Basis Statistiek samenvatting
H1
onderzoekseenheid= object waarover je gegevens verzamelt
variabelen→ kunnen meerdere waarden hebben (geslacht, leeftijd etc.)
waarden→ specifiek (man, 35jaar, HBO, 33500,- per jaar)
nominaal→ waarden in tekst, niet in een getal of hoger of lager
zoals: geslacht, woonplaats, beroep
ordinaal→ waarden in tekst maar wel mogelijk hoger naar lager
zoals: opleidingsniveau, tevredenheid, belangrijkheid en functieniveau
interval→ waarden in getallen, geen natuurlijk 0 punt
zoals: de temperatuur want 0 graden betekent niet ‘geen temperatuur’
ratio→ waarden in getallen, sprake van een 0 punt
zoals: inkomen want 0 inkomen is geen geld.
lijngrafiek= absoluut
bar (staafdiagram)= nominaal & ordinaal
pie (cirkeldiagram) = nominaal & ordinaal
histogram= interval & ratio
boxplot= interval & ratio
H2
absolute frequenties= variabelen die je eenvoudig kan tellen (staaf of cirkel)
relatieve frequenties=procentuele verdeling (hoe vaak aantal/totaal) * 100% is cirkeld
Stappen bij het maken van een klassenindeling.
Actie vuistregel
stap 1 Zoek de hoogste en de laagste waarde en bepaal het verschil tussen beide bij een aantal kies je het
waarden. Dit verschil noemen we de range waarnemingen aantal klassen
stap 2 Bepaal het aantal klassen m.b.v. vuistregel → minder dan 50 5 tot 7
stap 3 Bepaal de klassenbreedte door de de range te delen door het aantal klassen. 50 tot 100 6 tot 10
Rond de uitkomst af op een heel getal.
stap 4 Kies de laagste waarde als ondergrens voor de eerste klasse en bepaal de 100 tot 250 7 tot 12
bovengrens van de eerste klasse door de klassenbreedte op te tellen bij de
ondergrens.
stap 5 Stel de ondergrens van de tweede klasse gelijk aan de bovengrens van de meer dan 250 10 tot 20
eerste klasse
stap 6 Bepaal de bovengrens van de tweede klasse en herhaal de stappen 4-6 tot
alle klassengrenzen zijn bepaald.
grafische interpolatie= bepaalt de waarde die ligt tussen 2 gegeven punten
H1
onderzoekseenheid= object waarover je gegevens verzamelt
variabelen→ kunnen meerdere waarden hebben (geslacht, leeftijd etc.)
waarden→ specifiek (man, 35jaar, HBO, 33500,- per jaar)
nominaal→ waarden in tekst, niet in een getal of hoger of lager
zoals: geslacht, woonplaats, beroep
ordinaal→ waarden in tekst maar wel mogelijk hoger naar lager
zoals: opleidingsniveau, tevredenheid, belangrijkheid en functieniveau
interval→ waarden in getallen, geen natuurlijk 0 punt
zoals: de temperatuur want 0 graden betekent niet ‘geen temperatuur’
ratio→ waarden in getallen, sprake van een 0 punt
zoals: inkomen want 0 inkomen is geen geld.
lijngrafiek= absoluut
bar (staafdiagram)= nominaal & ordinaal
pie (cirkeldiagram) = nominaal & ordinaal
histogram= interval & ratio
boxplot= interval & ratio
H2
absolute frequenties= variabelen die je eenvoudig kan tellen (staaf of cirkel)
relatieve frequenties=procentuele verdeling (hoe vaak aantal/totaal) * 100% is cirkeld
Stappen bij het maken van een klassenindeling.
Actie vuistregel
stap 1 Zoek de hoogste en de laagste waarde en bepaal het verschil tussen beide bij een aantal kies je het
waarden. Dit verschil noemen we de range waarnemingen aantal klassen
stap 2 Bepaal het aantal klassen m.b.v. vuistregel → minder dan 50 5 tot 7
stap 3 Bepaal de klassenbreedte door de de range te delen door het aantal klassen. 50 tot 100 6 tot 10
Rond de uitkomst af op een heel getal.
stap 4 Kies de laagste waarde als ondergrens voor de eerste klasse en bepaal de 100 tot 250 7 tot 12
bovengrens van de eerste klasse door de klassenbreedte op te tellen bij de
ondergrens.
stap 5 Stel de ondergrens van de tweede klasse gelijk aan de bovengrens van de meer dan 250 10 tot 20
eerste klasse
stap 6 Bepaal de bovengrens van de tweede klasse en herhaal de stappen 4-6 tot
alle klassengrenzen zijn bepaald.
grafische interpolatie= bepaalt de waarde die ligt tussen 2 gegeven punten