Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1: Denken in termen van nuture ........................................................................................... 2
SAMENVATTING H1 ............................................................................................................................................. 3
Hoofdstuk 2: Leren ............................................................................................................................... 4
SAMENVATTING H2 ............................................................................................................................................. 7
Hoofdstuk 3: Behoeften, doelen en de theorie van het geplande gedrag................................................. 8
SAMENVATTING H3 ........................................................................................................................................... 10
Hoofdstuk 4: Zelfregulatie: wat is dat? ................................................................................................ 11
SAMENVATTING H4 ........................................................................................................................................... 12
Hoofdstuk 5: Zelfregulatie: het proces ................................................................................................. 13
SAMENVATTING H5 ........................................................................................................................................... 14
Hoofdstuk 7: De beïnvloeder............................................................................................................... 15
SAMENVATTING H7 ........................................................................................................................................... 16
Hoofdstuk 8: Het beïnvloeden van gedrag ........................................................................................... 17
SAMENVATTING H8 ........................................................................................................................................... 18
,Hoofdstuk 1: Denken in termen van nuture
Centrale vraag: in hoeverre zijn bepaalde eigenschappen daadwerkelijk beïnvloedbaar?
Nature vs Nuture
Nature = genen
Nuture = opvoeding/ leerprocessen
Mensbeeld = bevat ideeën over hoe je denk dat mensen in elkaar zitten.
Dit beeld heeft consequenties voor de mate waarin je bijv. gelooft dat gedrag beïnvloedbaar is.
Je mensbeeld heeft naast invloed op je gedrag, ook invloed op de vraag in hoeverre jij denkt dat
gedrag beïnvloedbaar is.
Verschil tussen ‘genetisch gedetermineerd’ en ‘genetische predispositie’
- Genetisch gedetermineerd = genen zijn bepalend bij het tot uiting komen van
eigenschappen. De omgeving heeft hier geen of zeer beperkte invloed op.
- Genetische predispositie = iemand heeft aanleg om bijvoorbeeld depressief te worden. Dit
betekent niet dat diegene ook daadwerkelijk depressief wordt; de omgeving heeft hier ook
invloed op.
Er wordt gesproken van predispositie indien een slachtoffer voor een ongeval een
bepaalde kwetsbaarheid of aanleg heeft die hem eerder dan een ander persoon vatbaar
maakt voor het optreden van een bepaalde ziekte of bepaalde klachten.
Impliciete theorieën (onuitgesproken en onbewust):
1. Incremental theory: geloof dat het IQ te ontwikkelen is (aanleren, trainen)
2. Entity theory: geloof dat het IQ vaststaat en dus niet ontwikkeld kan worden (aangeboren)
In hoeverre zijn eigenschappen en gedrag beïnvloedbaar?
1. Lichamelijke kenmerken & prestaties
2. Persoonlijkheid
3. Cognitieve capaciteiten en prestaties
Lichamelijke kenmerken & prestaties
De meeste aspecten zijn niet tot lastig te beïnvloeden
- Onder normale omstandigheden heb je weinig invloed op dergelijke lichamelijk kenmerken
- Lichaamsbouw ligt voor een groot deel in de genen besloten
- Als afwijkingen, stoornissen of ziekten afwezig zijn dan liggen dergelijke kenmerken
grotendeels vast.
Sommige aspecten kun je, ondanks dat ze voor een groot deel genetisch bepaald zijn, weldegelijk
verder ontwikkelen (spieren, haarkleur etc.)
- Hoe je er exact uit zal zien, is wel degelijk afhankelijk van je leefstijl
Persoonlijkheid
‘You have as much choice in some aspects of your personality as you do in the shape of your nose or
the size of your feet’ – Hamer & Copeland
- Temperament kan tot 40 procent worden toegeschreven aan genetische variëteit.
- 60 procent van de individuele verschillen worden toegeschreven aan ‘specifieke
omgevingsvariabelen’ (contact met vrienden, ziekten, ongelukken)
- Persoonlijkheidskenmerken worden voor 50 procent genetisch verklaard, ze worden
beïnvloed door de BIG FIVE:
1. Extraversie de mate waarin je op zoek bent naar actie en andere mensen
2. Neuroticisme wijst op emotionele instabiliteit
, 3. Toegeeflijkheid meegaand
4. Consciëntieusheid eerlijk en betrouwbaar
5. Openheid nieuwsgierig en openstaand voor nieuwe opvattingen
Drie kenmerken persoonlijkheidsstoornis:
1. Afwijken van de populatienorm
2. Inflexibel of star zijn
3. Leiden tot sociale en/of functionele beperkingen
Cognitieve capaciteiten en prestaties
- Het IQ is voor 50 tot 80 procent genetisch bepaald, je intelligentie moet ontwikkeld worden
- Onder normale omstandigheden zijn cognitieve capaciteiten in hoge mate trainbaar
Bij het cognitieve vermogen gaat het over het vermogen van de hersenen iets te kunnen
leren, maar ook om het te onthouden, te onderscheiden en kennis uit te wisselen met
anderen.
SAMENVATTING H1
- Opvattingen zijn doorslaggevend bij de vraag of ontwikkeling en verandering mogelijk is
- Voor gedragsbeïnvloeders is het niet zinvol om in termen van nature (genen) te denken, dit
kan mogelijke verandering blokkeren.
- Iemands persoonlijkheid veranderen is een lang proces met een grote kans op mislukking
- Voor een deel spelen genen altijd een rol, maar zijn het de leerervaringen die men opdoet
die bepalen hoe ze uiteindelijk tot uiting komen.
