Essay Strafrecht
Voorwaardelijk opzet bij Opiumdelicten
Naam:
Studentnummer:
E-mailadres:
Essayonderwerp: Ronde 4, opdracht 14
Docent: Mr. G. Pesselse
Inleverdatum: 3 maart 2014
,Inhoudsopgave
Inleiding (§1) Pagina 3
Introductie van het voorwaardelijk opzet (§2) Pagina 3
Opzet in de Opiumwet (§3) Pagina 4
Toepassing voorwaardelijk opzet bij Opiumdelicten (§4) Pagina 4
Voorwaardelijk opzet bij Opiumdelicten ter discussie (§5) Pagina 5
Conclusie (§6) Pagina 6
Literatuurlijst Pagina 7
Jurisprudentielijst Pagina 8
2
, 1. Inleiding
Een koffer op Schiphol uit Suriname blijkt een inhoud aan cocaïne te bevatten. De verdachte
zegt geen flauw idee te hebben gehad van wat er in zijn bagage zat. De rechtbank oordeelt dat
de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij
cocaïne binnen het grondgebied van Nederland zou brengen en zo ten minste voorwaardelijk
opzet heeft op de invoer van de onder hem aangetroffen cocaïne. Daarmee acht de rechtbank
bewezen dat verdachte opzettelijk handelt in strijd met art. 2 onder A van de Opiumwet, ook
al ontkent de verdachte dit.1 Medestudenten reageren geschokt op deze praktijk, een dergelijk
opzetbewijs staat ver af van wat normaal onder opzettelijk handelen wordt verstaan: wetens
en willens handelen. Ook zal meespelen dat mensen zichzelf al zien staan – aangehouden op
een luchthaven met drugs in hun koffer. Ontkracht dan maar eens het opzet.2
Afhankelijk van het betrokken rechtsgoed, wordt de bewijsdrempel van het
voorwaardelijk opzet bij sommige typen delicten makkelijker overschreden.3 In dit essay staat
de vraag centraal of voorwaardelijk opzet in de Opiumwet te gemakkelijk wordt aangenomen
en of het criterium nog wel werkbaar is. Om deze vraag te kunnen beantwoorden bespreek ik
eerst het leerstuk van het voorwaardelijk opzet in het algemeen (§2) en geef ik een beknopte
introductie over opzet in de Opiumwet (§3). Vervolgens wordt de toepassing van het
voorwaardelijk opzet bij Opiumdelicten geanalyseerd (§4) en wordt het gebruik hiervan ter
discussie gesteld (§5). In de conclusie (§6) wordt ten slotte een korte samenvatting gegeven
en een antwoord op de vraag die centraal staat in dit essay.
2. Introductie van het voorwaardelijk opzet
Bij de totstandkoming van het Wetboek van Strafrecht stond de wetgever een scherp
onderscheid tussen opzet en schuld voor ogen. De verdachte is zich er niet alleen van bewust
dat zijn handelen tot een bepaald strafbaar gesteld gevolg kon leiden, maar hij wil dit gevolg
ook tot stand brengen. In dat laatste, het willen, lag de kern van het onderscheid tussen opzet
en schuld. Echter bleek de praktijk van strafrechtspleging hier lang niet altijd goed uit de
voeten mee te kunnen. Het was aan de rechter om op basis van het gedrag van de verdachte te
oordelen of er sprake was van opzettelijk handelen.4 Dit leidt ertoe dat opzet regelmatig wordt
bestreden en in dit opzicht was en is het van belang om de grens te bepalen tussen opzettelijk
en niet-opzettelijk gedrag. Zo treedt onvermijdelijk het voorwaardelijk opzet naar voren.5
De formulering van het voorwaardelijk opzet is geïntroduceerd in het Cicero-arrest.
De Hoge Raad spreekt hier over het ‘zich willens en wetens blootstellen aan de geenszins als
denkbeeldig te verwaarlozen kans’.6 Het voorwaardelijk opzet wordt hier als opzetgradatie
erkend. Na het Cicero-arrest heeft de toepassing van het voorwaardelijk opzet een hoge vlucht
genomen.7 In de jurisprudentiële ontwikkeling markeert de hiv-I-uitspraak een belangrijk
moment. In casu ging het om een verdachte die seksueel contact had met het slachtoffer
terwijl hij wist dat hij ten tijde van dat contact met hiv besmet was.8 Voor het aannemen van
voorwaardelijk opzet zijn drie vereisten ontstaan. Allereerst dient de dader bewust te zijn
geweest van de mogelijkheid tot intreden van het gevolg. Ten tweede dient de mogelijkheid
van verwezenlijking van dat gevolg aanmerkelijk te zijn en ten derde moet de dader die kans
willens en weten hebben aanvaard.9 Deze worden het risicocomponent, het kenniscomponent
en het wilscomponent genoemd.10 Nadere ijkpunten van de Hoge Raad zijn de
1
Rb. Noord-Holland 2 juli 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:6088.
2
De Jong & Kessler, NJB 1999, p. 385.
3
Kelk 2013, p. 270
4
Wedzinga, Adv.bl. 1997, p. 498.
5
De Hullu 2012, p. 225
6
HR 9 november 1954, NJ 1955/55, m.nt. WP.
7
Kelk/De Jong 2013, p. 265.
8
HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, r.o. 3.2.1, NJ 2003/552, m.nt. Y. Buruma.
9
HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, r.o. 3.6, NJ 2003/552, m.nt. Y.Buruma.
10
HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZDO139, NJ 1997/199, m.nt. A.C. ’t Hart.
