BEHANDELEN 7
Inhoud
inleiding neuropsychologische functiestoornissen (npfs).........................................................................................2
afasie.........................................................................................................................................................................2
agnosie......................................................................................................................................................................4
apraxie.......................................................................................................................................................................6
Amnesie.....................................................................................................................................................................7
Neglect/hemianopsie................................................................................................................................................9
executieve (FUNCTIE)stoornissen...........................................................................................................................10
LOKALISATIE OVERZICHT.........................................................................................................................................11
A-SPECIFIEKE STOORNISSEN NA CVA......................................................................................................................12
vh1: arm-hand vaardigheid.....................................................................................................................................13
VH 2 loopvaardigheid/ROMPSTABILITEIT...............................................................................................................15
polyneuropathie......................................................................................................................................................16
wat zijn spierziekten?..........................................................................................................................................16
Functionele consequenties van een spierziekte:............................................................................................16
wat is een polyneuropathie? – CIAP en DM........................................................................................................17
DIAGNOSTIEK...................................................................................................................................................18
POLYNEUROPATHIE BIJ DM.............................................................................................................................18
CIAP.................................................................................................................................................................18
PROBLEMEN ZORGVERLENERS PNP................................................................................................................18
KLINIMETRIE........................................................................................................................................................19
behandeling.........................................................................................................................................................20
,INLEIDING NEUROPSYCHOLOGISCHE FUNCTIESTOORNISSEN (NPFS)
Neuropsychologie: de relatie tussen (functioneren van) de hersenen en ons gedrag. Dit
is een richting binnen de psychologie die zich bezighoudt met de functies van de
hersenen en de relatie daarvan met het gedrag en het functioneren in het dagelijks
leven. Neuropsychologische gevolgen van hersenletsel kunnen zich voordoen in de
domeinen emotie en gedrag.
In het brein zitten gebieden die te maken hebben met gedrag, cognitie en emoties. Op
het moment dat er een trauma optreedt in deze domeinen van het brein, leidt dit tot
neuropsychologische functiestoornissen. Deze functiestoornissen kan je indelen in
bottum-up en top-down:
- Bottum-up = handelen vaardigheden neuropsychologische functie (NPF)
- Top-down = neuropsychologische functistoornissen (NPF) mogelijke gevolgen in
vaardigheden
Stoornissen bij neuropsychologische revalidatie:
1. Taalstoornissen
2. Apraxie
3. Geheugenstoornissen
4. Stoornissen in aandacht en snelheid van informatieverwerking
5. Neglect
6. Executieve functiestoornissen (plannen)
7. Vermoeidheid en verminderde belastbaarheid
8. Hemianopsie
9. Verminderd ziekte inzicht en ziekte besef
10. Stoornissen in sociale cognitie
11. Stemmingsproblemen
12. Gedragsproblemen
AFASIE
Afasie: een stoornis in het produceren en begrijpen van gesproken en geschreven taal
als gevolg van een meestal eenzijdig gelokaliseerde hersenleasie bij personen die een
normale taalontwikkeling hebben gehad (=taalstoornis). Een afasie zie je vaak bij
mensen die een CVA hebben gehad.
Taal- en taalstoornissen: doel van taal is communicatie. Hierbij probeer je informatie
over te brengen van de ene persoon naar de andere persoon. Er zijn veel bouwstenen
van taal:
- Fenomen/grafemen; kleinste klankeenheden
- Lexicon; woordenschat
- Semantiek; betekenis van woorden
- Syntaxix; ordening van woorden
- Segmentatie; in staat om de woorden in een reeks van zinnen te herkennen
- Grammatica; regels
2
, Wanneer je een afasie hebt, heb je moeite met een van deze bouwstenen van de taal.
