Maatschappijleer samenvatting hoofdstuk 4 pluriforme
samenleving
Paragraaf 1: Zijn we verschillend of zijn we gelijk?
● Je kent de betekenis van de titel van het hoofdstuk “pluriforme samenleving” en je kunt 5
grondrechten [namen en nummers] noemen die ons pluriforme model beschermen (=stof
buiten het boek om die in les wordt behandeld).
Pluriforme samenleving: een samenleving waarin veel verschillende opvattingen, gedragingen,
levensbeschouwingen, religies en culturen, gewoonten en gebruiken mogelijk zijn.
De 7 grondrechten:
1. Verbod op discriminatie, artikel 1
2. Vrijheid van meningsuiting, artikel 7
3. Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, artikel 6
4. Vrijheid van vergadering en betoging, artikel 9
5. Gelijke benoembaarheid (bij overheid), artikel 3
6. Recht op privacy, artikel 10
7. Openbaar en bijzonder onderwijs, artikel 23
● Je kunt aan de hand van de begrippen nature en nurture uitleggen hoe de mens wordt
gevormd.
Nature: aangeboren gedrag van een persoon.
Nurture: aangeleerd en beïnvloed door de omgeving gedrag.
Mensen worden geboren met bepaalde lichamelijke en psychische eigenschappen, maar de
omgeving heeft een belangrijke rol in hoe mensen zich ontwikkelen.
● Je kunt voorbeelden van verschillende vormen en manieren van socialisatie geven, het
socialisatieproces beschrijven en herkennen.
Socialisatie: het proces waarin een mens de waarden en normen en andere kenmerken van een
groep krijgt aangeleerd en zich eigen maakt.
1. Impliciete socialisatie: vindt onbewust en zonder dwang plaats. Een voorbeeld hiervan
is imitatie. Kinderen kijken goed naar hoe de mensen in de directe omgeving zich gedragen
en gaan dat nadoen.Ook via de media vindt impliciete socialisatie plaats. Een reclame voor
antirimpelcrème draagt bijvoorbeeld de boodschap over dat een jonge huid de norm is. Ook
groepsdruk kan deze vorm van socialisatie uitoefenen.
2. Expliciete socialisatie: vindt op een openlijke, duidelijk waarneembare en bewuste wijze
plaats. Er wordt een norm gesteld en er wordt voor gezorgd dat deze norm wordt nageleefd.
Dit gebeurt thuis door ouders (‘Je moet om twaalf uur thuis zijn, anders mag je het volgende
weekend niet uit’) en op school (‘Je zit op tijd in de klas, anders moet je je de dag erna extra
vroeg op school melden’). Ook de overheid doet aan expliciete socialisatie (bijvoorbeeld de
campagne NIX18).
Sociale controle: leden van een groep letten erop dat mensen zich aan de regels houden. Zij maken
hier gebruik van sancties (strafmaatregel).
● Je kent het verschil tussen waarden en normen en je kan hier voorbeelden van geven.
Waarden en normen: Opvattingen binnen een samenleving of groep over wat goed en juist is en
daarom moet worden nagestreefd (waarden). Opvattingen over hoe je je op grond van bepaalde
waarden behoort te gedragen (normen).
, Je kunt de relatie beschrijven tussen socialisatie en cultuur en tussen socialisatie en
identiteit.
Socialisatie en cultuur:
1. Acculturatie: Wanneer mensen zich op latere leeftijd een cultuur eigen moeten maken die
hen vreemd is, moeten zij de normen en waarden daarvan aanleren.
2. Enculturatie: Als je vanaf je geboorte in een bepaalde groep opgroeit, krijg je de waarden en
normen en andere cultuurkenmerken van die groep met de paplepel ingegoten.
Socialisatie en identiteit:
1. persoonlijke identiteit: bestaat aan de ene kant uit aangeboren kenmerken, zoals je lengte,
lichaamsbouw en je karaktereigenschappen. Aan de andere kant wordt je persoonlijke
identiteit bepaald door aangeleerde kenmerken die bij jou zijn gaan horen: de muziek
waarvan je houdt, of je vegetarisch bent, of je gelovig bent, of je zelfstandig, sociaal of
volgzaam bent, enzovoort. Je persoonlijke identiteit is het beeld dat je van jezelf hebt en
naar buiten uitdraagt.
2. sociale identiteit: ontleen je aan de groepen waarvan je deel uitmaakt en waarmee je je
verbonden voelt. Je voelt je bijvoorbeeld Nederlander, K-popfan, moslim en/of scholier.
Omdat je je vaak met meerdere groepen tegelijk verbonden voelt, heb je ook meerdere
sociale identiteiten.
Zo vormen de door socialisatie aangeleerde eigenschappen in combinatie met de aangeboren
eigenschappen ieder mens tot een unieke persoonlijkheid.
