Macronutrienten: Energie uit voeding en koolhydraten
H1
Je hebt zes klassen nutriënten:
- koolhydraten.
- Eiwitten.
- Vetten (lipiden).
- Vitaminen.
- Mineralen.
- Water.
Elk mineraal is een scheikundig element. Water bestaat maar uit twee elementen. Mineralen en
water zijn inorganisch, wat betekent dat ze geen koolstof bevatten. De andere vier nutriënten
bevatten wel koolstof en zijn dus organisch. Eiwitten, koolhydraten en vetten zorgen voor energie en
hier hebben we veel van nodig dus heten macronutriënten. Van calorie naar joule is x 4.2.
Koolhydraten en eiwitten bevatten 4 kcal per gram en vetten 9 kcal per gram. De energiedichtheid
van vet is dus het hoogst. Alcohol is geen nutriënt maar levert wel energie, ook 7kcal per gram.
Energie wordt gemaakt door het verbreken van de verbindingen. De energie nutriënten worden ook
gebruikt voor de opbouw van weefsels en spieren, vooral eiwit.
Vitamines helpen met het verkrijgen van energie uit andere nutriënten en bij veel andere processen.
Mineralen zitten in sommige structuren zoals tanden, en zit ook in lichaamsvocht. Water vormt de
omgeving en de af en aanvoer van stoffen.
H4 koolhydraten
De helft van de energie haalt je lichaam uit de koolhydraten glucose en glycogeen. Koolhydraten kan
je onderverdelen in monosacchariden (C6H12O6), disacchariden en polysacchariden. Voorbeelden
van mono is;
- glucose. Belangrijkst in lichaam.
- fructose. Het zoetst, bv in honing.
- galactose.
Voorbeelden van di is;
- maltose (gl gl).
- sucrose (gl fr).
- lactose (gl ga).
Ze worden in elkaar gezet met een condensatiereactie waarbij water vrijkomt en uit elkaar gehaald
door een hydrolyse reactie waarbij water nodig is. Sucrose zit in fruit en lactose in melk. Drie typen
polysaccharides zijn belangrijk;
- glycogeen. Omgezet glucose in de lever voor opslag.
- zetmeel. Planten slaan glucose op als zetmeel.
- vezels. Ook in planten, verschilt met zetmeel in dat de bindingen niet gebroken kunnen worden in
het lichaam. Je hebt wateroplosbare vezels die door bacteriën in de darmen worden verteerd, helpt
bij het verlagen van cholesterol en glucose levels. Niet oplosbare vezels helpen bij de darmbeweging.
Een functional fiber is als hij wordt toegevoegd aan voeding.
Naast het leveren van energie kan glucose ook binden aan vet of eiwitten en hierdoor hun structuur
veranderen. Glucose wordt door de lever omgezet in glycogeen en als het nodig is weer afgebroken
tot glucose. In de cel kan glucose afgebroken worden tot CO2 en water en zo energie leveren. Als er
echt geen glucose over is kan er glucose gemaakt worden uit eiwit, dit heet gluconeogenese. Uit vet
kan geen glucose gemaakt worden. Als er uit vet energie moet worden gemaakt vormen ze keton
lichamen door vetfragmenten aan elkaar te maken. Teveel ketonen in het bloed kan schadelijk zijn.
Bij teveel glucose kan de lever hier vet van maken.
,Er zijn drie soorten alternatieve zoetstoffen:
1. Artificiële, leveren geen energie.
2. Plantaardige zoals stevia.
3. Suiker alcoholen, bevatten iets minder calorieën dan normale suikers. Deze zitten in fruit en
groenten.
Een dieet met hele granen en oplosbare vezels kan helpen tegen HVZ. Dit komt doordat de vezels
binden aan bile zuur, waardoor de lever cholesterol gebruikt om nieuw bile zuur te maken en zo
wordt het cholesterol gehalte verlaagd.
