Hoorcollege ‘het model van Toulmin’
Kritisch redeneren is de schakel tussen de kennis van verpleegkundigen en de
verpleegkundige praktijk.
Twee vragen staan centraal en moeten altijd worden gesteld:
1. Waar baseer je dat (claim, beleid, diagnose, hypothese, enzovoort) op? komen
met feiten.
2. Wat heeft het antwoord/de feiten op vraag 1 te maken met de claim, beleid, diagnose,
hypothese, enzovoort. (de rechtvaardiging).
Claim: standpunt
Data: gegevens
Warrant: rechtvaardiging (als..dan..)
Als de gegeven en rechtvaardiging kloppen, klopt de claim ook.
Het Toulmin-model bestaat uit een aantal onderdelen die ieder een eigen functie hebben:
- Standpunt of claim: uitspraak die ondersteund wordt door een andere uitspraak. Het
antwoord op de onderzoeksvraag.
- Gegeven: uitspraak gebaseerd op een feitelijk gegeven die het standpunt of de claim
ondersteunt.
- Rechtvaardiging/warrant: uitspraak in als-dan-vorm, die de stap van gegeven naar
standpunt aannemelijk maakt.
- Ondersteuning: uitspraak die de rechtvaardiging ondersteunt en de rechtvaardiging
aannemelijker moet maken. Bronvermelding, onderzoek.
- Krachtaanduider (modale term/kracht): bepaling die aangeeft in welke mate de
conclusie waarschijnlijk is, hoe zeker je bent van de geldigheid van je standpunt.
Via de krachtaanduider geef je aan hoe krachtig het verband is tussen standpunt en gegeven
(waarschijnlijk, ongetwijfeld, zeker). Duidden bepaalde zekerheidsgraad aan, bv. je kunt
geen kilometer verspringen, je kunt die patiënt niet tegen zijn wil laten deelnemen.
- Voorbehoud: uitspraak die een mogelijk tegenargument tegen het standpunt bevat
waarvan de juistheid niet vaststaat, maar dat, indien het juist zou zijn, de conclusie
zou weerleggen. Geeft aan dat welke uitzonderingen op de claim mogelijk zijn.
Rechtvaardiging: niet altijd is alleen een gegeven, een argument, voldoende om een
standpunt te ondersteunen. Daarom wordt de redenering aangevuld met een
rechtvaardiging. ‘Anja schopt het vast ver als verpleegkundige want ze heeft haar opleiding
met cum laude afgesloten.’ De rechtvaardiging luidt bijvoorbeeld: ‘Als je cum laude
afstudeert dan schop je het later ver in waarvoor je bent opgeleid.’
De eventuele uitbreiding van het Toulmin-model. De andere onderdelen hebben als functie
om het gegeven te specificeren en te verdiepen.
, 2
Argumenteren omdat gelijk hebben niet hetzelfde is als gelijk krijgen, om:
- Onderzoeksresultaten te kunnen verdedigen
- Standpunt kunnen verdedigen
- Op tegenwerpingen te kunnen reageren
- Om tegenwerpingen te weerleggen
- Om argumentatie van anderen te kunnen beoordelen
Elke redenering bestaat minimaal uit een claim, één of meer gegevens en een
rechtvaardiging. Het argumentatiemodel van Toulmin kan worden uitgebreid met een
ondersteuning, modale term en voorbehoud. Deze onderdelen hebben een verdiepende en
specificerende functie binnen een redenering.
Een rechtvaardiging waarop geen uitzonderingen bestaan is een absolute regel. De kracht
van een rechtvaardiging wordt minder als er uitzonderingen op die regel bestaan.
Bij regels waarop uitzonderingen bestaan moet een voorbehoud worden gemaakt en de
claim moet dan met een modale term worden afgezwakt.