● Je kunt 4 verschillende opvoedingsstijlen en kunt beargumenteren of jij net als pedagogen
denkt dat de autoritatieve de beste is (of niet).
Vier opvoedingsstijlen:
– de autoritaire opvoeding: er worden veel strenge regels opgelegd waar het kind zich aan moet
houden en zijn de ouders duidelijk de baas. Ouders die deze stijl hanteren, vinden gehoorzaamheid
een belangrijke waarde.
Voordeel: Een kind dat zo wordt opgevoed kan volgzaam en gezagsgetrouw zijn.
Nadeel: Ontwikkelt niet per se zelfvertrouwen en zelfstandigheid. Wanneer het kind ouder wordt,
kan deze stijl voor veel strijd zorgen en kan het zich aan het gezag van de ouders onttrekken door
dingen stiekem te doen of zo min mogelijk thuis te zijn.
– de verwaarlozende opvoeding: Er worden weinig tot geen regels en grenzen gesteld en is er weinig
betrokkenheid van de ouders bij het kind. Het kind wordt aan zijn lot overgelaten en moet het zelf
maar uitzoeken.
Voordeel: Kinderen worden misschien snel zelfstandig.
Nadeel: Leren niet goed welk gedrag er wordt verwacht om te kunnen samenwerken en met anderen
te leven. Dit kan later tot problemen leiden in relaties en op het werk.
– de permissieve opvoeding: Ouders zijn erg betrokken bij het kind en toegeeflijk. Er worden weinig
eisen aan het gedrag gesteld en de kinderen krijgen vaak hun zin.
Voordeel: Dit kan zorgen voor mondige kinderen die voor zichzelf en anderen kunnen opkomen.
Nadeel: het kan er ook toe leiden dat ze later moeite hebben om te gaan met tegenslag.
– de autoritatieve opvoeding: De laatste jaren pleiten pedagogen voor een autoritatieve opvoeding.
De opvoeder stelt hierbij de kaders, maar binnen de kaders wordt er rekening gehouden met de
wensen, behoeften en ontwikkeling van het kind. Regels worden uitgelegd en onderbouwd met
argumenten. Het kind leert gaandeweg zijn eigen weg te kiezen, met conflicten om te gaan en
tegelijk rekening te houden met belangen van anderen.
● Je kent de betekenis van de begrippen, je kunt ze herkennen en toepassen.
Socialiserende instituties: ouders, school, overheid, vriendengroepen en media hebben allemaal een
rol in het socialisatie proces.
samenleving
Paragraaf 1: Zijn we verschillend of zijn we gelijk?
● Je kent de betekenis van de titel van het hoofdstuk “pluriforme samenleving” en je kunt 5
grondrechten [namen en nummers] noemen die ons pluriforme model beschermen (=stof
buiten het boek om die in les wordt behandeld).
Pluriforme samenleving: een samenleving waarin veel verschillende opvattingen, gedragingen,
levensbeschouwingen, religies en culturen, gewoonten en gebruiken mogelijk zijn.
De 7 grondrechten:
1. Verbod op discriminatie, artikel 1
2. Vrijheid van meningsuiting, artikel 7
3. Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, artikel 6
4. Vrijheid van vergadering en betoging, artikel 9
5. Gelijke benoembaarheid (bij overheid), artikel 3
6. Recht op privacy, artikel 10
7. Openbaar en bijzonder onderwijs, artikel 23
● Je kunt aan de hand van de begrippen nature en nurture uitleggen hoe de mens wordt
gevormd.
Nature: aangeboren gedrag van een persoon.
Nurture: aangeleerd en beïnvloed door de omgeving gedrag.
Mensen worden geboren met bepaalde lichamelijke en psychische eigenschappen, maar de
omgeving heeft een belangrijke rol in hoe mensen zich ontwikkelen.
● Je kunt voorbeelden van verschillende vormen en manieren van socialisatie geven, het
socialisatieproces beschrijven en herkennen.
Socialisatie: het proces waarin een mens de waarden en normen en andere kenmerken van een
groep krijgt aangeleerd en zich eigen maakt.
1. Impliciete socialisatie: vindt onbewust en zonder dwang plaats. Een voorbeeld hiervan
is imitatie. Kinderen kijken goed naar hoe de mensen in de directe omgeving zich gedragen
en gaan dat nadoen.Ook via de media vindt impliciete socialisatie plaats. Een reclame voor
antirimpelcrème draagt bijvoorbeeld de boodschap over dat een jonge huid de norm is. Ook
groepsdruk kan deze vorm van socialisatie uitoefenen.
2. Expliciete socialisatie: vindt op een openlijke, duidelijk waarneembare en bewuste wijze
plaats. Er wordt een norm gesteld en er wordt voor gezorgd dat deze norm wordt nageleefd.
