Lesbrief Europa - samenvatting
Positief gevolg arbeidsmigratie: lage lonen voor migranten, waardoor de loonkosten
en kostprijs omlaag kunnen. Tekorten aan arbeidskrachten worden opgelost en het
BBP van NL kan stijgen als ze in NL consumeren.
Nadeel: hoogopgeleide mensen verlaten NL; schadelijk voor de lange termijn.
Waarom handelen met het buitenland?
1. Grondstoffen zijn niet voorradig in bepaalde landen.
2. De natuurlijke omstandigheden zijn beter in bepaalde landen.
3. De concurrentiepositie van de landen verschilt. De productiekosten (en dus de
prijs) verschillen per land.
4. Soms is er invoer of uitvoer omdat we denken dat het buitenland betere producten
maakt op grond van de goede naam of traditie.
Door handel (ruil) worden beide partijen er beter van: producten worden dan
gemaakt in het land waar dat zo goedkoop mogelijk of tegen de beste kwaliteit kan.
Concurrentiepositie: De mate waarin een land of bedrijf in staat is goedkoper te
produceren of meer kwaliteit te bieden voor dezelfde prijs. (positie van bedrijven ten
opzichte van bedrijven het buitenland: internationale concurrentiepositie)
Open economie: een land importeert en exporteert relatief veel met het buitenland.
Kleinere landen hebben vaak een open economie. Gesloten economieën komen niet
voor.
Waarom verschillen de concurrentieposities?
Landen specialiseren zich. Toenemende specialisatie = meer internationale handel.
A. Natuurlijke omstandigheden: klimaat, aanwezigheid grondstoffen.
B. Technologische ontwikkelingen
C. Loonkosten per product: als de loonkosten relatief laag zijn, kan een product
goedkoper gemaakt en verkocht worden. Ook arbeidsproductiviteit speelt een rol:
hoeveel producten maakt een arbeider in een bepaalde tijd.
D. De infrastructuur: productiekosten laag omdat de wegen, havens, vliegvelden en
telecommunicatie beter zijn in bepaalde landen.
E. Politieke stabiliteit: maatschappelijke tegenstellingen zijn onaantrekkelijk voor
internationale bedrijven.
De kracht van je concurrentiepositie wordt bepaald door:
- De kwaliteit van je producten (lagere kosten en goede kwaliteit worden door
innovatie = investeringen in kapitaalgoederen behaald. Een hoge scholingsgraad
stimuleert innovatie. Door innovatie stijgt de arbeidsproductiviteit
- De productiekosten per product (loonkosten etc.)
De arbeidsproductiviteit wordt weer beïnvloed door de volgende zaken:
Scholing, inzet machines, arbeidsverdeling, specialisatie en de organisatie van het
arbeidsproces.
1
, De loonkosten per product hangen af van de loonkosten per werknemer en de
arbeidsproductiviteit. Als de loonkosten stijgen, stijgen de prijzen. Als de
arbeidsproductiviteit procentueel sterker stijgt dan de LK, dalen de LK.
Het loon kan in lagelonenlanden wel laag zijn, maar dit betekent niet dat de
loonkosten per product lager zijn dan in industrielanden, dat ligt aan de hoogte van
de arbeidsproductiviteit.
index loonkosten per product = (index lonen per arbeider /
index arbeidsproductiviteit) x 100
Belangrijke formule: Als je de % verandering van 2 cijfers krijgt en je moet een derde
berekenen: gebruik indexcijfers. Bij procentuele berekeningen:
Omzet = waarde index prijs = index waarde / index volume x 100 %
Afzet = volume/hoeveelheid of index volume = index waarde / index prijs x 100%
Prijs = omzet / afzet
Vrijhandel en protectionisme
Vrijhandel leidt tot specialisatie en een internationale arbeidsverdeling. Een land
heeft zich vele jaren toegelegd op de productie van een bepaald product, waardoor
er veel kennis is verzameld over de methode. Zo concentreert kennis zich in een
bepaald land.
Groei wereldeconomie = groei van de productie van alle landen, dus hoeveel
producten worden er in de landen gemaakt x de prijs van die producten.
Waarde (omzet) import = volume (afzet) import x prijs import
Waarde export = volume export x prijs export
Weder in- en uitvoer: slechts een kleine of geen bewerking wordt uitgevoerd aan
een product voor hij doorgevoerd wordt naar een ander land. De toegevoegde
waarde is klein, dus ook de productiewaarde.
Exportquote = export / BBP x 100%
Importquote = import / BBP x 100%
Bij hoge import en exportquote heeft een land een open economie.
Autarkie: Een land zonder of met weinig in- en uitvoer, dus zelfvoorzienend.
We spreken van protectionisme wanneer landen de binnenlandse producenten
beschermen door subsidies te geven en buitenlandse producten van de
binnenlandse markt te weren door maatregelen. EU-landen hanteren dezelfde
heffingen op de invoer buiten de EU.
We maken onderscheid tussen tarifaire en niet-tarifaire maatregelen:
Tarifair:
- Invoerrechten, ook wel importheffingen. Producten worden duurder op de
binnenlandse markt. Het is een percentage van de invoerwaarde.
- Exportsubsidie, de overheid maakt de export goedkoper door een gedeelte van
de exportprijs voor zijn rekening te nemen. Producenten kunnen hun producten
goedkoper exporteren naar het buitenland (het omgekeerde van invoerrechten).
