In Goede Handen, Levensbeschouwing hs 1, 2, 3, 4, 5 en 6
GH hs 1 Waarom lvb op de agenda?
Het verschil tussen godsdienst (/catechese) en lvb:
Bij godsdienst horen de begrippen: bijbel, geloof, kerk, bidden, dominee,
koran, ramadan, Jezus, rituelen, waarden en normen.
Bij lvb horen de begrippen: eigen beleving, samenwerken, luisteren naar
elkaar, zelf nadenken, durven twijfelen, vrijheid, onzekerheid, verhalen
vertellen.
De identiteit is voortdurend in ontwikkeling. Het is daarom belangrijk dat
leerkrachten en leerlingen met elkaar hun levensvragen bespreken. De
school moet ze daartoe de ruimte geven.
Lvb binnen het Nederlandse en Belgische onderwijssysteem:
Deze schoolsystemen zijn uniek in de wereld, omdat er niet alleen
openbare/gemeenschapsscholen zijn maar ook bijzondere scholen =
scholen op basis van een levensbeschouwelijke overtuiging. Beiden
worden door de overheid bekostigd.
Er begint langzaam een einde te komen aan de verzuilde samenleving. We
laten ons tegenwoordig niet meer leiden door de kerk. Mensen denken zelf
over het leven na. Scholen moeten zich realiseren dat er ook andere
opvattingen zijn. We zullen moeten leren leven met onzekerheid, maar in
die onzekerheid dienen zich nieuwe ‘zekerheden’ aan.
Nieuwe zekerheden:
Kinderen blijven met vragen komen
De tijd waarin we nu leven zou je onkerkelijk kunnen noemen,
mensen willen hun leven op hun eigen manier vormgeven. Er
ontstaat een betekenisvolle wereld, ieder mens is een
‘levensbeschouwelijk wezen’. Als het zoeken van betekenis een
wezenstrek van de mens is, horen de levensvragen thuis op de
basisschool.
De behoefte aan levensbeschouwelijke inhoud blijft bestaan
Door de teloorgang van de ideologieën is kennis van
levensbeschouwelijke stromingen niet vanzelfsprekend meer. Eerst
voelden de mensen zich verbonden met hun eigen ‘zuil’, maar dat is
nu zo’n beetje ten einde. Toch willen mensen wel geïnformeerd
worden over levensbeschouwelijke stromingen, bijvoorbeeld door de
komst van vele immigranten.
Het ontwikkelen van goed burgerschap
Burgerschap:
o Persoonlijke ontplooiing: Kinderen hebben recht op hun eigen
ontplooiing.
sluit aan bij de individualiseringstrend
gaat uit van aangeboren verschillen
onderwijs op maat
o Gemeenschapszin/sociale vorming: Het stimuleren van de
sociale cohesie is ook belangrijk; normen en waarden, respect
voor elkaar etc.
, Sluit aan bij behoefte aan saamhorigheid
Nadruk op wat mensen verbindt
Leerlingen opvoeden tot sociale mensen
De ontwikkeling van competenties van de leerkracht
Invalshoeken waar het leraarschap mee te maken heeft:
Vanuit de leerling > hoe motiveer ik een kind? De leerkracht kan
vanuit zijn achtergrond de open communicatie bevorderen en
aandacht besteden aan alle meningen en opvattingen die er bij de
kinderen leven.
Vanuit het vak > de leerkracht heeft genoeg kennis over de
verschillende stromingen, kan kinderen stimuleren bij het
ontwikkelen van eigen identiteit etc.
Vanuit de maatschappij > burgerschapsvorming
o Maatschappelijke voorbereiding > naast taal en rekenen ook
iets over de maatschappij leren
o Actieve pluriformiteit > school is spiegel van de maatschappij
o Actieve participatie > leerkracht streeft goede relatie na van
de school met de gemeenschap (ouders, buurtbewoners etc.)
Vanuit de persoon > voorbeeldfunctie. De leerkracht kan omgaan
met zijn eigen levensvragen en kan door algemene levensvragen
communiceren met de kinderen, kan het kind stimuleren bij
ontwikkelen van eigen identiteit etc.
Deze competenties sluiten aan bij Wet BIO (kwaliteit leraar).
HG hs 2 Levensbeschouwing: basisstructuur
Mensen blijven altijd vragen stellen
Vooral over de zin van het bestaan.
Door vragen te stellen bouwt een mens zijn eigen levensverhaal op
Kinderen gaan ervan uit dat volwassenen op elke vraag antwoord weten.