Hoofdstuk 1: Denken in termen van nuture ........................................................................................... 2
SAMENVATTING H1 ............................................................................................................................................. 3
Hoofdstuk 2: Leren ............................................................................................................................... 4
SAMENVATTING H2 ............................................................................................................................................. 7
Hoofdstuk 3: Behoeften, doelen en de theorie van het geplande gedrag................................................. 8
SAMENVATTING H3 ........................................................................................................................................... 10
Hoofdstuk 4: Zelfregulatie: wat is dat? ................................................................................................ 11
SAMENVATTING H4 ........................................................................................................................................... 12
Hoofdstuk 5: Zelfregulatie: het proces ................................................................................................. 13
SAMENVATTING H5 ........................................................................................................................................... 14
Hoofdstuk 7: De beïnvloeder............................................................................................................... 15
SAMENVATTING H7 ........................................................................................................................................... 16
Hoofdstuk 8: Het beïnvloeden van gedrag ........................................................................................... 17
SAMENVATTING H8 ........................................................................................................................................... 18
,Hoofdstuk 1: Denken in termen van nuture
Centrale vraag: in hoeverre zijn bepaalde eigenschappen daadwerkelijk beïnvloedbaar?
Nature vs Nuture
Nature = genen
Nuture = opvoeding/ leerprocessen
Mensbeeld = bevat ideeën over hoe je denk dat mensen in elkaar zitten.
Dit beeld heeft consequenties voor de mate waarin je bijv. gelooft dat gedrag beïnvloedbaar is.
Je mensbeeld heeft naast invloed op je gedrag, ook invloed op de vraag in hoeverre jij denkt dat
gedrag beïnvloedbaar is.
Verschil tussen ‘genetisch gedetermineerd’ en ‘genetische predispositie’
- Genetisch gedetermineerd = genen zijn bepalend bij het tot uiting komen van
eigenschappen. De omgeving heeft hier geen of zeer beperkte invloed op.
- Genetische predispositie = iemand heeft aanleg om bijvoorbeeld depressief te worden. Dit
betekent niet dat diegene ook daadwerkelijk depressief wordt; de omgeving heeft hier ook
invloed op.
Er wordt gesproken van predispositie indien een slachtoffer voor een ongeval een
bepaalde kwetsbaarheid of aanleg heeft die hem eerder dan een ander persoon vatbaar
maakt voor het optreden van een bepaalde ziekte of bepaalde klachten.
Impliciete theorieën (onuitgesproken en onbewust):
1. Incremental theory: geloof dat het IQ te ontwikkelen is (aanleren, trainen)
2. Entity theory: geloof dat het IQ vaststaat en dus niet ontwikkeld kan worden (aangeboren)
In hoeverre zijn eigenschappen en gedrag beïnvloedbaar?
1. Lichamelijke kenmerken & prestaties
2. Persoonlijkheid
3. Cognitieve capaciteiten en prestaties
Lichamelijke kenmerken & prestaties
De meeste aspecten zijn niet tot lastig te beïnvloeden
- Onder normale omstandigheden heb je weinig invloed op dergelijke lichamelijk kenmerken
- Lichaamsbouw ligt voor een groot deel in de genen besloten
- Als afwijkingen, stoornissen of ziekten afwezig zijn dan liggen dergelijke kenmerken
grotendeels vast.
Sommige aspecten kun je, ondanks dat ze voor een groot deel genetisch bepaald zijn, weldegelijk
verder ontwikkelen (spieren, haarkleur etc.)
- Hoe je er exact uit zal zien, is wel degelijk afhankelijk van je leefstijl
Persoonlijkheid
‘You have as much choice in some aspects of your personality as you do in the shape of your nose or
the size of your feet’ – Hamer & Copeland
- Temperament kan tot 40 procent worden toegeschreven aan genetische variëteit.
- 60 procent van de individuele verschillen worden toegeschreven aan ‘specifieke
omgevingsvariabelen’ (contact met vrienden, ziekten, ongelukken)
- Persoonlijkheidskenmerken worden voor 50 procent genetisch verklaard, ze worden
beïnvloed door de BIG FIVE:
1. Extraversie de mate waarin je op zoek bent naar actie en andere mensen
2. Neuroticisme wijst op emotionele instabiliteit
, 3. Toegeeflijkheid meegaand
4. Consciëntieusheid eerlijk en betrouwbaar
5. Openheid nieuwsgierig en openstaand voor nieuwe opvattingen
Drie kenmerken persoonlijkheidsstoornis:
1. Afwijken van de populatienorm
2. Inflexibel of star zijn
3. Leiden tot sociale en/of functionele beperkingen
Cognitieve capaciteiten en prestaties
- Het IQ is voor 50 tot 80 procent genetisch bepaald, je intelligentie moet ontwikkeld worden
- Onder normale omstandigheden zijn cognitieve capaciteiten in hoge mate trainbaar
Bij het cognitieve vermogen gaat het over het vermogen van de hersenen iets te kunnen
leren, maar ook om het te onthouden, te onderscheiden en kennis uit te wisselen met
anderen.
SAMENVATTING H1
- Opvattingen zijn doorslaggevend bij de vraag of ontwikkeling en verandering mogelijk is
- Voor gedragsbeïnvloeders is het niet zinvol om in termen van nature (genen) te denken, dit
kan mogelijke verandering blokkeren.
- Iemands persoonlijkheid veranderen is een lang proces met een grote kans op mislukking
- Voor een deel spelen genen altijd een rol, maar zijn het de leerervaringen die men opdoet
die bepalen hoe ze uiteindelijk tot uiting komen.