Scheikunde
Hoofdstuk 1 t/m 6
Hoofdstuk 1
Paragraaf 1.1
Natuurlijke materialen -> materialen van natuurlijke herkomst
Materiaal -> natuurlijke of kunstmatig geproduceerde stof die bestemd is om verwerkt te
worden tot bruikbare producten, bijvoorbeeld hout, staal, glas en beton.
Textiel -> bijna alle kleding wordt ervan gemaakt. Alle materialen waarbij van garens een
doek is gemaakt, bijvoorbeeld door weven of breien. Bekende textielsoorten zijn katoen,
linnen en wol.
Synthetische materialen -> materialen die door mensen worden gemaakt, moeten worden
bewerkt om er producten van te kunnen maken
Kunststoffen -> synthetisch materiaal, gemaakt uit aardolie
Additieven -> hulpstoffen die in materialen zitten, kleurstoffen zijn veelgebruikte additieven
Weekmakers -> additieven die aan kunststoffen worden toegevoegd om ze zachter,
flexibeler en minder breekbaar te maken
Materiaaleigenschappen ->
Composieten -> combinatie van materialen
Duurzaam geproduceerde materialen -> materialen waarvan de productie geen negatieve
invloed heeft op onze leefomgeving, zowel nu als in de toekomst. Staat tegenwoordig volop
in de belangstelling
Zelfherstellende materialen -> kan zichzelf repareren na een geringe beschadiging, zoals een
scheur of een kras. Er komen geen mensenhanden of machines aan te pas
Paragraaf 1.2
Stoffen
Van materiaal naar stof
- Kookpunt, dichtheid en brandbaarheid
- Zuivere stoffen of mengsels
- De verhouding van een mengsel is belangrijk
- Legering(mengsel van metalen)
Legering -> een mengsel van samengesmolten metalen, wordt vaak toegepast om de
hardheid van metalen te verbeteren
Zuivere stof -> bestaat uit één soort stof met één set stofeigenschappen
Mengsel -> combinatie van twee of meer stoffen
Oplossing -> vloeibaar homogeen mengsel
Oplosmiddel -> stof waarin andere materialen opgelost kunnen worden
Opgeloste stof -> lost op in een oplosmiddel om een oplossing te vormen
Homogeen mengsel -> een mengsel waarbij je de bestandsdelen niet van elkaar kan
onderscheiden
Heterogeen mengsel -> een mengsel waarbij je de bestandsdelen wel van elkaar kan
onderscheiden
Paragraaf 1.3
Scheidingsmethoden -> een manier waarop je stoffen kunt scheiden
,Filtreren:
- Deeltjes grootte
- Bij grote deeltjes -> zeven(grove manier van filtreren)
- Een suspensie gaat door een filter heen, er blijven deeltjes die groter zijn dan
filtergaatjes achter(residu)
- De deeltjes die kleiner zijn dan de filtergaatjes gaan er doorheen en worden
opgevangen(filtraat)
- Nadeel -> duurt lang / veel verlies vaste stof
Bezinken en afschenken
- Kun je toepassen bij een suspensie of een emulsie
- Door de zwaartekracht zakt de stof met de grootste dichtheid langzaam naar beneden
- Daarna kun je de stof met de minst grote dichtheid afschenken
Centrifugeren
- Versneld bezinken
- Toegepast -> bij suspensie en emulsies
- Snel draaiende beweging waarbij de stof met de grootste dichtheid naar buiten wordt
geslingerd
- Wordt vaak gecombineerd met filtratie
- Nadeel -> neerslag kan vast blijven zitten / nog steeds afgieten
Indampen
- Scheiden van:
o Opgeloste stof
o Oplosmiddel
- Je verhit een oplossing waarin een vaste stof is opgelost
- Berust op het verschil in kookpunt
- Nadeel -> kwijt raken oplosmiddel / hoge energieverbruik
Destilleren
- Scheiden van:
