Samenvatting psychologie
Bijeenkomst 1
Psychologie is de studie van gedrag en ontwikkeling van mensen. De wetenschap van gedrag en
mentale processen. Gezondheid is hoe je in het leven staat. Gelukkig en gezond of niet? Erik Erikson
belangrijke psycholoog. Tijdens de identiteitscrisis in de puberteit wordt de identiteit ontwikkeld.
Vroege volwassenheid komt door het verkrijgen van intimiteit en het aangaan van een volledige
relatie.
Temperament is de stabiele manier waarop een individu reageert op situaties en externe stimulans.
Het is de basis aanleg voor de persoonlijkheid. Dit is bij de geboorte aanwezig. Door socialisatie leer
je omgaan met mensen.
- Autoritaire opvoeding: gehoorzaamheid, straffen, weinig discussie.
- Permissieve opvoeding: weinig regels, kinderen mogen zelf beslissen, zorgzaam,
communicatief.
- Autoritatieve opvoeding: hoge verwachtingen, warmte en respect voor de opvatting van een
kind.
- Onverschillige opvoeding: onverschilligheid of afwijzing. Soms verwaarlozing/ mishandeling.
Autonomie vermogen om onafhankelijk te handelen. Vlijt is een eriksons term voor het gevoel van
zelfvertrouwen. Overgangsritueel dat de overgang tussen 2 ontwikkelingsstadia markeert. Menarche
is de eerste menstruatie. Lichaamsbeeld de gevoelens over de eigen lichamelijke verschijning.
Het biopsychosociaal model om naar mensen te kijken en klachten in kaart te brengen.
- Sociaal: omgeving, werk, school, vrienden.
- Biologisch: fysieke gezondheid, erfelijke kwetsbaarheden.
- Psychologisch: in je hoofd/ geest. Zelfbeeld, sociale vaardigheden. Omgang problemen en
stress (copingmechanisme)
Ze beïnvloeden elkaar en overlappen elkaar. Omgang met dingen die niet zo goed gaan behoort ook
tot positieve gezondheid.
,
, Bijeenkomst 2
Jean Piaget gaat uit van het formeel- operationele fase deze begint in de puberteit doordat het
abstract denken wordt ontwikkeld. De laatste fase vanuit de theorie. Abstract denken is niet tastbare
dingen waarnemen. Concepten de je niet kan zien en vastpakken. Hierdoor begint een puber
problemen te overdenken. Stadia van Piaget:
Transitionele stadium: meer geven-en-nemen interacties met andere kinderen, regels kunnen
opgesteld en veranderd worden door een groep, kinderen beginnen autonomer te worden.
Stadium van autonome moraliteit: rond de leeftijd van 11, 12 jaar. Niet meer blindelings volgen
van autoriteiten als basis van morele beslissingen. Regels over sociale overeenstemmigheid
kunnen veranderd worden. Eerlijkheid en gelijkheid belangrijke criteria voor regels. Straf moet bij
daad passen.
De kwaliteit van sociale interactie lijkt belangrijker dan de kwantiteit.
De pijler mentaal welbevinden behoort bij het vak psychologie door de gevoelens en het vertrouwen
hebben in jezelf.
De seksuele oriëntatie begint tijdens de puberteit duidelijk te worden. Hiermee wordt bedoeld de
richting van iemands seksuele belangstelling.
De frontaalkwabben zijn betrokken bij sociale en emotionele gedragingen net als bij rationeel denken
en oordelen. In de puberteit zijn deze nog niet volledige ontwikkeld. De communicatie tussen
hersendelen is nog niet goed ontwikkeld. De pre fronatale cortex is het controlecentrum en daar
worden de impulsen onderdrukt. Ze zijn gevoelig voor het beloningsgebied en het hormoongebied is
overactief.
De hormonen stimuleren hersendelen waar emoties inzitten. Ze stimuleren ook het beloningsgebied
(korte termijn op zoek naar iets wat je een positief gevoel geeft.) controlecentrum is nog niet goed
ontwikkeld hierdoor vertonen jongeren risicovol gedrag. Hersenen ontwikkelen zich van achter naar
voren. Cognitief= denkprocessen, waarnemen, taal en concentratie.
Via de amygdala wordt de informatie verwerkt daardoor zijn de reacties vaak emotioneler. Hierdoor
gaan ze experimenteren en daar is moed voor nodig. Doordat de capaciteit van de neurale
verbindingen afneemt wordt een puber steeds minder goed in het leren van compleet nieuwe
dingen.
Er vindt een synaptisch snoeiproces plaats waardoor de hersendelen worden gekortwiekt die niet
adequaat gestimuleerd zijn. Het positieve is dat andere regio’s van de hersenen zich beter
ontwikkelen. Als het snoeiproces uit de hand loopt kunnen belangrijke verbindingen verloren gaan
en ontstaan er gedragsproblemen.
De puber krijgt meer bewegingsvrijheid en krijgt een sterke behoefte aan acceptatie van
leeftijdsgenoten. Identiteit volgens de theorie van erikson is het gevoel dat iemand heeft over wie hij
is: een coherent zelf. Dit is het belangrijkste doel van de puberteit.
De kans op een rustige adolescentie is het grootst voor ouders die openstaan voor de behoeften van
hun tieners, maar tegelijkertijd duidelijke grenzen stellen.