Vezels kunnen ook diabetes type II voorkomen door de opname van glucose te verlangzamen. Kan
ook helpen tegen darmkanker. Teveel vezels kan zorgen voor te snelle stoelgang waardoor mineralen
niet meer worden opgenomen of constipatie. Per dag ongeveer 250 gram aan koolhydraten ten. In
de gemiddelde groente of fruitstuk zit 15 gram. Ong 50% van je calorieën moet uit koolhydraten
komen.
Macronutriënten: eiwitten
Eiwit bestaat uit C H O en N (aminozuur). Alle aminozuren bestaan uit een C met een H, een
aminogroep NH2, een zuurgroep COOH en de restgroep. Essentiële aminozuren zijn aminozuren die
het lichaam niet zelf kan maken en je via je voeding binnen moet krijgen. Conditioneel essentieel is
wanneer er door een fout in het lichaam of door voeding een normaal aminozuur toch essentieel
wordt. Met een peptide binding worden de aminozuren aan elkaar geschakeld om zo een eiwit te
maken. Twee aminozuren aan elkaar zijn een dipeptide. Primaire structuur is gewoon aminozuur
volgorde, secundaire structuur is een helix of een sheet door elektrische interacties. Door de
kenmerken van de zijgroepen nemen ze complexe vormen aan. Quaternair is meerdere polypeptiden
bij elkaar. Eiwitten denatureren door hitte of zuur en dit is irreversibel.
Het verteren van eiwitten begint in de maag, hier wordt met hydrolyse het eiwit afgebroken tot
polypeptiden. Hydrochloor zuur denatureert de eiwitten en activeert pepsine, pepsine klieft eiwitten.
In de dunne darm breekt peptidase het af tot aminozuren en zo wordt het opgenomen door speciale
transporteiwitten. DNA mRNA eiwit. Rollen van eiwit:
- Bouwmateriaal voor groei en onderhoud.
- Als enzymen. Katalyseren reacties van zowel opbouw of abraak.
- Als hormonen.
- Als regulatoren van de vloeistofbalans. Eiwitten kan in bepaalde omstandigheden in het weefsel
lekken en hier water aantrekken, dit geeft een zwelling (edema).
- Als zuur-base regulatoren. Dit doen ze door het accepteren en loslaten van waterstof ionen.
- Als transporters. Ze kunnen nutriënten of andere moleculen dragen.
- Als antilichamen.
- Als bron voor energie en glucose.
Eiwitten worden continu opgebouwd en afgebroken met onderdelen uit de aminozuur pool. Normaal
is de stikstof balans nul (evenveel eten als uitscheiden) maar in groei is deze positief (meer eten dan
uitscheiden) en bij eiwit afbraak is deze negatief. Aminozuren kunnen ook voor andere dingen
gebruikt worden zoals neurotransmitter, of om energie en glucose te maken. Verder kunnen
aminozuren ook tot vet omgezet worden. Bij dit omzetten worden ze eerst door deaminatie tot
ammonia en keto zuur gemaakt. Door transaminatie kunnen niet essentiële aminozuren worden
opgebouwd in het lichaam. De ammonia wordt tot ureum gemaakt door de lever en dan
uitgescheiden. Door de nieren wordt het uit het bloed gefilterd. Als je veel eiwit eet moet je dus veel
water drinken om de ureum uit te kunnen scheiden.
Eiwitten van hoge kwaliteit leveren alle essentiële aminozuren en van lage kwaliteit doen dit niet. De
kwaliteit wordt bepaald door hoe goed het verteerd kan worden en de aminozuur samenstelling. Om
, eiwit afbraak te voorkomen moet je alle essentiële aminozuren binnenkrijgen via voeding. Een
limiterend aminozuur is een essentieel aminozuur dat je minder binnenkrijgt dan dat je nodig hebt
waardoor sommige eiwitten niet kunnen worden gemaakt. Referentie eiwit is de kwaliteit van een
voedseleiwit dat hoog genoeg is voor een jong kind, dan is het voor iedereen voldoende.
Dierlijke eiwitten zijn vaak van hoge kwaliteit en plantaardige niet. Complementaire eiwitten leveren
in combinatie met elkaar alle aminozuren die je nodig hebt.