o Verschillende vloeistoffen
- Scheiden op verschil kookpunt
- Kun je toepassen bij homogene vloeistoffen waarbij het verschil in kookpunt zo’n 20 ˚C is
- Door verhitting verdampt de vloeistof met het laagste kookpunt
- De damp wordt opgevangen en afgekoeld, waardoor condensatie optreedt
- De opgevangen vloeistof heet het destillaat
- De vloeistof die in de kolf achterblijft noem je het residu
- Nadeel -> kookpunt niet te dicht bij elkaar / grote opstelling bouwen
Extraheren
- Wordt veel toegepast bij het scheiden van 2 vaste stoffen
- Scheiden van een:
, o Stof die oplost
o Stof die niet oplost
- Scheiden op verschillende oplosbaarheid
- hoe hoger de temperatuur, hoe beter het oplost
- Nadeel -> moet altijd combineren met indampen of filtreren
Adsorberen
- Scheiden van stoffen:
o In een vloeistof
o In een stof
- Scheiden op verschil aanhechtingsvermogen
- Gebruik van actieve kool
- Werkt met:
o Kleurstoffen
o Geurstoffen
o Smaakstoffen
- Combinatie vaak met filtreren
- Nadeel -> moet wel de stoffen weer van actieve kool af krijgen
- Je maakt gebruik van een adsorptiemiddel
Chromatograferen
- Oplosbaarheid tegen aanhechtingsvermogen
- Onderaan het papier worden mengsels en bekende stoffen geplaatst
- Het loopvloeistof komt langzaam omhoog
- Stoffen die goed oplossen komen hoger, stoffen die goed aanhechten blijven lager
- Mobiele fase -> loopvloeistof(oplosmiddel wat beweegt)
- Stationaire fase -> papier(staat stil)
- Monster -> stof(mengsel) die je onderzoekt
- Veel gebruikt voor analyse van mengsels
- Scheiden op verschil aanhechtingsvermogen en oplosbaarheid
- Nadeel -> stof zit in het papier / kost veel tijd
Schema
Hoofdstuk 1 t/m 6
Hoofdstuk 1
Paragraaf 1.1
Natuurlijke materialen -> materialen van natuurlijke herkomst
Materiaal -> natuurlijke of kunstmatig geproduceerde stof die bestemd is om verwerkt te
worden tot bruikbare producten, bijvoorbeeld hout, staal, glas en beton.
Textiel -> bijna alle kleding wordt ervan gemaakt. Alle materialen waarbij van garens een
doek is gemaakt, bijvoorbeeld door weven of breien. Bekende textielsoorten zijn katoen,
linnen en wol.
Synthetische materialen -> materialen die door mensen worden gemaakt, moeten worden
bewerkt om er producten van te kunnen maken
Kunststoffen -> synthetisch materiaal, gemaakt uit aardolie
Additieven -> hulpstoffen die in materialen zitten, kleurstoffen zijn veelgebruikte additieven
Weekmakers -> additieven die aan kunststoffen worden toegevoegd om ze zachter,
flexibeler en minder breekbaar te maken
Materiaaleigenschappen ->
Composieten -> combinatie van materialen
Duurzaam geproduceerde materialen -> materialen waarvan de productie geen negatieve
invloed heeft op onze leefomgeving, zowel nu als in de toekomst. Staat tegenwoordig volop
in de belangstelling
Zelfherstellende materialen -> kan zichzelf repareren na een geringe beschadiging, zoals een
scheur of een kras. Er komen geen mensenhanden of machines aan te pas
Paragraaf 1.2
Stoffen
Van materiaal naar stof
- Kookpunt, dichtheid en brandbaarheid
- Zuivere stoffen of mengsels
- De verhouding van een mengsel is belangrijk
- Legering(mengsel van metalen)
Legering -> een mengsel van samengesmolten metalen, wordt vaak toegepast om de
hardheid van metalen te verbeteren
