4.2
Water in de waterkringloop is altijd in beweging. In de korte kringloop
verdampt het water en valt het meteen als neerslag naar beneden.
In de lange kringloop kan sneeuw op een ijskap op het vaste land terechtkomen.
We hebben veel water op aarde, maar wij moeten zoet water hebben. Daarom is
slechts 1% bereikbaar voor ons.
Oppervlaktewater is water dat je kunt zien, grondwater zit in de bodem en is
in gesteenten gestrokken. Al het ijs zit in landijs of gletsjers.
Niet overal is zoet water binnen handbereik:
- Sommige gebieden zijn te droog
- In sommige gebieden komt het als de natuur in winterslaap is. De akkers
liggen dan braak omdat de temperaturen dan te laag zijn. Dan stroomt
water ongebruikt terug naar zee.
4.3
Hoeveel water er een gebied inkomt en uitkomt, kun je zien in de waterbalans.
Een gebied kan op 4 manieren aan water komen:
- Neerslag. In warme gebieden is het verschil tussen neerslag en
verdamping vaak heel klein (nuttige neerslag.) De bodem met bebossing
werkt als een soort spons: in natte tijden wordt hier water opgeslagen en
in droge tijden weer afgegeven.
- Door de aanvoer van water uit andere gebieden. Dit kan via rivieren,
beken of grondwater gaan.
- Door de aanvoer van fossielwater. Veel gebieden beschikken over een
aquifer, een waterhoudende laag onder de grond waar water uitgepompt
kan worden.
- De aanvoer van virtueel water. Dit water zit in producten die je
importeert.
Vernieuwbaar water is het waterdat in het tempo wordt aangevuld waarin het
verbruikt wordt. Bij het inzetten van fossielwater in woestijnen is er sprake van
niet-vernieuwbaar water.
Als je alleen je vernieuwbare voorraad gebruikt doe je aan duurzaam
waterbeheer.