§1: Voor niks gaat de zon op
Productiefactoren
= middelen die je nodig hebt om dienst te kunnen produceren (bijv. fietsen,
bestelbusjes, website enz). Er zijn 4 soorten:
- natuur: levert bijv. lucht, (landbouw)grond en (regen)water
- arbeid: wat werknemers leveren
- kapitaalgoederen: goederen die bij productie nodig zijn (machines en
gereedschap)
- ondernemerschap: eigenaar bedrijf die productiefactoren combineert om
goederen te kunnen produceren
Schaarse goederen en vrije goederen
Bedrijven produceren goederen (tastbaar, bijv.: brood) en diensten (niet tastbaar,
bijv.: voorstelling).
Schaarse goederen: goederen waarvoor productiefactoren nodig hebt om erover te
kunnen beschikken. Bijv.: koffie is schaars goed omdat je water, koffiebonen en een
apparaat nodig hebt.
Schaars betekent in economie dus niet zeldzaam!
Schaarste dwingt tot het maken van keuzes, omdat productiefactoren voor
verschillende doeleinden kunnen worden gebruikt (alternatieve aanwendbaarheid).
Vrij goed: er zijn geen productiefactoren nodig (bijv.: regenbui). Je hoeft ook geen
keuzes te maken; het komt wel of niet.
De behoefte van mensen
Mensen hebben behoeften (bijv.: aan relatie, nieuwe scooter enz). Economie
bestudeert hoe mensen hun behoeften bevredigen d.m.v. schaarse goederen.
Middelen zijn nodig om aan schaarse goederen te voorzien. Behoefte is altijd groter
dan hoeveelheid middelen die beschikbaar is → mensen moeten kiezen tussen
behoeften.
Zelfvoorziening en consumeren
Twee mogelijkheden om zo goed mogelijk aan voorziening te voorzien:
- zelfvoorziening: je maakt zelf producten
- consumeren: consument die goederen en diensten koopt
(consumptiegoederen) niet bedoeld om andere goederen te produceren)