Zuivere stof -> bestaat uit één soort stof met één set stofeigenschappen
Mengsel -> combinatie van twee of meer stoffen
Oplossing -> vloeibaar homogeen mengsel
Oplosmiddel -> stof waarin andere materialen opgelost kunnen worden
Opgeloste stof -> lost op in een oplosmiddel om een oplossing te vormen
Homogeen mengsel -> een mengsel waarbij je de bestandsdelen niet van elkaar kan
onderscheiden
Heterogeen mengsel -> een mengsel waarbij je de bestandsdelen wel van elkaar kan
onderscheiden
Paragraaf 1.3
Scheidingsmethoden -> een manier waarop je stoffen kunt scheiden
,Filtreren:
- Deeltjes grootte
- Bij grote deeltjes -> zeven(grove manier van filtreren)
- Een suspensie gaat door een filter heen, er blijven deeltjes die groter zijn dan
filtergaatjes achter(residu)
- De deeltjes die kleiner zijn dan de filtergaatjes gaan er doorheen en worden
opgevangen(filtraat)
- Nadeel -> duurt lang / veel verlies vaste stof
Bezinken en afschenken
- Kun je toepassen bij een suspensie of een emulsie
- Door de zwaartekracht zakt de stof met de grootste dichtheid langzaam naar beneden
- Daarna kun je de stof met de minst grote dichtheid afschenken
Centrifugeren
- Versneld bezinken
- Toegepast -> bij suspensie en emulsies
- Snel draaiende beweging waarbij de stof met de grootste dichtheid naar buiten wordt
geslingerd
- Wordt vaak gecombineerd met filtratie
- Nadeel -> neerslag kan vast blijven zitten / nog steeds afgieten
Indampen
- Scheiden van:
o Opgeloste stof
o Oplosmiddel
- Je verhit een oplossing waarin een vaste stof is opgelost
- Berust op het verschil in kookpunt
- Nadeel -> kwijt raken oplosmiddel / hoge energieverbruik
Destilleren
- Scheiden van:
o Verschillende vloeistoffen
- Scheiden op verschil kookpunt
- Kun je toepassen bij homogene vloeistoffen waarbij het verschil in kookpunt zo’n 20 ˚C is
- Door verhitting verdampt de vloeistof met het laagste kookpunt
- De damp wordt opgevangen en afgekoeld, waardoor condensatie optreedt
- De opgevangen vloeistof heet het destillaat
- De vloeistof die in de kolf achterblijft noem je het residu
- Nadeel -> kookpunt niet te dicht bij elkaar / grote opstelling bouwen
Extraheren
- Wordt veel toegepast bij het scheiden van 2 vaste stoffen
- Scheiden van een:
, o Stof die oplost
o Stof die niet oplost
- Scheiden op verschillende oplosbaarheid
- hoe hoger de temperatuur, hoe beter het oplost
- Nadeel -> moet altijd combineren met indampen of filtreren
Adsorberen
- Scheiden van stoffen:
o In een vloeistof
o In een stof
- Scheiden op verschil aanhechtingsvermogen
- Gebruik van actieve kool
- Werkt met:
o Kleurstoffen
o Geurstoffen
o Smaakstoffen
- Combinatie vaak met filtreren
- Nadeel -> moet wel de stoffen weer van actieve kool af krijgen
- Je maakt gebruik van een adsorptiemiddel
Chromatograferen
- Oplosbaarheid tegen aanhechtingsvermogen
- Onderaan het papier worden mengsels en bekende stoffen geplaatst
- Het loopvloeistof komt langzaam omhoog
- Stoffen die goed oplossen komen hoger, stoffen die goed aanhechten blijven lager
- Mobiele fase -> loopvloeistof(oplosmiddel wat beweegt)
- Stationaire fase -> papier(staat stil)
- Monster -> stof(mengsel) die je onderzoekt
- Veel gebruikt voor analyse van mengsels
- Scheiden op verschil aanhechtingsvermogen en oplosbaarheid
- Nadeel -> stof zit in het papier / kost veel tijd
Schema