich in de eileider bevindt, kan er
bevruchting optreden. De bevruchting induceert de 2e meiotische kerndeling, waarbij een
2e poollichaampje gevormd wordt. Hierbij splitsen de 23 haploide chromosomen zich, net
als bij een mitotische deling, in de lengte as ter hoogte van de centromeer. Hierdoor
ontstaan er 23 chromatidenparen. Elk van de 2 dochter kernen ontvangt een gelijke