Maatschappijleer 29.6.2020
Pluriforme Samenleving
1: Verschil en Verdraagzaamheid
Vrijheidsdrang = De behoefte om vrij te zijn.
Ordening = Groeperen volgens bepaalde kenmerken.
Pluriforme samenleving = Een land waarin mensen van verschillende sociale klassen,
godsdiensten en levensstijlen samenleven.
Communicatiemiddelen = Dat waardoor de communicatie plaatsvindt.
Tijdsrekening = Een tele-systeem om te kunnen werken met het verschijnsel van de
gedurende opeenvolging van gebeurtenissen.
Republiek der Verenigde Provinciën = Het huidige Nederland.
Morele geografie = Het dicht op elkaar leven van mensen op een klein grondgebied heeft
een grote invloed op de manier waarop mensen met elkaar omgaan.
Pragmatische keuze = Het profijt weegt zwaarder dan de principes van het geloof.
Pragmatische tolerantie = Het profijt zwaarder laten wegen dan de principes van het geloof.
Tolerantie = Bereidheid om dingen te verdragen die ergernis kunnen oproepen.
Gedogen = Iets wat bij de wet verboden is maar in de praktijk toestaan.
Vrijheid van geweten = De vrijheid om er bepaalde denkbeelden op na te houden.
Openheid = Niet achter gesloten deuren.
Principiële kant = Volgens een overtuiging of principe.
Dissident = Iemand met een andere mening dan anderen in een groep.
Poldermodel = Besturen en besluiten nemen door middel van overleg.
Pacificatiedemocratie = Staatsvorm waarbij de leiders ondanks hun meningsverschillen de
bereidheid vertonen om samen te werken.
Matiging = Afzwakking.
Conformisme = Het verlangen om zich aan te passen aan de opvattingen en gedragingen van
de meerderheid in de samenleving.
Politieke conflict = Conflicten tussen politici en de burgers.
Sociale conflict = Interculturele conflicten.
Globalisering = Proces waarbij landen op economisch, cultureel, sociaal en politiek gebied
met elkaar verbonden worden.
, Maatschappijleer 29.6.2020
Polarisatie = Het veroorzaken van een conflict of het versterken van tegenstellingen tussen
partijen of bevolkingsgroepen.
Sociale cohesie = Het vertrouwen van burgers in elkaar en in de overheid.
2: Cultuur en Identiteit
Cultuur = Alle waarden, normen en andere aangeleerde kenmerken die de leden van een
groep of samenleving met elkaar gemeen hebben en als vanzelfsprekend beschouwen.
Cultuurverandering = Het veranderen van de cultuur.
Gemeenschappelijk referentiekader = Als mensen dezelfde normen, waarden en
gewoonten hebben.
Gedrag regulerend = Alles wat het gedrag van mensen geordend en voorspelbaar doet
verlopen.
Dominante cultuur = Het geheel van waarden, normen en kenmerken dat door de meeste
mensen binnen een samenleving wordt geaccepteerd.
Subcultuur = Een specifieke groep die eigen waarden, normen en andere kenmerken
ontwikkelt die afwijken van de dominante cultuur.
Tegenculturen = Groepen die zich verzetten tegen (delen van) de dominante cultuur of daar
zelfs een bedreiging voor vormen.
Socialisatie = Het proces waarbij iemand bewust en onbewust de waarden, normen en
andere cultuurkenmerken van zijn groep krijgt aangeleerd.
Imitatie = Nadoen van het gedrag van mensen waar je een sterke binding mee hebt.
Socialiserende instituties = Instellingen, organisaties en overige collectieve gedragspatronen
waarmee de cultuuroverdracht in een samenleving plaatsvindt.
Formele sociale controle = De manier waarop mensen anderen stimuleren of dwingen zich
aan de geldende normen te houden gebaseerd op geschreven regels.
Informele sociale controle = De manier waarop mensen anderen stimuleren of dwingen zich
aan de geldende normen te houden gebaseerd op beleefdheidsvormen en andere
ongeschreven regels.
Sancties = Straffen of beloningen om te zorgen dat men zich gedraagt naar de geldende
normen.
Groepsidentificatie = Het proces dat door socialisatie mensen zich verwant voelen met de
dominante cultuur en met de cultuur van kleinere groepen.
