Economische crisis
Hoofdstuk 2 inkomen, hoe verdien je dat?
primair inkomen: inkomen dat je verdient met het leveren van productiemiddelen.
prod. factor (KANO) primair inkomen
arbeid loon
natuur pacht
kapitaal rente/huur
ondern.schap winst
resultatenrekening: winst/verlies van een onderneming
1. bruto toegevoegde waarde (btw): omzet - inkoopwaarde goederen/diensten
gelijk aan productie (W) en bbp
2. netto toegevoegde waarde (ntw): btw -afschrijvingen
gelijk aan primaire inkomen (Y), alle beloningen van de productiefactoren
loon, pacht, rente/huur en winst
3. afschrijving: waardevermindering
- particuliere bedrijven: commercieel
- niet commerciële bedrijven: ziekenhuizen, overheid
Bruto binnenlands product (bbp): de totale productiewaarde en toegevoegde waarde van
alle in een land geproduceerde goederen en diensten gedurende een bepaalde periode. Is een
maatstaf voor welvaart.
● btw = bbp = bruto binnenlands inkomen (bbi)
● ntw = netto binnenlands product (nbp) = netto binnenlands inkomen (nbi)
● nbi = bbi - afschrijvingen (+ eventueel primair inkomen buitenland)
● saldo Primair Inkomen Buitenland = ontvangen PIB - betaald PIB
● bnp = bbp + saldo PIB
● nnp = bnp - afschrijvingen
NIC
RIC: x 100% N: nominaal
PIC
P: prijs
R: reëel
I: index
C: cijfer
Voorbeeld:
loon(NIC)
koopkracht (RIC):
prijs (PIC)
(RIC is reëel inkomen gecorrigeerd met inflatie, NIC is nominale inkomen niet gecorrigeerd met
inflatie, PIC is de inflatie)
, welvaart: in welke mate mensen in hun behoeften kunnen voorzien
welvaart van een land meten:
● inkomen
● bbp
● reëel inkomen
minpunten: - bij scheve inkomensverdeling niet ideaal
- vrijwilligerswerk en zwartwerk is onopgemerkt (informele economie)
Negatief aan bbp als maatstaf:
1. Negatieve externe effecten niet meegerekend (milieuvervuiling)
2. Geen rekening met uitputten van natuurlijke hulpbronnen. (Boskap verhoogt bbp,
maar verlaagd welvaart).
- Welvaart in enge zin/materiële welvaart: bbp als maatstaf
- Welvaart in ruime zin/immateriële welvaart: ook rekening houden met externe
effecten en uitputting van natuurlijke hulpbronnen.
● Nominale bbp: de waarde van de goederen en de diensten gemeten tegen
courante/geldende prijzen.
● Reële bbp: de groei van het aantal goederen en diensten dat in een land wordt
geproduceerd gemeten tegen constante prijzen.
Verschil bbi en bbp:
- bbp: ontvangsten van bedrijven voor verkoop van goederen/ diensten
- bbi: beloning voor het beschikbaar stellen van o.a. arbeid
bepalen van het bbp:
● objectieve methode: alle btw van bedrijven en overheid bij elkaar optellen.
productiewaarde van alle bedrijven (W) ( overheid: het loon dat overheid uitbetaald
bedrijf: omzet - inkoopwaarde van goederen / diensten)
● subjectieve methode: alle primaire inkomens bij elkaar optellen (Y).
De beloningen die de productiefactoren ontvangen bij elkaar optellen + de
afschrijvingen.
● bestedingsmethode: btw = W dus C + Ib + O + E - M.
Hoofdstuk 2 inkomen, hoe verdien je dat?
primair inkomen: inkomen dat je verdient met het leveren van productiemiddelen.
prod. factor (KANO) primair inkomen
arbeid loon
natuur pacht
kapitaal rente/huur
ondern.schap winst
resultatenrekening: winst/verlies van een onderneming
1. bruto toegevoegde waarde (btw): omzet - inkoopwaarde goederen/diensten
gelijk aan productie (W) en bbp
2. netto toegevoegde waarde (ntw): btw -afschrijvingen
gelijk aan primaire inkomen (Y), alle beloningen van de productiefactoren
loon, pacht, rente/huur en winst
3. afschrijving: waardevermindering
- particuliere bedrijven: commercieel
- niet commerciële bedrijven: ziekenhuizen, overheid
Bruto binnenlands product (bbp): de totale productiewaarde en toegevoegde waarde van
alle in een land geproduceerde goederen en diensten gedurende een bepaalde periode. Is een
maatstaf voor welvaart.
● btw = bbp = bruto binnenlands inkomen (bbi)
● ntw = netto binnenlands product (nbp) = netto binnenlands inkomen (nbi)
● nbi = bbi - afschrijvingen (+ eventueel primair inkomen buitenland)
● saldo Primair Inkomen Buitenland = ontvangen PIB - betaald PIB
● bnp = bbp + saldo PIB
● nnp = bnp - afschrijvingen
NIC
RIC: x 100% N: nominaal
PIC
P: prijs
R: reëel
I: index
C: cijfer
Voorbeeld:
loon(NIC)
koopkracht (RIC):
prijs (PIC)
(RIC is reëel inkomen gecorrigeerd met inflatie, NIC is nominale inkomen niet gecorrigeerd met
inflatie, PIC is de inflatie)
, welvaart: in welke mate mensen in hun behoeften kunnen voorzien
welvaart van een land meten:
● inkomen
● bbp
● reëel inkomen
minpunten: - bij scheve inkomensverdeling niet ideaal
- vrijwilligerswerk en zwartwerk is onopgemerkt (informele economie)
Negatief aan bbp als maatstaf:
1. Negatieve externe effecten niet meegerekend (milieuvervuiling)
2. Geen rekening met uitputten van natuurlijke hulpbronnen. (Boskap verhoogt bbp,
maar verlaagd welvaart).
- Welvaart in enge zin/materiële welvaart: bbp als maatstaf
- Welvaart in ruime zin/immateriële welvaart: ook rekening houden met externe
effecten en uitputting van natuurlijke hulpbronnen.
● Nominale bbp: de waarde van de goederen en de diensten gemeten tegen
courante/geldende prijzen.
● Reële bbp: de groei van het aantal goederen en diensten dat in een land wordt
geproduceerd gemeten tegen constante prijzen.
Verschil bbi en bbp:
- bbp: ontvangsten van bedrijven voor verkoop van goederen/ diensten
- bbi: beloning voor het beschikbaar stellen van o.a. arbeid
bepalen van het bbp:
● objectieve methode: alle btw van bedrijven en overheid bij elkaar optellen.
productiewaarde van alle bedrijven (W) ( overheid: het loon dat overheid uitbetaald
bedrijf: omzet - inkoopwaarde van goederen / diensten)
● subjectieve methode: alle primaire inkomens bij elkaar optellen (Y).
De beloningen die de productiefactoren ontvangen bij elkaar optellen + de
afschrijvingen.
● bestedingsmethode: btw = W dus C + Ib + O + E - M.