1.1.3 Systemen van taal
Taal kun je zien als een systeem dat is opgebouwd uit verschillende lagen.
In dit systeem worden van klein naar groot onderscheiden:
- Fonologie
- Morfologie
- Syntaxis
- Teksten
Fonologie
Kleinste taaleenheid is het foneem
- Spraakklank
- 40 soorten
- Zijn te onderscheiden in:
o Klinkers (vocalen)
o Tweeklanken (diftongen)
o Medeklinkers (consonanten)
- Bij klinkers en tweetallen trillen de stembanden
- De klinkers:
o a, e, ee, ie, oo, uu, aa, ee, i, o , i, eu, eu, oe
- De tweeklanken:
o Op één ononderbroken adem
o Ei, aai, oei, eeu, ui, ooi, ou, ieu
- Medeklinkers kunnen stemhebbend of stemloos zijn:
o Bilabialen
Deze worden met de lippen gevormd
P, b, m, w
o Labiodentalen
Met onderlip en boventanden
F, v
o Dentalen
Met tongpunt en bovenste tandvlees
T, d, s, z, l, r, n
o Palatalen
Met tongblad en harde gehemelte
Tj, kj, sj, zj, j, nj
o Vertalen
Met tongblad en grens van harde/zachte gehemelte
K, ch, g, ng
- Er zijn:
o Explosieve medeklinkers
Je kunt de klank niet lang aanhouden
T, d, p, b, k
o Neusklanken
Kunnen langer aangehouden worden
M, n, ng
o Glijders
Staan gelijk aan neusklanken
W, f, v, s, z, l, ch, g
, o Stemloze glijder
H
De taalgebruiker kan spraakklanken herkennen en gebruiken.
Morfologie
1. Woordsoorten
o Taalkundige ontleding
o 10 soorten:
Zelfstandig naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Telwoord
Werkwoord
Voornaamwoord
Bijwoord
Voegwoord
Voorzetsel
Lidwoord
Tussenwerpsel
1. Morfemen
o Woord bestaat uit morfemen
o Kleinste betekenisdragende delen van taal
o Woord heeft minstens één morfeem
Vrije morfemen
Kan gecombineerd worden met andere
morfemen
Gebonden morfemen
Woorddelen die niet zelfstandig als woord
kunnen voorkomen
1. Samenstelling
o Een samenstelling is een woord dat bestaat uit delen die ook
zelf als woord kunnen voorkomen
o Vele vormen:
Met een ww als tweede lid
Opzoeken/overhalen
Met een zelfstandig naamwoord als tweede lid
Kersenpit/voordeur
Met een bijvoeglijk naamwoord als tweede lid
Ijskoud/doofstom
Met een bijwoord als tweede lid
Daarmee
1. Afleidingen
o Zijn woorden die bestaan uit een woord met een affix
(aanplaksel)
Ervoor = voorvoegsel
Berijden, herleiden, verkleden, oergrapppig
Erachter = achtervoegsel
Schrijver, mensdom, scholier, kindje
1. Uitgangen
o Heeft met het achtervoegsel gemeen dat het achter aan het
woord wordt vastgeplakt
, o Staat er als manifestatie van het nederlandse verbuigings- en
vervoeginssysteem
o Werkwoorden > vervoegd
o Naamwoorden > verbogen
- Vervoeging van werkwoorden
o Regelmatige werkwoorden (zwakke)
o Onregelmatige werkwoorden (sterke)
o Voor het vervoegen gaan we uit van de stam van het
werkwoord
- Verbogen naamwoorden
o Zelfstandig naamwoord in het meervoud zetten
o Door middel van de uitspraak kan er een dubbele medeklinker
komen
Hek/hekken
Syntaxis
- Taal bestaat altijd uit zinnen
- Er zijn zinnnen die uit één woord bestaan
- Meestal zit er in ieder geval een onderwerp en een gezegde in een
zin
- Redekundige ontleding
5.3.2 Spellingpatron en meerlettergrepige woorden
Als leerlingen de elementaire leeshandeling onder de knie hebben, staat de weg
open om steeds moeilijker, ook niet-klankzuivere woorden te lezen.
Nadruk ligt bij het aanleren op spellingpatronen:
- Delen van woorden die steeds het hetzelfde geschreven en
uitgesproken worden en regelmatig voorkomen, maar die anders
geschreven worden dan ze klinken
o Vermoeid / foei / sproei
Telkens ‘oei’
Je ziet ‘oei’, maar je zegt ‘oej’
- Spellingpatronen kunnen worden samengevoegd als er eenzelfde
denkregel aan ten grondslag ligt
o Aai, ooi en oei
Je ziet een ‘i’, maar je zegt een’j’
De instructie verloopt hetzelfde als bij klankzuivere woorden
- Voordoen
- Uitleggen
- Laten oefenen
Kinderen moeten leren de spellingpatronen te onderscheiden
- Leren nadrukkelijk naar de woordvorming te kijken
- Aanbieden van geisoleerde spellingpatronen die vervolgens in
woorden en teksten terugkomen
- Herhaling en oefening
Leren herkennen:
- Verzameling van dezelfde patronen
- Patronen een kleur geven