Pluriforme Samenleving
1: Verschil en Verdraagzaamheid
Vrijheidsdrang = De behoefte om vrij te zijn.
Ordening = Groeperen volgens bepaalde kenmerken.
Pluriforme samenleving = Een land waarin mensen van verschillende sociale klassen,
godsdiensten en levensstijlen samenleven.
Communicatiemiddelen = Dat waardoor de communicatie plaatsvindt.
Tijdsrekening = Een tele-systeem om te kunnen werken met het verschijnsel van de
gedurende opeenvolging van gebeurtenissen.
Republiek der Verenigde Provinciën = Het huidige Nederland.
Morele geografie = Het dicht op elkaar leven van mensen op een klein grondgebied heeft
een grote invloed op de manier waarop mensen met elkaar omgaan.
Pragmatische keuze = Het profijt weegt zwaarder dan de principes van het geloof.
Pragmatische tolerantie = Het profijt zwaarder laten wegen dan de principes van het geloof.
Tolerantie = Bereidheid om dingen te verdragen die ergernis kunnen oproepen.
Gedogen = Iets wat bij de wet verboden is maar in de praktijk toestaan.
Vrijheid van geweten = De vrijheid om er bepaalde denkbeelden op na te houden.
Openheid = Niet achter gesloten deuren.
Principiële kant = Volgens een overtuiging of principe.
Dissident = Iemand met een andere mening dan anderen in een groep.
Poldermodel = Besturen en besluiten nemen door middel van overleg.
Pacificatiedemocratie = Staatsvorm waarbij de leiders ondanks hun meningsverschillen de
bereidheid vertonen om samen te werken.
Matiging = Afzwakking.
Conformisme = Het verlangen om zich aan te passen aan de opvattingen en gedragingen van
de meerderheid in de samenleving.
Politieke conflict = Conflicten tussen politici en de burgers.
Sociale conflict = Interculturele conflicten.
Globalisering = Proces waarbij landen op economisch, cultureel, sociaal en politiek gebied
met elkaar verbonden worden.
, Maatschappijleer 29.6.2020
Polarisatie = Het veroorzaken van een conflict of het versterken van tegenstellingen tussen
partijen of bevolkingsgroepen.
Sociale cohesie = Het vertrouwen van burgers in elkaar en in de overheid.
2: Cultuur en Identiteit
Cultuur = Alle waarden, normen en andere aangeleerde kenmerken die de leden van een
groep of samenleving met elkaar gemeen hebben en als vanzelfsprekend beschouwen.
Cultuurverandering = Het veranderen van de cultuur.
Gemeenschappelijk referentiekader = Als mensen dezelfde normen, waarden en
gewoonten hebben.
Gedrag regulerend = Alles wat het gedrag van mensen geordend en voorspelbaar doet
verlopen.
Dominante cultuur = Het geheel van waarden, normen en kenmerken dat door de meeste
mensen binnen een samenleving wordt geaccepteerd.
Subcultuur = Een specifieke groep die eigen waarden, normen en andere kenmerken
ontwikkelt die afwijken van de dominante cultuur.
Tegenculturen = Groepen die zich verzetten tegen (delen van) de dominante cultuur of daar
zelfs een bedreiging voor vormen.
Socialisatie = Het proces waarbij iemand bewust en onbewust de waarden, normen en
andere cultuurkenmerken van zijn groep krijgt aangeleerd.
Imitatie = Nadoen van het gedrag van mensen waar je een sterke binding mee hebt.
Socialiserende instituties = Instellingen, organisaties en overige collectieve gedragspatronen
waarmee de cultuuroverdracht in een samenleving plaatsvindt.
Formele sociale controle = De manier waarop mensen anderen stimuleren of dwingen zich
aan de geldende normen te houden gebaseerd op geschreven regels.
Informele sociale controle = De manier waarop mensen anderen stimuleren of dwingen zich
aan de geldende normen te houden gebaseerd op beleefdheidsvormen en andere
ongeschreven regels.
Sancties = Straffen of beloningen om te zorgen dat men zich gedraagt naar de geldende
normen.
Groepsidentificatie = Het proces dat door socialisatie mensen zich verwant voelen met de
dominante cultuur en met de cultuur van kleinere groepen.