H8 Evolutie
1 Oorsprong van het leven
Fossielen > restanten van vroeger levende organismen.
Cuvier ontdekte dat fossielen afkomstig uit verschillende afzettingslagen niet lijken
op op de levende organismen in het gebied.
Catastrofetheorie > dieren verdwenen door natuurrampen.
Evolutietheorie > verklaard hoe soorten veranderen en nieuwe soorten ontstaan.
- Genesis > het scheppingsverhaal, uit het eerste testament
- Van Lamarck > organismen verwerven in hun leven nieuwe eigenschappen
als aanpassing aan hun omgeving (fossielen uit verschillende afzettingslagen
toonde overeenkomsten). Hij dacht dat deze eigenschappen doorgegeven
werden maar tegenwoordig weten we dat dit niet kan.
- Van Darwin > de drijvende kracht achter evolutie is selectiedruk. De sterkste
overleven dit komt door bepaalde eigenschappen. Dus bepaalde
eigenschappen worden doorgegeven aan de nakomelingen, waar zij er veel
van krijgen, want ze hebben voordeel tegenover de individuen die deze
eigenschappen niet hebben!
De erfelijks wetten van Mendel > recombinatie van allelen en mutaties in het DNA
leiden tot variaties in erfelijke eigenschappen.
Neodarwinistische theorie > het ontstaan van de soorten, gecombineerd met de
erfelijkheidsleer van Gregor Mendel (Mendelse genetica) en de populatiegenetica.
Gaat uit van genetische variatie, natuurlijke selectie en soortvorming door
reproductie isolatie.
← evolutie van de vinken galapagos eilanden
2 Ontstaan van nieuwe soorten
Natuurlijke selectie > individuen met de gunstigste genotype voor in de omgeving
een grotere overlevings en voortplantings kans hebben en dus ook in de
meerderheid zullen zijn:
- Struggle for life > dagelijkse strijd om te overleven. Omgeving oefent
selectiedruk uit. Degene met meest gunstige eigenschappen hebben minder
moeite met overleven.
- Survival of the fittest: natuurlijke selectie; alleen de best aangepaste (fittest)
overleven en krijgen de meeste nakomelingen.
Gunstige eigenschappen → meer overlevingskans → veel nakomelingen krijgen
(Geen aanpassingen maar selectieprocessen!)
, Allopatrische soortvorming > barrière splitst populatie in
tweeën→ in beide populaties komen mutaties→
eigenschappen veranderen→ barrière opheffen→ herkennen
elkaar niet meer als soortgenoten of kunnen geen vruchtbare
nakomelingen meer maken. (soort is dus gesplitst)
Sympatrische soortvorming > soortvorming
zonder barrière, in hetzelfde gebied
Seksuele selectie > de vrouwtjes kiezen selectief
een mannetje op basis van eigenschappen
Kunstmatige selectie > mens selecteert op gewenste eigenschappen.
(Fokken of kweken).
Vb. Berkenspanners
(een nachtvlinder) kent lichte en donkere varianten (beide zijn afgebeeld).
In 1850 zijn donkere varianten zeldzaam in Engeland.
Ze rusten overdag op (witte) berkenbomen, waar vogels ze eerder opeten dan de
lichte berkenspanners.
Toename van industriële vervuiling maakt de boombast donkerder.
Lichte berkenspanners zijn daardoor een makkelijker prooi voor vogels.
Het aandeel van donkere berkenspanners in de populatie neemt toe!
1 Oorsprong van het leven
Fossielen > restanten van vroeger levende organismen.
Cuvier ontdekte dat fossielen afkomstig uit verschillende afzettingslagen niet lijken
op op de levende organismen in het gebied.
Catastrofetheorie > dieren verdwenen door natuurrampen.
Evolutietheorie > verklaard hoe soorten veranderen en nieuwe soorten ontstaan.
- Genesis > het scheppingsverhaal, uit het eerste testament
- Van Lamarck > organismen verwerven in hun leven nieuwe eigenschappen
als aanpassing aan hun omgeving (fossielen uit verschillende afzettingslagen
toonde overeenkomsten). Hij dacht dat deze eigenschappen doorgegeven
werden maar tegenwoordig weten we dat dit niet kan.
- Van Darwin > de drijvende kracht achter evolutie is selectiedruk. De sterkste
overleven dit komt door bepaalde eigenschappen. Dus bepaalde
eigenschappen worden doorgegeven aan de nakomelingen, waar zij er veel
van krijgen, want ze hebben voordeel tegenover de individuen die deze
eigenschappen niet hebben!
De erfelijks wetten van Mendel > recombinatie van allelen en mutaties in het DNA
leiden tot variaties in erfelijke eigenschappen.
Neodarwinistische theorie > het ontstaan van de soorten, gecombineerd met de
erfelijkheidsleer van Gregor Mendel (Mendelse genetica) en de populatiegenetica.
Gaat uit van genetische variatie, natuurlijke selectie en soortvorming door
reproductie isolatie.
← evolutie van de vinken galapagos eilanden
2 Ontstaan van nieuwe soorten
Natuurlijke selectie > individuen met de gunstigste genotype voor in de omgeving
een grotere overlevings en voortplantings kans hebben en dus ook in de
meerderheid zullen zijn:
- Struggle for life > dagelijkse strijd om te overleven. Omgeving oefent
selectiedruk uit. Degene met meest gunstige eigenschappen hebben minder
moeite met overleven.
- Survival of the fittest: natuurlijke selectie; alleen de best aangepaste (fittest)
overleven en krijgen de meeste nakomelingen.
Gunstige eigenschappen → meer overlevingskans → veel nakomelingen krijgen
(Geen aanpassingen maar selectieprocessen!)
, Allopatrische soortvorming > barrière splitst populatie in
tweeën→ in beide populaties komen mutaties→
eigenschappen veranderen→ barrière opheffen→ herkennen
elkaar niet meer als soortgenoten of kunnen geen vruchtbare
nakomelingen meer maken. (soort is dus gesplitst)
Sympatrische soortvorming > soortvorming
zonder barrière, in hetzelfde gebied
Seksuele selectie > de vrouwtjes kiezen selectief
een mannetje op basis van eigenschappen
Kunstmatige selectie > mens selecteert op gewenste eigenschappen.
(Fokken of kweken).
Vb. Berkenspanners
(een nachtvlinder) kent lichte en donkere varianten (beide zijn afgebeeld).
In 1850 zijn donkere varianten zeldzaam in Engeland.
Ze rusten overdag op (witte) berkenbomen, waar vogels ze eerder opeten dan de
lichte berkenspanners.
Toename van industriële vervuiling maakt de boombast donkerder.
Lichte berkenspanners zijn daardoor een makkelijker prooi voor vogels.
Het aandeel van donkere berkenspanners in de populatie neemt toe!