Dit noemen we een parafasie/parafasiëen. De meest voorkomende problemen bij de
bouwstenen zijn:
- Fonematisch/fonetisch: op klankniveau (ipv stoel, bijv. boel)
- Semantisch: binnen betekenisgroep (ipv stoel, bijv. bank)
- Neologisme: nieuw woord (ipv stoel, bijv. fieto)
Vormen van afasie:
Afasie van Wernicke vloeiend praten maar geen begrip en geen
herhaling/naspreken
Afasie van Broca niet vloeiend praten, maar wel begrip en geen
herhaling/naspreken
Globale afasie niet vloeiend praten, geen begrip en geen
herhaling/naspreken
Bij een afasie treden vaak vormen van geautomatiseerd
taalgebruik op:
- Recurring utterance; zinloze aaneenrijging van klanken (bijv. poppoppoppop)
- Stereotiep; vaak voorkomende uitingen die communicatief passend zijn (bijv.
nou zeg/mijn god)
- Taalautomatismen; steeds gebruikte uitingen die niet passend zijn (bijv. dat
weet ik niet/finaal van de regering)
- Echolalie; herhaling van wat gesprekspartner zegt
- Perseveratie; patiënt blijft hangen op een bepaald woord
Omgaan met afasie: bij afasie als gevolg van een CVA in de acute fase vroegtijdige
cognitief linguistische therapie geen invloed op de kwaliteit van verbale communicatie.
Beter is aandacht besteden aan optimaliseren van communicatie tussen patiënt en
omgeving.
Er zijn aanwijzingen dat semantische en fonologische therapie een therapie specifiek
effect kan hebben op de verbale communicatie (impliciet leren – externe focus)
Cognitief linguistische therapie kan, als volgens een bepaald concept gegeven, het
genereren van woorden faciliteren
Omgangsadviezen met do’s en don’ts (stel vooral gesloten vragen)
Ga nooit mee met wat de patiënt zegt/doet, als je het niet snapt
3
, AGNOSIE
Gnosis: herkennen en begrijpen van de prikkels om ons heen. Hierbij horen: horen,
zien, voelen, reuk en smaak. Stimulus identificatie is belangrijk voor onze motoriek.
Agnosie: een stoornis van de herkenning bij intacte primaire sensorische functie. De
prikkel wordt niet herkend, maar mensen kunnen wel zien, horen of voelen.
Model:
Alle prikkels komen samen in de
tertiaire schors. Hier wordt de situatie
herkend en hier wordt vaak het
besluit genomen.
Bij agnosie worden de prikkels wel
waargenomen op de primaire schors
(zien, horen en voelen), maar worden
de prikkels niet herkend op de
secundaire schors.
Soorten agnosie:
- Visueel: niet herkennen van kleur, vorm, associatie, visueel-ruimtelijk
(=oriëntatie), simultaan (=patiënten herkent het geheel niet)
- Akoestisch/auditief: niet herkennen van geluid, klanken, akoestische lokalisatie,
intonatie
- Tactiel: niet herkennen van texturen, vorm, associatie
- Somatoagnosie: problemen met het lichaamsschema
- Spatieël: patiënten hebben moeite met ruimtelijke oriëntatie, mentale voorstelling
Therapie:
Trainen van modaliteit Strategietraining
Leer een voorwerp of afbeelding Een opgeruimde en overzichtelijke
herkennen door systematisch, detail voor situatie, veel herhalen en routines
detail redeneren inbouwen, gebruik andere zintuigelijke
informatie (geur, geluid, aanraking, vorm
etc.), neem taak niet over tenzij situatie
onveilig is, wees geduldig, taken kunnen
langer duren
Fysiotherapie: agnosie heeft vaak gevolgen voor het bewegen functionerend van de
patiënt. Als fysiotherapeut kun je dan door middel van strategietraining routes inprenten
of leren om bij ieder kruispunt stil te staan etc. Door veel herhaling en stap voor stap
trainen ga je trainen om routes te kunnen lopen. Inzetten van technologie is ook
mogelijk (google maps etc.).