Kinderen die te licht (wasting) zijn kunnen acute Protein-Energy Malnutrition hebben en kinderen die
te kort zijn (stunting) voor hun leeftijd chronische PEM. PEM komt vaak voor bij alcoholisten, oude
mensen en jonge kinderen. Twee vormen van PEM; marasmus is chronische PEM waarbij men te
weinig eiwit en energie binnenkrijgt en je ziet er dan dun uit. Kwashiorkor is acute PEM waarbij men
te weinig eiwit binnenkrijgt en wat leidt tot oedeem. Bij PEM worden antilichamen en hemoglobine
gebruikt om aminozuren te verkrijgen voor andere dingen wat leidt tot infecties.
Teveel eiwit kan leiden tot hart ziektes, osteoporose, nierziekten en gewichtscontrole. 10 tot 35 %
van je energie moet je uit eiwitten halen (200 tot 700 kcal, 50 tot 175 gram). RDA is 0,8 gram eiwit
per kilogram gewicht. Supplementen is bijna nooit nodig en kan zelfs gevaar opleveren door
competitie.
Macronutriënten: vetten
Drie soorten lipiden; triglyceriden, fosfolipiden en sterolen. Bestaat uit C H en O. Een triglyceride
bestaat uit 1 molecuul glycerol met 3 vetzuren. De vetzuren zijn 4 tot 24 C’s lang. Belangrijkst is
omega 3/6, een poly onverzadigd vet met hun eerste punt van onverzadiging naast het 3e of 6e
koolstofatoom. Vetzuren met 18 Cs komen het meest voor in ons voedsel. Een vetzuur bestaat uit
een methylgroep (CH3) en een zuurgroep COOH met hiertussen een koolstofketen. Lange ketens van
12 tot 24 komen het meest voor in bv vlees vis en olie. Verzadigd vet heeft geen dubbele bindingen,
onverzadigd wel. Linoleenzuur is poly onverzadigd. De drie vetzuren binden met een condensatie
reactie aan glycerol. Verzadigde vetten zijn vaak vast bij kamertemperatuur en onverzadigd
vloeibaar. Ook hoe kleiner de koolstofketen des te zachter is het vet op kamertemperatuur.
Verzadigde vetten bederven minder snel door oxidatie dan onverzadigd. Om bederven tegen te gaan
kan je het luchtdicht afsluiten, antioxidanten toevoegen om met zuurstof te reageren of
hydrogenatie. Met hydrogenatie voeg je H toe om een vet meer verzadigd te maken. Een cis-vetzuur
heeft de H’s naast een dubbele binding aan dezelfde kant zitten en trans aan verschillende kanten.
Meeste in natuur zijn cis maar door hydrogenatie kan trans ontstaan. Fosfolipiden bestaan uit
glycerol met twee vetzuren en 1 fosfaatgroep. Lecithine is de belangrijkste. Door fosfaatgroep
kunnen ze oplossen in water en door vetzuren in et. Fosfolipiden zitten in celmembraan. Sterolen
hebben een ringstructuur, de belangrijkste is cholesterol. Vooral dierlijke producten bevatten
cholesterol. Sterolen die in planten voorkomen verhelpen de opname van cholesterol en zorgen zo
voor een verlaging van het cholesterolgehalte in het bloed. Bile zuur, een aantal hormonen en
vitamine D zijn sterolen. Cholesterol in het bloed kan leiden tot plaques.
De rol van triglyceriden is hoofdzakelijk energie leveren, en daarnaast als stootkussen en behouden
van warmte en zorgen dat het lichaam eiwit en koolhydraten efficiënt gebruikt en endocrien.
Er zijn maar twee essentiële vetzuren, linolzuur (18 omega 6) en linoleenzuur (18 omega 3). Deze
kunnen in het lichaam tot EPA en nogwat die weer eicosanoïden maken (hormonen), die bloeddruk
en immuunsysteem helpen regelen.
Onder lipiden valt ook vetoplosbare vitamines, vitamine A (carotenoïden), vitamine E (tocoferol),
vitamine K en D. Vet wordt opgeslagen door adipocyten, de vetzuren hierin zijn meer verzadigd dan
in fosfolipiden celmembraan.