Bijeenkomst 1
Psychologie is de studie van gedrag en ontwikkeling van mensen. De wetenschap van gedrag en
mentale processen. Gezondheid is hoe je in het leven staat. Gelukkig en gezond of niet? Erik Erikson
belangrijke psycholoog. Tijdens de identiteitscrisis in de puberteit wordt de identiteit ontwikkeld.
Vroege volwassenheid komt door het verkrijgen van intimiteit en het aangaan van een volledige
relatie.
Temperament is de stabiele manier waarop een individu reageert op situaties en externe stimulans.
Het is de basis aanleg voor de persoonlijkheid. Dit is bij de geboorte aanwezig. Door socialisatie leer
je omgaan met mensen.
- Autoritaire opvoeding: gehoorzaamheid, straffen, weinig discussie.
- Permissieve opvoeding: weinig regels, kinderen mogen zelf beslissen, zorgzaam,
communicatief.
- Autoritatieve opvoeding: hoge verwachtingen, warmte en respect voor de opvatting van een
kind.
- Onverschillige opvoeding: onverschilligheid of afwijzing. Soms verwaarlozing/ mishandeling.
Autonomie vermogen om onafhankelijk te handelen. Vlijt is een eriksons term voor het gevoel van
zelfvertrouwen. Overgangsritueel dat de overgang tussen 2 ontwikkelingsstadia markeert. Menarche
is de eerste menstruatie. Lichaamsbeeld de gevoelens over de eigen lichamelijke verschijning.
Het biopsychosociaal model om naar mensen te kijken en klachten in kaart te brengen.
- Sociaal: omgeving, werk, school, vrienden.
- Biologisch: fysieke gezondheid, erfelijke kwetsbaarheden.
- Psychologisch: in je hoofd/ geest. Zelfbeeld, sociale vaardigheden. Omgang problemen en
stress (copingmechanisme)
Ze beïnvloeden elkaar en overlappen elkaar. Omgang met dingen die niet zo goed gaan behoort ook
tot positieve gezondheid.
,
, Bijeenkomst 2
Jean Piaget gaat uit van het formeel- operationele fase deze begint in de puberteit doordat het
abstract denken wordt ontwikkeld. De laatste fase vanuit de theorie. Abstract denken is niet tastbare
dingen waarnemen. Concepten de je niet kan zien en vastpakken. Hierdoor begint een puber
problemen te overdenken. Stadia van Piaget:
Transitionele stadium: meer geven-en-nemen interacties met andere kinderen, regels kunnen
opgesteld en veranderd worden door een groep, kinderen beginnen autonomer te worden.
Stadium van autonome moraliteit: rond de leeftijd van 11, 12 jaar. Niet meer blindelings volgen
van autoriteiten als basis van morele beslissingen. Regels over sociale overeenstemmigheid
kunnen veranderd worden. Eerlijkheid en gelijkheid belangrijke criteria voor regels. Straf moet bij
daad passen.
De kwaliteit van sociale interactie lijkt belangrijker dan de kwantiteit.
De pijler mentaal welbevinden behoort bij het vak psychologie door de gevoelens en het vertrouwen
hebben in jezelf.
De seksuele oriëntatie begint tijdens de puberteit duidelijk te worden. Hiermee wordt bedoeld de
richting van iemands seksuele belangstelling.
De frontaalkwabben zijn betrokken bij sociale en emotionele gedragingen net als bij rationeel denken
en oordelen. In de puberteit zijn deze nog niet volledige ontwikkeld. De communicatie tussen
hersendelen is nog niet goed ontwikkeld. De pre fronatale cortex is het controlecentrum en daar
worden de impulsen onderdrukt. Ze zijn gevoelig voor het beloningsgebied en het hormoongebied is
overactief.
De hormonen stimuleren hersendelen waar emoties inzitten. Ze stimuleren ook het beloningsgebied
(korte termijn op zoek naar iets wat je een positief gevoel geeft.) controlecentrum is nog niet goed
ontwikkeld hierdoor vertonen jongeren risicovol gedrag. Hersenen ontwikkelen zich van achter naar
voren. Cognitief= denkprocessen, waarnemen, taal en concentratie.
Via de amygdala wordt de informatie verwerkt daardoor zijn de reacties vaak emotioneler. Hierdoor
gaan ze experimenteren en daar is moed voor nodig. Doordat de capaciteit van de neurale
verbindingen afneemt wordt een puber steeds minder goed in het leren van compleet nieuwe
dingen.
Er vindt een synaptisch snoeiproces plaats waardoor de hersendelen worden gekortwiekt die niet
adequaat gestimuleerd zijn. Het positieve is dat andere regio’s van de hersenen zich beter
ontwikkelen. Als het snoeiproces uit de hand loopt kunnen belangrijke verbindingen verloren gaan
en ontstaan er gedragsproblemen.
De puber krijgt meer bewegingsvrijheid en krijgt een sterke behoefte aan acceptatie van
leeftijdsgenoten. Identiteit volgens de theorie van erikson is het gevoel dat iemand heeft over wie hij
is: een coherent zelf. Dit is het belangrijkste doel van de puberteit.
De kans op een rustige adolescentie is het grootst voor ouders die openstaan voor de behoeften van
hun tieners, maar tegelijkertijd duidelijke grenzen stellen.