4
Inhoud
inleiding neuropsychologische functiestoornissen (npfs).........................................................................................2
afasie.........................................................................................................................................................................2
agnosie......................................................................................................................................................................4
apraxie.......................................................................................................................................................................6
Amnesie.....................................................................................................................................................................7
Neglect/hemianopsie................................................................................................................................................9
executieve (FUNCTIE)stoornissen...........................................................................................................................10
LOKALISATIE OVERZICHT.........................................................................................................................................11
A-SPECIFIEKE STOORNISSEN NA CVA......................................................................................................................12
vh1: arm-hand vaardigheid.....................................................................................................................................13
VH 2 loopvaardigheid/ROMPSTABILITEIT...............................................................................................................15
polyneuropathie......................................................................................................................................................16
wat zijn spierziekten?..........................................................................................................................................16
Functionele consequenties van een spierziekte:............................................................................................16
wat is een polyneuropathie? – CIAP en DM........................................................................................................17
DIAGNOSTIEK...................................................................................................................................................18
POLYNEUROPATHIE BIJ DM.............................................................................................................................18
CIAP.................................................................................................................................................................18
PROBLEMEN ZORGVERLENERS PNP................................................................................................................18
KLINIMETRIE........................................................................................................................................................19
behandeling.........................................................................................................................................................20
,INLEIDING NEUROPSYCHOLOGISCHE FUNCTIESTOORNISSEN (NPFS)
Neuropsychologie: de relatie tussen (functioneren van) de hersenen en ons gedrag. Dit
is een richting binnen de psychologie die zich bezighoudt met de functies van de
hersenen en de relatie daarvan met het gedrag en het functioneren in het dagelijks
leven. Neuropsychologische gevolgen van hersenletsel kunnen zich voordoen in de
domeinen emotie en gedrag.
In het brein zitten gebieden die te maken hebben met gedrag, cognitie en emoties. Op
het moment dat er een trauma optreedt in deze domeinen van het brein, leidt dit tot
neuropsychologische functiestoornissen. Deze functiestoornissen kan je indelen in
bottum-up en top-down:
- Bottum-up = handelen vaardigheden neuropsychologische functie (NPF)
- Top-down = neuropsychologische functistoornissen (NPF) mogelijke gevolgen in
vaardigheden
Stoornissen bij neuropsychologische revalidatie:
1. Taalstoornissen
2. Apraxie
3. Geheugenstoornissen
4. Stoornissen in aandacht en snelheid van informatieverwerking
5. Neglect
6. Executieve functiestoornissen (plannen)
7. Vermoeidheid en verminderde belastbaarheid
8. Hemianopsie
9. Verminderd ziekte inzicht en ziekte besef
10. Stoornissen in sociale cognitie
11. Stemmingsproblemen
12. Gedragsproblemen
AFASIE
Afasie: een stoornis in het produceren en begrijpen van gesproken en geschreven taal
als gevolg van een meestal eenzijdig gelokaliseerde hersenleasie bij personen die een
normale taalontwikkeling hebben gehad (=taalstoornis). Een afasie zie je vaak bij
mensen die een CVA hebben gehad.
Taal- en taalstoornissen: doel van taal is communicatie. Hierbij probeer je informatie
over te brengen van de ene persoon naar de andere persoon. Er zijn veel bouwstenen
van taal:
- Fenomen/grafemen; kleinste klankeenheden
- Lexicon; woordenschat
- Semantiek; betekenis van woorden
- Syntaxix; ordening van woorden
- Segmentatie; in staat om de woorden in een reeks van zinnen te herkennen
- Grammatica; regels
2
, Wanneer je een afasie hebt, heb je moeite met een van deze bouwstenen van de taal.