H1
Je hebt zes klassen nutriënten:
- koolhydraten.
- Eiwitten.
- Vetten (lipiden).
- Vitaminen.
- Mineralen.
- Water.
Elk mineraal is een scheikundig element. Water bestaat maar uit twee elementen. Mineralen en
water zijn inorganisch, wat betekent dat ze geen koolstof bevatten. De andere vier nutriënten
bevatten wel koolstof en zijn dus organisch. Eiwitten, koolhydraten en vetten zorgen voor energie en
hier hebben we veel van nodig dus heten macronutriënten. Van calorie naar joule is x 4.2.
Koolhydraten en eiwitten bevatten 4 kcal per gram en vetten 9 kcal per gram. De energiedichtheid
van vet is dus het hoogst. Alcohol is geen nutriënt maar levert wel energie, ook 7kcal per gram.
Energie wordt gemaakt door het verbreken van de verbindingen. De energie nutriënten worden ook
gebruikt voor de opbouw van weefsels en spieren, vooral eiwit.
Vitamines helpen met het verkrijgen van energie uit andere nutriënten en bij veel andere processen.
Mineralen zitten in sommige structuren zoals tanden, en zit ook in lichaamsvocht. Water vormt de
omgeving en de af en aanvoer van stoffen.
H4 koolhydraten
De helft van de energie haalt je lichaam uit de koolhydraten glucose en glycogeen. Koolhydraten kan
je onderverdelen in monosacchariden (C6H12O6), disacchariden en polysacchariden. Voorbeelden
van mono is;
- glucose. Belangrijkst in lichaam.
- fructose. Het zoetst, bv in honing.
- galactose.
Voorbeelden van di is;
- maltose (gl gl).
- sucrose (gl fr).
- lactose (gl ga).
Ze worden in elkaar gezet met een condensatiereactie waarbij water vrijkomt en uit elkaar gehaald
door een hydrolyse reactie waarbij water nodig is. Sucrose zit in fruit en lactose in melk. Drie typen
polysaccharides zijn belangrijk;
- glycogeen. Omgezet glucose in de lever voor opslag.
- zetmeel. Planten slaan glucose op als zetmeel.
- vezels. Ook in planten, verschilt met zetmeel in dat de bindingen niet gebroken kunnen worden in
het lichaam. Je hebt wateroplosbare vezels die door bacteriën in de darmen worden verteerd, helpt
bij het verlagen van cholesterol en glucose levels. Niet oplosbare vezels helpen bij de darmbeweging.
Een functional fiber is als hij wordt toegevoegd aan voeding.
Naast het leveren van energie kan glucose ook binden aan vet of eiwitten en hierdoor hun structuur
veranderen. Glucose wordt door de lever omgezet in glycogeen en als het nodig is weer afgebroken
tot glucose. In de cel kan glucose afgebroken worden tot CO2 en water en zo energie leveren. Als er
echt geen glucose over is kan er glucose gemaakt worden uit eiwit, dit heet gluconeogenese. Uit vet
kan geen glucose gemaakt worden. Als er uit vet energie moet worden gemaakt vormen ze keton
lichamen door vetfragmenten aan elkaar te maken. Teveel ketonen in het bloed kan schadelijk zijn.
Bij teveel glucose kan de lever hier vet van maken.
,Er zijn drie soorten alternatieve zoetstoffen:
1. Artificiële, leveren geen energie.
2. Plantaardige zoals stevia.
3. Suiker alcoholen, bevatten iets minder calorieën dan normale suikers. Deze zitten in fruit en
groenten.
Een dieet met hele granen en oplosbare vezels kan helpen tegen HVZ. Dit komt doordat de vezels
binden aan bile zuur, waardoor de lever cholesterol gebruikt om nieuw bile zuur te maken en zo
wordt het cholesterol gehalte verlaagd.
Vezels kunnen ook diabetes type II voorkomen door de opname van glucose te verlangzamen. Kan
ook helpen tegen darmkanker. Teveel vezels kan zorgen voor te snelle stoelgang waardoor mineralen
niet meer worden opgenomen of constipatie. Per dag ongeveer 250 gram aan koolhydraten ten. In
de gemiddelde groente of fruitstuk zit 15 gram. Ong 50% van je calorieën moet uit koolhydraten
komen.