Dit gebeurt thuis door ouders (‘Je moet om twaalf uur thuis zijn, anders mag je het volgende
weekend niet uit’) en op school (‘Je zit op tijd in de klas, anders moet je je de dag erna extra
vroeg op school melden’). Ook de overheid doet aan expliciete socialisatie (bijvoorbeeld de
campagne NIX18).
Sociale controle: leden van een groep letten erop dat mensen zich aan de regels houden. Zij maken
hier gebruik van sancties (strafmaatregel).
● Je kent het verschil tussen waarden en normen en je kan hier voorbeelden van geven.
Waarden en normen: Opvattingen binnen een samenleving of groep over wat goed en juist is en
daarom moet worden nagestreefd (waarden). Opvattingen over hoe je je op grond van bepaalde
waarden behoort te gedragen (normen).
, Je kunt de relatie beschrijven tussen socialisatie en cultuur en tussen socialisatie en
identiteit.
Socialisatie en cultuur:
1. Acculturatie: Wanneer mensen zich op latere leeftijd een cultuur eigen moeten maken die
hen vreemd is, moeten zij de normen en waarden daarvan aanleren.
2. Enculturatie: Als je vanaf je geboorte in een bepaalde groep opgroeit, krijg je de waarden en
normen en andere cultuurkenmerken van die groep met de paplepel ingegoten.
Socialisatie en identiteit:
1. persoonlijke identiteit: bestaat aan de ene kant uit aangeboren kenmerken, zoals je lengte,
lichaamsbouw en je karaktereigenschappen. Aan de andere kant wordt je persoonlijke
identiteit bepaald door aangeleerde kenmerken die bij jou zijn gaan horen: de muziek
waarvan je houdt, of je vegetarisch bent, of je gelovig bent, of je zelfstandig, sociaal of
volgzaam bent, enzovoort. Je persoonlijke identiteit is het beeld dat je van jezelf hebt en
naar buiten uitdraagt.
2. sociale identiteit: ontleen je aan de groepen waarvan je deel uitmaakt en waarmee je je
verbonden voelt. Je voelt je bijvoorbeeld Nederlander, K-popfan, moslim en/of scholier.
Omdat je je vaak met meerdere groepen tegelijk verbonden voelt, heb je ook meerdere
sociale identiteiten.
Zo vormen de door socialisatie aangeleerde eigenschappen in combinatie met de aangeboren
eigenschappen ieder mens tot een unieke persoonlijkheid.
● Je kunt 4 verschillende opvoedingsstijlen en kunt beargumenteren of jij net als pedagogen
denkt dat de autoritatieve de beste is (of niet).
Vier opvoedingsstijlen:
– de autoritaire opvoeding: er worden veel strenge regels opgelegd waar het kind zich aan moet
houden en zijn de ouders duidelijk de baas. Ouders die deze stijl hanteren, vinden gehoorzaamheid
een belangrijke waarde.
Voordeel: Een kind dat zo wordt opgevoed kan volgzaam en gezagsgetrouw zijn.
Nadeel: Ontwikkelt niet per se zelfvertrouwen en zelfstandigheid. Wanneer het kind ouder wordt,
kan deze stijl voor veel strijd zorgen en kan het zich aan het gezag van de ouders onttrekken door
dingen stiekem te doen of zo min mogelijk thuis te zijn.
– de verwaarlozende opvoeding: Er worden weinig tot geen regels en grenzen gesteld en is er weinig
betrokkenheid van de ouders bij het kind. Het kind wordt aan zijn lot overgelaten en moet het zelf
maar uitzoeken.
Voordeel: Kinderen worden misschien snel zelfstandig.
Nadeel: Leren niet goed welk gedrag er wordt verwacht om te kunnen samenwerken en met anderen
te leven. Dit kan later tot problemen leiden in relaties en op het werk.
– de permissieve opvoeding: Ouders zijn erg betrokken bij het kind en toegeeflijk. Er worden weinig
eisen aan het gedrag gesteld en de kinderen krijgen vaak hun zin.
Voordeel: Dit kan zorgen voor mondige kinderen die voor zichzelf en anderen kunnen opkomen.
Nadeel: het kan er ook toe leiden dat ze later moeite hebben om te gaan met tegenslag.
– de autoritatieve opvoeding: De laatste jaren pleiten pedagogen voor een autoritatieve opvoeding.
De opvoeder stelt hierbij de kaders, maar binnen de kaders wordt er rekening gehouden met de
wensen, behoeften en ontwikkeling van het kind. Regels worden uitgelegd en onderbouwd met
argumenten. Het kind leert gaandeweg zijn eigen weg te kiezen, met conflicten om te gaan en
tegelijk rekening te houden met belangen van anderen.
● Je kent de betekenis van de begrippen, je kunt ze herkennen en toepassen.
Socialiserende instituties: ouders, school, overheid, vriendengroepen en media hebben allemaal een
rol in het socialisatie proces.