Dit noemen we een parafasie/parafasiëen. De meest voorkomende problemen bij de
bouwstenen zijn:
- Fonematisch/fonetisch: op klankniveau (ipv stoel, bijv. boel)
- Semantisch: binnen betekenisgroep (ipv stoel, bijv. bank)
- Neologisme: nieuw woord (ipv stoel, bijv. fieto)
Vormen van afasie:
Afasie van Wernicke vloeiend praten maar geen begrip en geen
herhaling/naspreken
Afasie van Broca niet vloeiend praten, maar wel begrip en geen
herhaling/naspreken
Globale afasie niet vloeiend praten, geen begrip en geen
herhaling/naspreken
Bij een afasie treden vaak vormen van geautomatiseerd
taalgebruik op:
- Recurring utterance; zinloze aaneenrijging van klanken (bijv. poppoppoppop)
- Stereotiep; vaak voorkomende uitingen die communicatief passend zijn (bijv.
nou zeg/mijn god)
- Taalautomatismen; steeds gebruikte uitingen die niet passend zijn (bijv. dat
weet ik niet/finaal van de regering)
- Echolalie; herhaling van wat gesprekspartner zegt
- Perseveratie; patiënt blijft hangen op een bepaald woord
Omgaan met afasie: bij afasie als gevolg van een CVA in de acute fase vroegtijdige
cognitief linguistische therapie geen invloed op de kwaliteit van verbale communicatie.
Beter is aandacht besteden aan optimaliseren van communicatie tussen patiënt en
omgeving.
Er zijn aanwijzingen dat semantische en fonologische therapie een therapie specifiek
effect kan hebben op de verbale communicatie (impliciet leren – externe focus)
Cognitief linguistische therapie kan, als volgens een bepaald concept gegeven, het
genereren van woorden faciliteren
Omgangsadviezen met do’s en don’ts (stel vooral gesloten vragen)
Ga nooit mee met wat de patiënt zegt/doet, als je het niet snapt
3
, AGNOSIE
Gnosis: herkennen en begrijpen van de prikkels om ons heen. Hierbij horen: horen,
zien, voelen, reuk en smaak. Stimulus identificatie is belangrijk voor onze motoriek.
Agnosie: een stoornis van de herkenning bij intacte primaire sensorische functie. De
prikkel wordt niet herkend, maar mensen kunnen wel zien, horen of voelen.
Model:
Alle prikkels komen samen in de
tertiaire schors. Hier wordt de situatie
herkend en hier wordt vaak het
besluit genomen.
Bij agnosie worden de prikkels wel
waargenomen op de primaire schors
(zien, horen en voelen), maar worden
de prikkels niet herkend op de
secundaire schors.
Soorten agnosie:
- Visueel: niet herkennen van kleur, vorm, associatie, visueel-ruimtelijk
(=oriëntatie), simultaan (=patiënten herkent het geheel niet)
- Akoestisch/auditief: niet herkennen van geluid, klanken, akoestische lokalisatie,
intonatie
- Tactiel: niet herkennen van texturen, vorm, associatie
- Somatoagnosie: problemen met het lichaamsschema
- Spatieël: patiënten hebben moeite met ruimtelijke oriëntatie, mentale voorstelling
Therapie:
Trainen van modaliteit Strategietraining
Leer een voorwerp of afbeelding Een opgeruimde en overzichtelijke
herkennen door systematisch, detail voor situatie, veel herhalen en routines
detail redeneren inbouwen, gebruik andere zintuigelijke
informatie (geur, geluid, aanraking, vorm
etc.), neem taak niet over tenzij situatie
onveilig is, wees geduldig, taken kunnen
langer duren
Fysiotherapie: agnosie heeft vaak gevolgen voor het bewegen functionerend van de
patiënt. Als fysiotherapeut kun je dan door middel van strategietraining routes inprenten
of leren om bij ieder kruispunt stil te staan etc. Door veel herhaling en stap voor stap
trainen ga je trainen om routes te kunnen lopen. Inzetten van technologie is ook
mogelijk (google maps etc.).
4