1. Welke stelling over de internationale rechtsorde is juist?
Stelling I: Men spreekt van een horizontale rechtsorde, omdat er geen sprake is van een
centrale wereld wetgever of centraal gezag dat het recht kan afdwingen.
Stelling II: Men spreekt van een horizontale rechtsorde, omdat rechterlijke beslissingen van
internationale gerechtshoven niet feitelijk afdwingbaar zijn.
a. Alleen stelling I is juist.
b. Alleen stelling II is juist.
c. Beide stellingen zijn juist.
d. Beide stellingen zijn onjuist.
2. Welk van de onderstaande stellingen weergeeft de werking van het beginsel van
soevereiniteit in de internationale rechtsorde?
a. Dat staten zelfstandig bevoegd zijn om eigen beslissingen te nemen.
b. Dat een staat mag kiezen welke verplichtingen van internationaal recht die navolgt.
c. Dat staten formeel gelijk zijn.
d. Geen van de antwoorden is juist
3. Rechtsbronnen van het internationaal recht. Geef aan of er in de onderstaande gevallen
sprake is van een internationale rechtsbron en zo ja welke. Motiveer je antwoord.
a) Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
b) Een koopovereenkomst tussen een Marokkaanse multinational en een Nederlandse
onderneming.
c) Een verordening van de Europese Unie.
d) Wet in formele zin.
4. Wat betekent het begrip erga omnes?
a. Een regel van dwingend recht, waarvan staten van mening zijn dat er niet van mag
worden afgeweken.
b. De overtuiging van staten om een regel toe te passen, omdat ze dit behoren te doen.
c. Een feitelijke handeling of rechtshandeling die gericht is op een bepaald rechtsgevolg.
d. Een verplichting die een staat heeft tegenover alle andere staten
Stelling I: Men spreekt van een horizontale rechtsorde, omdat er geen sprake is van een
centrale wereld wetgever of centraal gezag dat het recht kan afdwingen.
Stelling II: Men spreekt van een horizontale rechtsorde, omdat rechterlijke beslissingen van
internationale gerechtshoven niet feitelijk afdwingbaar zijn.
a. Alleen stelling I is juist.
b. Alleen stelling II is juist.
c. Beide stellingen zijn juist.
d. Beide stellingen zijn onjuist.
2. Welk van de onderstaande stellingen weergeeft de werking van het beginsel van
soevereiniteit in de internationale rechtsorde?
a. Dat staten zelfstandig bevoegd zijn om eigen beslissingen te nemen.
b. Dat een staat mag kiezen welke verplichtingen van internationaal recht die navolgt.
c. Dat staten formeel gelijk zijn.
d. Geen van de antwoorden is juist
3. Rechtsbronnen van het internationaal recht. Geef aan of er in de onderstaande gevallen
sprake is van een internationale rechtsbron en zo ja welke. Motiveer je antwoord.
a) Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
b) Een koopovereenkomst tussen een Marokkaanse multinational en een Nederlandse
onderneming.
c) Een verordening van de Europese Unie.
d) Wet in formele zin.
4. Wat betekent het begrip erga omnes?
a. Een regel van dwingend recht, waarvan staten van mening zijn dat er niet van mag
worden afgeweken.
b. De overtuiging van staten om een regel toe te passen, omdat ze dit behoren te doen.
c. Een feitelijke handeling of rechtshandeling die gericht is op een bepaald rechtsgevolg.
d. Een verplichting die een staat heeft tegenover alle andere staten