Hulpmiddel bij formuleren van een te beantwoorden vraag:
Patiëntengroep: klinisch relevante informatie als diagnose (Toulmin- gegeven)
Interventie: therapie (Toulmin- gegeven)
Controle: placebo-effect, standaard (Toulmin- gegeven)
Outcome: eindcriteria voor interventie (Toulmin- claim)
Levels of evidence:
Niveau A: sterk
- Meta-analyses, systematische reviews
- Enkele grote en goede RCT’s
- Toulmin: rechtvaardiging
Niveau B: matig
- Kleinere en minder goede RCT’s
- Toulmin: rechtvaardiging
Niveau C: beperkt
- Ander wetenschappelijk onderzoek
- Toulmin: rechtvaardiging
Niveau D: geen
- Mening van experts
- Toulmin: rechtvaardiging
Poging om de claim te weerleggen is door te laten zien dat de gegevens niet kloppen, de
rechtvaardiging niet opgaat of dat beide niet opgaan.
Aanvallen op de rechtvaardiging kan door te laten zien dat de rechtvaardiging uit de lucht is
gegrepen en geen ondersteuning heeft en door te laten zien dat er uitzonderingen op de als
absoluut gepresenteerde regel bestaan.
Digicollege 1
PICO wordt gebruikt voor de RCT.
Verificatie:
Als hypothese klopt, dan zal bij de outcome eruit komen dat de patiëntengroep met de juiste
interventie een betere uitslag heeft dan de controlegroep.
, 3
H I H (antecedent) I (consequent)
w w w
w o o
o w w
o o w
De implicatie H I is alleen onwaar als er sprake is van een waar antecedent en een
onwaar consequent.
Als HI premisse 1 is, en I premisse 2, dan is H de conclusie.
Als 1 en 2 waar zijn en de conclusie onwaar is, betekent dat de verificatie niet de waarheid
kan garanderen van de conclusie. De positieve uitgevallen RCT heeft geen bewijs geleverd
van de waarheid van de hypothese. De RCT heeft alleen bewezen dat I de hypothese
ondersteund.
Met een verificatie kan je niet bewijzen dat een middel werkt, maar wel dat een middel niet
werkt.
Falsificatie:
Als H klopt wordt dat getoond in de RCT. Wordt het niet getoond in de RCT, dan is er geen
significant verschil tussen uitslag van de interventiegroep en controlegroep en is dus de H
onwaar.
HI H I ¬I ¬H
w w w o o
o w o w o
w o w o w
w o o w w
Uitspraak van elevatie: Als de bevestiging (I) waar is, dan is de ontkenning (¬I) niet
waar v.v.
Als HI de 1e premisse is en ¬I de 2e premisse, dan is ¬H de conclusie. Als de premissen
waar zijn en de conclusie onwaar, dan kan de hypothese niet kloppen. Dit is niet het geval,
oftewel de waarheid van de conclusie is gegarandeerd.
Asymmetrie tussen falsificatie en verificatie: 1 falsificatie weegt zwaarder dan 1000
verificaties. Hierdoor heeft de verificatie geen bewijskracht en een falsificatie wel.
Digicollege 2
Logische distanten:
- Conjunctie (en, ^): een conjunctie is alleen waar als beide proposities (conjuncten)
waar zijn. Logische constante omdat betekenis van ‘en’ niet veranderd, het principe
van Freede.
- (Inclusieve) disjunctie (of, ˅): samengestelde propositie: het heeft twee verschillende
uitspraken. De disjunctie is alleen onwaar als beide disjuncten onwaar zijn, oftewel
een disjunctie is waar als 1 van beide disjuncten waar zijn. (Exclusieve disjunctie:
of P, of Q.)
Uitspraak 1: de patiënt heeft koorts P
Uitspraak 2: de patiënt heeft een ontsteking Q
Personen P Q P^Q P˅Q
1. w w w w
2. w o o w
3. o w o w
4. o o o o
Tweewaardige logica: uitspraak is of waar, of onwaar.