Macronutriënten: eiwitten
Eiwit bestaat uit C H O en N (aminozuur). Alle aminozuren bestaan uit een C met een H, een
aminogroep NH2, een zuurgroep COOH en de restgroep. Essentiële aminozuren zijn aminozuren die
het lichaam niet zelf kan maken en je via je voeding binnen moet krijgen. Conditioneel essentieel is
wanneer er door een fout in het lichaam of door voeding een normaal aminozuur toch essentieel
wordt. Met een peptide binding worden de aminozuren aan elkaar geschakeld om zo een eiwit te
maken. Twee aminozuren aan elkaar zijn een dipeptide. Primaire structuur is gewoon aminozuur
volgorde, secundaire structuur is een helix of een sheet door elektrische interacties. Door de
kenmerken van de zijgroepen nemen ze complexe vormen aan. Quaternair is meerdere polypeptiden
bij elkaar. Eiwitten denatureren door hitte of zuur en dit is irreversibel.
Het verteren van eiwitten begint in de maag, hier wordt met hydrolyse het eiwit afgebroken tot
polypeptiden. Hydrochloor zuur denatureert de eiwitten en activeert pepsine, pepsine klieft eiwitten.
In de dunne darm breekt peptidase het af tot aminozuren en zo wordt het opgenomen door speciale
transporteiwitten. DNA mRNA eiwit. Rollen van eiwit:
- Bouwmateriaal voor groei en onderhoud.
- Als enzymen. Katalyseren reacties van zowel opbouw of abraak.
- Als hormonen.
- Als regulatoren van de vloeistofbalans. Eiwitten kan in bepaalde omstandigheden in het weefsel
lekken en hier water aantrekken, dit geeft een zwelling (edema).
- Als zuur-base regulatoren. Dit doen ze door het accepteren en loslaten van waterstof ionen.
- Als transporters. Ze kunnen nutriënten of andere moleculen dragen.
- Als antilichamen.
- Als bron voor energie en glucose.
Eiwitten worden continu opgebouwd en afgebroken met onderdelen uit de aminozuur pool. Normaal
is de stikstof balans nul (evenveel eten als uitscheiden) maar in groei is deze positief (meer eten dan
uitscheiden) en bij eiwit afbraak is deze negatief. Aminozuren kunnen ook voor andere dingen
gebruikt worden zoals neurotransmitter, of om energie en glucose te maken. Verder kunnen
aminozuren ook tot vet omgezet worden. Bij dit omzetten worden ze eerst door deaminatie tot
ammonia en keto zuur gemaakt. Door transaminatie kunnen niet essentiële aminozuren worden
opgebouwd in het lichaam. De ammonia wordt tot ureum gemaakt door de lever en dan
uitgescheiden. Door de nieren wordt het uit het bloed gefilterd. Als je veel eiwit eet moet je dus veel
water drinken om de ureum uit te kunnen scheiden.
Eiwitten van hoge kwaliteit leveren alle essentiële aminozuren en van lage kwaliteit doen dit niet. De
kwaliteit wordt bepaald door hoe goed het verteerd kan worden en de aminozuur samenstelling. Om
, eiwit afbraak te voorkomen moet je alle essentiële aminozuren binnenkrijgen via voeding. Een
limiterend aminozuur is een essentieel aminozuur dat je minder binnenkrijgt dan dat je nodig hebt
waardoor sommige eiwitten niet kunnen worden gemaakt. Referentie eiwit is de kwaliteit van een
voedseleiwit dat hoog genoeg is voor een jong kind, dan is het voor iedereen voldoende.
Dierlijke eiwitten zijn vaak van hoge kwaliteit en plantaardige niet. Complementaire eiwitten leveren
in combinatie met elkaar alle aminozuren die je nodig hebt.
