Willis, leraar van Descartes: eerste 1664 een gedetailleerd boek over hersenen: Anatomy of the Brain
Hij zag dat het uit 2 soorten bestond: grijze massa (buitenste laag) en witte massa.
Witte massa volgens hem> smalle kanalen waar de zielen opgewekt in de grijze massa gedistribueerd
worden. Ook beschreef hij de bloedvezels in deh ersenen; hersenen is niet bloedloos.
Pas rond 1800 werd het brein het onderwerp van interesse.
*Gall en frenologie
Commissuren: strengels witte stof, en andere smallere witte stukken vezels oversteken naar elke
kant van het brein om de tegenovergestelde kanten van het ruggenmerg te koppelen.
Frenologie: wetenschap van de geest. Faculteiten bevinden zich binnen specifieke delen van het
brein
Fysionomie: lezen van het karakter door fysieke kenmerken, gepromoot door Kaspar Lavater
Aantrekkingskracht: belangstelling individu, kijken wie er voor jou geschikt was, meten, wegen en
vergelijkende anatomie zou harde wetenschap zijn. Ansluiting bij mensen die materialistisch dachten
en niet voor serieuze artsen/neurologen, maar voor goede bovenstand van de bevolking.
Doodssteek: onjuist dat schedel je iets kon vertellen over de vorm van het brein, het was een te
eenvoudige oplossing, omdat er complexere begrippen die interacteren met talloze variabelen zijn,
en zijn hypothesetoetsing was niet correct: hij praatte tegenstrijdige observaties goed.
*Flourens: tegen frenologie
Onderzocht het brein dmv experimenten: verwijdering. Hierdoor kon hij onafhankelijke variabelen
manipuleren.
Zijn conclusies: de cortex is belangrijk voor de wil, en is gelinkt aan vele regio’s tegelijk. Iets dat
verwijderd werd, kon toch weer verbeteren; brein neemt sommige functies over. Ook was er
communicatie tussen het cerebellum en de cortex. Dus: functies zijn globaal over hersenen verdeeld
en de geest is een ondeelbare eenheid.
Bouilloud hield 1 hypothese van Gall aan, namelijk het verbale geheugen achter de ogen. Aubertin
vond ook een patiënt met symptomen die de theorie van Bouillard bevestigden.
*Broca: het spraakcentrum
Tan kon alleen vloeken en ‘tan’ zeggen. Broca ontdekte een beschadiging zeer dicht naast het gebied
dat Gall het orgaan van het verbale geheugen noemde: het gebied van Broca.
Rechtshandige patiënten hadden meestal een beschadiging, ontstaan aan de linkerkant.
Afasie van Broca: zwakheid in spraak, maar wel het kunnen begrijpen wat er gezegd wordt en wat ze
daar op terug moeten zeggen.
Het gebied van Broca was in strijd met symmetrie-these: als twee lichaamsdelen een identieke
anatomische structuur hadden, moesten fysiologische functies ook identiek zijn en zou de linkerhelft
dus het zelfde moeten doen als de rechterhelft. Broca dacht dus zelf ook dat hij het fout had.
Dit zette een stap naar de heropleving van de frenologie, nu lokalisatie-theorie genoemd.
-Broca besloot dat de taal in de linker voorhoofdskwab moest zitten. Zijn regel:
De taal zit tegenover de voorkeurshand.
*Fritsch en Hitzig: elektrische stimulatie
Ze ontdekten dat er een strip van de hersenen zorgde voor specifieke motorische bewegingen aan de
overkant van het lichaam: motorische strip.
*Ferrier toonde aan dat de occipitale cortex (achterhoofd) een visueel gebied bevat en in de
temporale kwab een auditief gebied. Ook zag hij een strook direct achter de motorstrip; sensorische
strip, die sensorische functies bemiddelt en verwijdering hiervan levert verlies van sensiviteit op.
,*Wernicke: gebied van afasie
Hij ontdekte dat het gebied van Broca direct voor het deel van de motorstrip lag. Dit zou betekenen
dat beschadiging in alleen het gebied van Broca niet de fysieke mogelijkheid tot spreken zou
beïnvloeden, wat wel het geval was bij Tan.
Dus wel kunnen spreken, niet kunnen begrijpen: sensorische/ receptieve afasie (WERNICKE)
Wel kunnen begrijpen, maar niet kunnen uitdrukken: motorische/ expressieve afasie (BROCA)
Paraphasias: meerdere eigenaardige woorden en verkeerde uitspraken
-Sensorische afasie: schade aan deel van linker temporale kwab, bij auditief gebied. Ze kunnen wel
horen en herkennen wat er gezegd is, maar weten niet wat het betekent. Hun reacties zijn vaak bizar
en patienten kregen vaak de misdiagnose voor psychische ziektes.
Wernicke ging verder dan alleen dit: hij theoriseerde dat de gebieden van Broca en Wernicke
verbonden moesten zijn en als er een beschadiging was van die connectie en niet in de gebieden zelf,
dan konden mensen wel spreken en begrijpen, maar zichzelf niet meer kunnen controleren en
pharaphasias kregen. Dit wordt conductieafasie genoemd.
-- Het gaat nu niet meer om faculteiten in het brein, maar om het demonstreren van hoe complexe
psychologische processen in het algemeen mogelijk ontstaan door basale elementen van sensaties,
bewegingen en het traceren van hun geheugen.