- Subsidie eigen producten
2
Positief gevolg arbeidsmigratie: lage lonen voor migranten, waardoor de loonkosten
en kostprijs omlaag kunnen. Tekorten aan arbeidskrachten worden opgelost en het
BBP van NL kan stijgen als ze in NL consumeren.
Nadeel: hoogopgeleide mensen verlaten NL; schadelijk voor de lange termijn.
Waarom handelen met het buitenland?
1. Grondstoffen zijn niet voorradig in bepaalde landen.
2. De natuurlijke omstandigheden zijn beter in bepaalde landen.
3. De concurrentiepositie van de landen verschilt. De productiekosten (en dus de
prijs) verschillen per land.
4. Soms is er invoer of uitvoer omdat we denken dat het buitenland betere producten
maakt op grond van de goede naam of traditie.
Door handel (ruil) worden beide partijen er beter van: producten worden dan
gemaakt in het land waar dat zo goedkoop mogelijk of tegen de beste kwaliteit kan.
Concurrentiepositie: De mate waarin een land of bedrijf in staat is goedkoper te
produceren of meer kwaliteit te bieden voor dezelfde prijs. (positie van bedrijven ten
opzichte van bedrijven het buitenland: internationale concurrentiepositie)
Open economie: een land importeert en exporteert relatief veel met het buitenland.
Kleinere landen hebben vaak een open economie. Gesloten economieën komen niet
voor.
Waarom verschillen de concurrentieposities?
Landen specialiseren zich. Toenemende specialisatie = meer internationale handel.
A. Natuurlijke omstandigheden: klimaat, aanwezigheid grondstoffen.
B. Technologische ontwikkelingen
C. Loonkosten per product: als de loonkosten relatief laag zijn, kan een product
goedkoper gemaakt en verkocht worden. Ook arbeidsproductiviteit speelt een rol:
hoeveel producten maakt een arbeider in een bepaalde tijd.
D. De infrastructuur: productiekosten laag omdat de wegen, havens, vliegvelden en
telecommunicatie beter zijn in bepaalde landen.
E. Politieke stabiliteit: maatschappelijke tegenstellingen zijn onaantrekkelijk voor
internationale bedrijven.
De kracht van je concurrentiepositie wordt bepaald door:
- De kwaliteit van je producten (lagere kosten en goede kwaliteit worden door
innovatie = investeringen in kapitaalgoederen behaald. Een hoge scholingsgraad
stimuleert innovatie. Door innovatie stijgt de arbeidsproductiviteit
- De productiekosten per product (loonkosten etc.)
De arbeidsproductiviteit wordt weer beïnvloed door de volgende zaken:
Scholing, inzet machines, arbeidsverdeling, specialisatie en de organisatie van het
arbeidsproces.
1
, De loonkosten per product hangen af van de loonkosten per werknemer en de
arbeidsproductiviteit. Als de loonkosten stijgen, stijgen de prijzen. Als de
arbeidsproductiviteit procentueel sterker stijgt dan de LK, dalen de LK.
Het loon kan in lagelonenlanden wel laag zijn, maar dit betekent niet dat de
loonkosten per product lager zijn dan in industrielanden, dat ligt aan de hoogte van
de arbeidsproductiviteit.
index loonkosten per product = (index lonen per arbeider /
index arbeidsproductiviteit) x 100
Belangrijke formule: Als je de % verandering van 2 cijfers krijgt en je moet een derde
berekenen: gebruik indexcijfers. Bij procentuele berekeningen:
Omzet = waarde index prijs = index waarde / index volume x 100 %
Afzet = volume/hoeveelheid of index volume = index waarde / index prijs x 100%
Prijs = omzet / afzet
Vrijhandel en protectionisme
Vrijhandel leidt tot specialisatie en een internationale arbeidsverdeling. Een land
heeft zich vele jaren toegelegd op de productie van een bepaald product, waardoor
er veel kennis is verzameld over de methode. Zo concentreert kennis zich in een
bepaald land.
Groei wereldeconomie = groei van de productie van alle landen, dus hoeveel
producten worden er in de landen gemaakt x de prijs van die producten.
Waarde (omzet) import = volume (afzet) import x prijs import
Waarde export = volume export x prijs export
Weder in- en uitvoer: slechts een kleine of geen bewerking wordt uitgevoerd aan
een product voor hij doorgevoerd wordt naar een ander land. De toegevoegde
waarde is klein, dus ook de productiewaarde.
Exportquote = export / BBP x 100%
Importquote = import / BBP x 100%
Bij hoge import en exportquote heeft een land een open economie.
Autarkie: Een land zonder of met weinig in- en uitvoer, dus zelfvoorzienend.
We spreken van protectionisme wanneer landen de binnenlandse producenten
beschermen door subsidies te geven en buitenlandse producten van de
binnenlandse markt te weren door maatregelen. EU-landen hanteren dezelfde
heffingen op de invoer buiten de EU.
We maken onderscheid tussen tarifaire en niet-tarifaire maatregelen:
Tarifair:
- Invoerrechten, ook wel importheffingen. Producten worden duurder op de
binnenlandse markt. Het is een percentage van de invoerwaarde.
- Exportsubsidie, de overheid maakt de export goedkoper door een gedeelte van
de exportprijs voor zijn rekening te nemen. Producenten kunnen hun producten
goedkoper exporteren naar het buitenland (het omgekeerde van invoerrechten).
- Subsidie eigen producten
2