Kinderen die te licht (wasting) zijn kunnen acute Protein-Energy Malnutrition hebben en kinderen die
te kort zijn (stunting) voor hun leeftijd chronische PEM. PEM komt vaak voor bij alcoholisten, oude
mensen en jonge kinderen. Twee vormen van PEM; marasmus is chronische PEM waarbij men te
weinig eiwit en energie binnenkrijgt en je ziet er dan dun uit. Kwashiorkor is acute PEM waarbij men
te weinig eiwit binnenkrijgt en wat leidt tot oedeem. Bij PEM worden antilichamen en hemoglobine
gebruikt om aminozuren te verkrijgen voor andere dingen wat leidt tot infecties.
Teveel eiwit kan leiden tot hart ziektes, osteoporose, nierziekten en gewichtscontrole. 10 tot 35 %
van je energie moet je uit eiwitten halen (200 tot 700 kcal, 50 tot 175 gram). RDA is 0,8 gram eiwit
per kilogram gewicht. Supplementen is bijna nooit nodig en kan zelfs gevaar opleveren door
competitie.
Macronutriënten: vetten
Drie soorten lipiden; triglyceriden, fosfolipiden en sterolen. Bestaat uit C H en O. Een triglyceride
bestaat uit 1 molecuul glycerol met 3 vetzuren. De vetzuren zijn 4 tot 24 C’s lang. Belangrijkst is
omega 3/6, een poly onverzadigd vet met hun eerste punt van onverzadiging naast het 3e of 6e
koolstofatoom. Vetzuren met 18 Cs komen het meest voor in ons voedsel. Een vetzuur bestaat uit
een methylgroep (CH3) en een zuurgroep COOH met hiertussen een koolstofketen. Lange ketens van
12 tot 24 komen het meest voor in bv vlees vis en olie. Verzadigd vet heeft geen dubbele bindingen,
onverzadigd wel. Linoleenzuur is poly onverzadigd. De drie vetzuren binden met een condensatie
reactie aan glycerol. Verzadigde vetten zijn vaak vast bij kamertemperatuur en onverzadigd
vloeibaar. Ook hoe kleiner de koolstofketen des te zachter is het vet op kamertemperatuur.
Verzadigde vetten bederven minder snel door oxidatie dan onverzadigd. Om bederven tegen te gaan
kan je het luchtdicht afsluiten, antioxidanten toevoegen om met zuurstof te reageren of
hydrogenatie. Met hydrogenatie voeg je H toe om een vet meer verzadigd te maken. Een cis-vetzuur
heeft de H’s naast een dubbele binding aan dezelfde kant zitten en trans aan verschillende kanten.
Meeste in natuur zijn cis maar door hydrogenatie kan trans ontstaan. Fosfolipiden bestaan uit
glycerol met twee vetzuren en 1 fosfaatgroep. Lecithine is de belangrijkste. Door fosfaatgroep
kunnen ze oplossen in water en door vetzuren in et. Fosfolipiden zitten in celmembraan. Sterolen
hebben een ringstructuur, de belangrijkste is cholesterol. Vooral dierlijke producten bevatten
cholesterol. Sterolen die in planten voorkomen verhelpen de opname van cholesterol en zorgen zo
voor een verlaging van het cholesterolgehalte in het bloed. Bile zuur, een aantal hormonen en
vitamine D zijn sterolen. Cholesterol in het bloed kan leiden tot plaques.
De rol van triglyceriden is hoofdzakelijk energie leveren, en daarnaast als stootkussen en behouden
van warmte en zorgen dat het lichaam eiwit en koolhydraten efficiënt gebruikt en endocrien.
Er zijn maar twee essentiële vetzuren, linolzuur (18 omega 6) en linoleenzuur (18 omega 3). Deze
kunnen in het lichaam tot EPA en nogwat die weer eicosanoïden maken (hormonen), die bloeddruk
en immuunsysteem helpen regelen.
Onder lipiden valt ook vetoplosbare vitamines, vitamine A (carotenoïden), vitamine E (tocoferol),
vitamine K en D. Vet wordt opgeslagen door adipocyten, de vetzuren hierin zijn meer verzadigd dan
in fosfolipiden celmembraan.