Craniometrie: de studie van de vorm, afmetingen en onderlinge verhoudingen van de botten van de
schedel. Objectiviteit: het kon gemeten worden door instrumenten en niet door personen die
beïnvloedbaar zijn
*Geheugen en het equipotentialiteitdebat
*Franz Hij was geïnteresseerd in de effecten op specifieke, geleerde reacties. Zijn innovatie:
verwijdering combineren met het trainen van dieren. Hij trok de lokatietheorie in twijfel omdat de
dieren waarvan de frontale kwab was verwijderd in staat waren tot het leren in het snel en
gemakkelijke ontsnappen. Zijn onderzoek was gericht op de lokalisering van enkel een hoog
algemeen soort, terwijl schade aan de frontale cortex er voor zorgde dat de reacties verloren
raakten, terwijl dit niet gebeurde met schade ergens anders.
*Lashley was geinteresseerd in het ‘ingram’ waar we dingen opslaan als we iets meemaken, en hoe
we taal leren. Samen met Franz deed hij experimenten met witte ratten. Het percentage fouten is
een rechtstreekse functie van hoeveelheid verwijderd hersenweefsel: het geheugen leek door te
dringen in de gehele cortex en is niet selectief gelokaliseerd.
(Broca, Ferrier, Wernicke en natuurlijk Gall waren juist voor deze lokalisaties) Maar Laskey droeg bij
aan twee nieuwe termen.
Equipotentialiteit: ieder deel van de hersenen kan functies overnemen van een verwijderd deel
Wet van massa-actie: efficiëntie van de prestaties van een hele complexe functie kan worden
verminderd in verhouding tot de mate van het hersenletsel.
Overtolligheidshypothese (reductancy): als men iets beter onthoudt wordt dit beter opgeslagen en
ook in meerdere plaatsen in de hersenen. Dit begrip kwam voort uit de kritiek die Lashley kreeg,
namelijk dat een rat meerdere verschillende stimuli accocieert met de juist motorische reacties. Er
zijn dus meerdere locaties in de cortex en verwijdering zal niet al het specifieke geheugen
verwijderen.
Bartholow: met naalden met elektrische voorziening in cerebrala massa van een vrouw
*Penfield en stimulatie van het menselijke brein
Hij dacht dat verschillende aura’s bij epileptische patienten veroorzaakt werden omdat ze
verschillende beginpunten van de aanvallen hadden. Hij probeerde deze gebieden op te sporen met
elektroden en toen hij ze gevonden had verwijderde hij de hersenstructuren.
, Ook stimuleerde hij andere hersengebieden: motorstrip, sensorische strip, visueel gebied, auditief
gebied. Verrassend: wanneer hij gebieden rónd de voornamelijke visuele en auditieve gebieden
stimuleerde, ervoeren patiënten volledige visueel of auditieve hallucinaties.
Nog verrassender: het stimuleren van de temporale kwab:
Interpretatieve cortex: stimulatie levert twee soorden fysieke responsen op
1. interpretatieve responsen: een patient zag zijn eigen situatie in een heel ander daglicht, deja vu’s,
euforisch of angstige gevoelens.
2. ervaringsgerichte responsen: hallucinaire dromen/flashbacks; patiënten herbeleefden eigen
herinneringen. Dit waren geen ‘normale’ herinneringen, maar ze waren levendig subjectief, en niet
alleen maar in hun gedachten.
DUS: het normale functioneren van het geheugen moest iets anders met zich meebrengen dan
specifieke stimulaties van neuronen die kunstmatig geproduceerd worden. Penfield dacht;
electrische stimulatie remmen het normale functioneren van betreffende neuronen.
Mythe van total recall: alles wat we meemaken wordt opgeslagen. We hebben een volmaakt
geheugen, maar kunnen niet niet allemaal terughalen/opnieuw activeren.
*Milner en de verscheidenheid van geheugensystemen
Cellverzamelingen volgens Hebb: neurologische netwerken in het brein (die gerelateerd leren en
ander gedrag in het hypothetische functioneren veroorzaken)
Samen zochten ze naar de functie van de hippocampus.
Hun patient kon geen nieuwe herinneringen meer onthouden; informatie uit werkgeheugen niet
doorsturen naar het langer termijn geheugen.
Milner leverde bewijs voor twee gescheiden geheugenprocessen.
Ook gold verslechtering niet voor elke taak: het declaratieve geheugen (iets onthouden en verhaal
omschrijven) was verslechterd, maar het procedurele geheugen (oefenen en herhalen van nieuw
geleerde acties) was niet verslechterd. Er bestaan dus verschillende en meerdere
geheugensystemen.
Penfield kreeg twijfels over wat hij eerder had beschreven. Hersenen en geest zijn volgens hem twee
onafhankelijk, maar wel interacterende delen ook het dualisme van Descartes.
Tegenwoordig:
Er is een twijfel mogelijk dat de assumptie van een sterke connectietussen de feest en de hersenen
zeer productief is. Dit stimuleert wetenschappers nog steeds.
Tomografie: de afbeeldingen van objecten die als collecties van slides worden gecreeërd door
verschillende soorten penetrerende golven. Belangrijkste:
-CT/CAT scans die bebaseerd zijn op X-rays,
-MRI scans, die radiogolven gebruiken
-PET scans, worden gebruik wanneer het object onder observatie staat van een orgaan als de
hersenen
-fMRI: plaatjes van zuurstof in het bloed om neurale activiteit te tonen
Ook: heropleving van de academische psycholoog; cognitieve functies worden gezien als een
belangrijk domein binnen de psychologie.
Cognitive neuroscience: nieuw disciplinair veld, bijgestaan door PET studies van hersenactiviteit
gedurende verschillende teostanden van aandacht en geheugen door Posner en Raichle.
Kosslyn gebruikte fMRI om aan te tonen dat hersenprocessen vergezeld worden door mentale
verbeelding en niet verenigd is in 1 enkel gebied.