- Paragraaf 5.1 Nederland herrijst
5 mei 1945 = Nederland bevrijd uit de 2de wereldoorlog, wederopbouw kon beginnen
Marshallhulp 1947
Marshallhulp = geld van de VS voor de wederopbouw van Europa
Om de handel weer op te starten
Om communisme te voorkomen, want armere mensen willen graag
communisme (alles is van iedereen), en VS wilt dit juist niet
Vrede -> landen moesten wanner ze het geld aannamen, lid worden van de
NAVO (militaire bondgenootschap van de VS, Canada, Turkije en Europese
landen.)
Nederland investeerde dit geld vooral in de industrie
Economische bloeitijd 1950
Doordat mensen veel werkten en zuinig en gehoorzaam leefden
Marshallhulp hielp hier ook aan mee
Geleide loon- en prijspolitiek (afspraken met winkeliers, werkgevers en
vakbonden om prijzen en lonen, gericht op het laten stijgen van de economie)
Opkomst van de jongerencultuur (eigen kleding, muziek, afzetten tegen
ouders)
Ontzuiling (liberalen, socialisten, protestanten en katholieken begonnen met
elkaar om te gaan)
Opkomst van de multiculturele samenleving
Sociale wetgeving
Opbouw van de verzorgingsstaat (staat die zorgt voor haar burgers)
1957 AOW (algemene ouderdomswet) = volgde de noodwet uit 1947 op, je
kon nu een pensioen opbouwen
1955 WW (werkeloosheidswet) = mensen die buiten hun schuld hun baan
kwijtraakten, kregen nu een uitkering
Babyboomer
In 1945 tot 1949 werden er heel veel kinderen geboren = babyboomer
Mede hierdoor ontstond er ook een enorm woningtekort
Deze kinderen gingen laten in 2010 (ongeveer) met pensioen
- Paragraaf 5.2 besluiten en besturen
Nederland is een democratische parlementaire constitutionele monarchie
1
, Democratie = het volk kiest het bestuur
Parlementair = het parlement maakt de wetten
Constitutioneel = er is een grondwet
Monarchie = de koning is staatshoofd
Indirecte democratie = het volk kiest vertegenwoordigers die namens hen
beslist
Actief stemrecht = je stem uitbrengen
Passief stemrecht = jezelf verkiesbaar stellen
Kiesstelsel
De koning = het staatshoofd, heeft symbolische en ceremoniële functie, is
onschenkbaar (ministeriële verantwoordelijkheid)
Kabinet = alle ministers en staatssecretarissen
Parlement = 1e en 2de kamer
Regering = kabinet en koning
! Het kabinet maakt dus géén deel uit van het parlement
1ste kamer = controleert 2de kamer, 75 zetels
2de kamer = meer rechten, 150 zetels, 76 nodig om te mogen regeren
Oppositie = alle partijen die niet in de coalitie zitten
Links, midden en rechts
Links Midden Rechts
Gelijkheid Geloof Vrijheid
Socialisten Confessionelen Liberaal
Bescherming van de Leven volgens de Bijbel Zo min mogelijk regels
zwakken
2