3
Voorwaardelijk opzet bij Opiumdelicten
Naam:
Studentnummer:
E-mailadres:
Essayonderwerp: Ronde 4, opdracht 14
Docent: Mr. G. Pesselse
Inleverdatum: 3 maart 2014
,Inhoudsopgave
Inleiding (§1) Pagina 3
Introductie van het voorwaardelijk opzet (§2) Pagina 3
Opzet in de Opiumwet (§3) Pagina 4
Toepassing voorwaardelijk opzet bij Opiumdelicten (§4) Pagina 4
Voorwaardelijk opzet bij Opiumdelicten ter discussie (§5) Pagina 5
Conclusie (§6) Pagina 6
Literatuurlijst Pagina 7
Jurisprudentielijst Pagina 8
2
, 1. Inleiding
Een koffer op Schiphol uit Suriname blijkt een inhoud aan cocaïne te bevatten. De verdachte
zegt geen flauw idee te hebben gehad van wat er in zijn bagage zat. De rechtbank oordeelt dat
de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij
cocaïne binnen het grondgebied van Nederland zou brengen en zo ten minste voorwaardelijk
opzet heeft op de invoer van de onder hem aangetroffen cocaïne. Daarmee acht de rechtbank
bewezen dat verdachte opzettelijk handelt in strijd met art. 2 onder A van de Opiumwet, ook
al ontkent de verdachte dit.1 Medestudenten reageren geschokt op deze praktijk, een dergelijk
opzetbewijs staat ver af van wat normaal onder opzettelijk handelen wordt verstaan: wetens
en willens handelen. Ook zal meespelen dat mensen zichzelf al zien staan – aangehouden op
een luchthaven met drugs in hun koffer. Ontkracht dan maar eens het opzet.2
Afhankelijk van het betrokken rechtsgoed, wordt de bewijsdrempel van het
voorwaardelijk opzet bij sommige typen delicten makkelijker overschreden.3 In dit essay staat
de vraag centraal of voorwaardelijk opzet in de Opiumwet te gemakkelijk wordt aangenomen
en of het criterium nog wel werkbaar is. Om deze vraag te kunnen beantwoorden bespreek ik
eerst het leerstuk van het voorwaardelijk opzet in het algemeen (§2) en geef ik een beknopte
introductie over opzet in de Opiumwet (§3). Vervolgens wordt de toepassing van het
voorwaardelijk opzet bij Opiumdelicten geanalyseerd (§4) en wordt het gebruik hiervan ter
discussie gesteld (§5). In de conclusie (§6) wordt ten slotte een korte samenvatting gegeven
en een antwoord op de vraag die centraal staat in dit essay.
2. Introductie van het voorwaardelijk opzet
Bij de totstandkoming van het Wetboek van Strafrecht stond de wetgever een scherp
onderscheid tussen opzet en schuld voor ogen. De verdachte is zich er niet alleen van bewust
dat zijn handelen tot een bepaald strafbaar gesteld gevolg kon leiden, maar hij wil dit gevolg
ook tot stand brengen. In dat laatste, het willen, lag de kern van het onderscheid tussen opzet
en schuld. Echter bleek de praktijk van strafrechtspleging hier lang niet altijd goed uit de
voeten mee te kunnen. Het was aan de rechter om op basis van het gedrag van de verdachte te
oordelen of er sprake was van opzettelijk handelen.4 Dit leidt ertoe dat opzet regelmatig wordt
bestreden en in dit opzicht was en is het van belang om de grens te bepalen tussen opzettelijk
en niet-opzettelijk gedrag. Zo treedt onvermijdelijk het voorwaardelijk opzet naar voren.5
De formulering van het voorwaardelijk opzet is geïntroduceerd in het Cicero-arrest.
De Hoge Raad spreekt hier over het ‘zich willens en wetens blootstellen aan de geenszins als
denkbeeldig te verwaarlozen kans’.6 Het voorwaardelijk opzet wordt hier als opzetgradatie
erkend. Na het Cicero-arrest heeft de toepassing van het voorwaardelijk opzet een hoge vlucht
genomen.7 In de jurisprudentiële ontwikkeling markeert de hiv-I-uitspraak een belangrijk
moment. In casu ging het om een verdachte die seksueel contact had met het slachtoffer
terwijl hij wist dat hij ten tijde van dat contact met hiv besmet was.8 Voor het aannemen van
voorwaardelijk opzet zijn drie vereisten ontstaan. Allereerst dient de dader bewust te zijn
geweest van de mogelijkheid tot intreden van het gevolg. Ten tweede dient de mogelijkheid
van verwezenlijking van dat gevolg aanmerkelijk te zijn en ten derde moet de dader die kans
willens en weten hebben aanvaard.9 Deze worden het risicocomponent, het kenniscomponent
en het wilscomponent genoemd.10 Nadere ijkpunten van de Hoge Raad zijn de
1
Rb. Noord-Holland 2 juli 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:6088.
2
De Jong & Kessler, NJB 1999, p. 385.
3
Kelk 2013, p. 270
4
Wedzinga, Adv.bl. 1997, p. 498.
5
De Hullu 2012, p. 225
6
HR 9 november 1954, NJ 1955/55, m.nt. WP.
7
Kelk/De Jong 2013, p. 265.
8
HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, r.o. 3.2.1, NJ 2003/552, m.nt. Y. Buruma.
9
HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, r.o. 3.6, NJ 2003/552, m.nt. Y.Buruma.
10
HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZDO139, NJ 1997/199, m.nt. A.C. ’t Hart.
3