1. Welke van de onderstaande uitspraken is/zijn waar?
a. Het directe instructiemodel is het meest effectieve instructiemodel
b. Bij het directe instructiemodel wordt de lesstof in hanteerbare stappen aangeboden
c. Het directe instructiemodel leidt tot meer zelfvertrouwen bij leerlingen
d. alle antwoorden zijn correct
2. Wat is niet waar over feedback?
a. Positieve feedback is effectief als het concreet gedrag benoemt wat goed was
b. Negatieve feedback kan bij leerlingen met een goed zelfbeeld effectief zijn omdat ze het
opvatten als een uitdaging
c. Bij jonge kinderen is resultaatfeedback het meest effectief, bij oudere kinderen is
procesfeedback het meest effectief
d. Het complimenteren van het resultaat i.p.v. het proces kan bij leerlingen met een laag
zelfbeeld tot faalangst leiden
3. Wat is het doel van het response to intervention model?
a. het geven van passende begeleiding aan alle leerlingen
b. ervoor zorgen dat alle leerlingen hun volledige potentieel kunnen bereiken
c. leerlingen zo veel mogelijk geïndividualiseerde instructie geven
d. risicoleerlingen vroegtijdig signaleren
4. Welke van de volgende vier factoren is niet één van de vier psychologische basisbehoeften
van de mens volgens de zelfdeterminatietheorie?
a. doelen
b. autonomie
c. competentie
d. verbondenheid
5. Stel dat je het algemene klassenklimaat wilt observeren. Welk observatie instrument is dan
het meest geschikt?
a. de CLASS
b. de interactiewijzer
c. het ABC-schema
d. de kijkwijzer
6. Wanneer de drie psychologische basisbehoeften van de zelfdeterminatie vervuld zijn, heeft
dat positieve effecten. Welke van de volgende vier is niet één van deze positieve effecten?
a. Meer motivatie
b. Betere sociale vaardigheden
c. Betere schoolprestaties
d. Sociaal-emotioneel functioneren
7. Bij welke benadering past de volgende conceptualisering van de leerling-leerkracht relatie?
‘Binnen de leerling-leerkracht relatie tonen veel leerlingen hetzelfde gedrag tegenover de
leerkracht als ze tegenover hun ouders vertonen’.
a. De gehechtheidstheorie
b. De motivationele benadering
c. De interpersoonlijke benadering
d. De gedragsmatige benadering
, 8. De gehechtheidstheorie analyseert leerling-leerkracht relaties op basis van drie dimensies:
nabijheid, conflict en afhankelijkheid. Welke vragenlijst is vanuit de gehechtheidstheorie
ontwikkeld en kun je gebruiken om de scores op deze drie dimensies van een leerling-
leerkracht relatie in kaart te brengen?
a. de Teacher as social context (TASC) vragenlijst
b. de Leerling Leerkracht Relatie Vragenlijst (LLRV)
c. de CLASS
d. de LRI
9. In welke laag van het response to intervention model heeft ieder kind z’n eigen leerdoelen?
a. Tier 1 (80% van alle leerlingen)
b. Tier 2 (15% van alle leerlingen)
c. Tier 3 (5% van alle leerlingen)
d. Tier 2 en Tier 3
10. Welke opvoedstijl hanteren ouders die heel erg responsief en warm zijn naar het kind, maar
ook erg weinig controle uitoefenen over het kind waarschijnlijk?
a. een democratische opvoedstijl
b. een autoritaire opvoedstijl
c. een verwaarlozende opvoedstijl
d. een permissieve opvoedstijl
11. Psychologische controle van de ouders is voorspellend voor internaliserende problematiek
bij de kinderen. Hier zit echter één schakel tussen. Welke van de onderstaande volgordes is
een juiste weergave van het verband tussen psychologische controle en internaliserende
problematiek?
a. Psychologische controle -> lage zelfwaardering -> gevoelens van depressiviteit
b. Psychologische controle -> meer zelfkritisch perfectionisme -> gevoelens van
depressiviteit
c. Psychologische controle -> gebrekkige emotieregulatie -> gevoelens van depressiviteit
d. Psychologische controle -> slecht executief functioneren -> gevoelens van depressiviteit
12. Hoe ontstaat psychopathologie volgens de intergenerationele benadering?
a. doordat ouders met psychiatrische stoornissen ze overgeven aan hun kinderen door
middel van genetica
b. doordat ouders het stoornis-gedrag aanleren aan hun kinderen
c. doordat de balans tussen rechten en verplichtingen, geven en nemen tussen ouder en
kind verstoord wordt.
d. doordat kinderen het gevoel krijgen dat ze niet aan de verwachtingen van hun ouders
kunnen voldoen.
13. Welke van de volgende uitspraken over ouderlijke stress is niet waar?
a. ouderlijke stress houdt meer verband met internaliserende dan externaliserende
problematiek
b. ouderlijke stress is een stabiele eigenschap over tijd
c. ouderlijke stress zorgt voor lagere sociale competentie bij kinderen
d. ouderlijke stress houdt verband met minder gunstig kinderlijk functioneren