Op school krijgen kinderen te maken met kinderen die vanuit hun
levensbeschouwing weer anders tegen dingen aankijken. De identiteit van
de school is nooit ‘af’, maar blijft in ontwikkeling.
Levensbeschouwelijke socialisatie
Socialisatie: het jezelf eigen maken van gewoontes en gebruiken van een
bepaalde cultuur.
Primaire socialisatie: vindt plaats in het gezin
Secundaire socialisatie: vindt plaats op bijvoorbeeld school en tussen
vrienden etc.
Bij het socialisatieproces hebben kinderen identificatiemodellen nodig (ze
nemen specifieke eigenschappen over van ouders/vrienden/leerkrachten
etc. en ze maken het zich eigen). Aan het begin van zijn leven identificeert
het kind zich het meest met de persoon met wie hij het meest contact
heeft. Het kind wil op hem lijken. Dit wordt dus vooral bepaald door de
thuissituatie van het kind.
Het is makkelijker om met mensen in contact te komen door internet,
mobiliteit en media.
, Er ontstaan zo nieuwe relaties die identificatie mogelijk maken.
Communicatie tussen levensbeschouwingen
500 voor tot 500 na christus: tijd waarin gesprekken tussen mensen met
verschillende culturen op gang kwam. Karl Jaspers zei: dit heet de Spiltijd
(omdat dit van belang is geweest voor de ontwikkeling van de
levensbeschouwingen die we nu kennen).
Stromingen die toen zijn ontstaan:
confucianisme en taoïsme in China
hindoeïsme en boeddhisme in India
jodendom, christendom en islam in Midden-Oosten en West-Europa
rationalisme in Griekenland
Overeenkomsten tussen deze stromingen:
het lijden hoort bij de mens
gevoel voor geweten en ethiek (doe anderen niet aan wat u niet wilt
dat u wordt aangedaan, Confucius)
Er is een God; iemand die zich het lot van mensen aantrekt
Niemand begint als een onbeschreven blad
Iedereen heeft een levensbeschouwing. Leerkracht moet de impliciete
kennis van kinderen meer expliciet maken.
Verwondering als motivatie tot het stellen van vragen
Piaget: alles wat men het kind leert, belet het kind om het uit te vinden of
te ontdekken.
De 6 levensvragen/domeinen:
1. Wie is de mens? > aard van de mens
2. Wat is goed en kwaad? > alle 6 domeinen
3. Hoe leven mensen met elkaar samen? > relatie tussen mensen +
menselijk handelen
4. Wat is de betekenis van lijden en dood? > lijden
5. Wat is ruimte? > relatie mens en natuur
6. Wat is tijd? > relatie mens en tijd
Levensvragen zijn opgesteld door Kluckhohn en Strodtbeck (Variations in
value orientations)
Antropologische constanten: op de vragen worden vanuit verschillende
levensbeschouwingen antwoorden gegeven.
Het onderscheid tussen sociale en levensbeschouwelijke ontwikkeling
Sociale ontwikkeling: sociale vaardigheden en omgangs- en
communicatievormen. Voorbeeld: Hoe spreek ik een ‘lastige’ klasgenoot
aan?
Levensbeschouwelijke ontwikkeling: normen en waarden en
oorsprong/samenhang van het leven
Voorbeeld: Is er leven na de dood?
GH hs 1 Waarom lvb op de agenda?
Het verschil tussen godsdienst (/catechese) en lvb:
Bij godsdienst horen de begrippen: bijbel, geloof, kerk, bidden, dominee,
koran, ramadan, Jezus, rituelen, waarden en normen.
Bij lvb horen de begrippen: eigen beleving, samenwerken, luisteren naar
elkaar, zelf nadenken, durven twijfelen, vrijheid, onzekerheid, verhalen
vertellen.
De identiteit is voortdurend in ontwikkeling. Het is daarom belangrijk dat
leerkrachten en leerlingen met elkaar hun levensvragen bespreken. De
school moet ze daartoe de ruimte geven.
Lvb binnen het Nederlandse en Belgische onderwijssysteem:
Deze schoolsystemen zijn uniek in de wereld, omdat er niet alleen
openbare/gemeenschapsscholen zijn maar ook bijzondere scholen =
scholen op basis van een levensbeschouwelijke overtuiging. Beiden
worden door de overheid bekostigd.
Er begint langzaam een einde te komen aan de verzuilde samenleving. We
laten ons tegenwoordig niet meer leiden door de kerk. Mensen denken zelf
over het leven na. Scholen moeten zich realiseren dat er ook andere
opvattingen zijn. We zullen moeten leren leven met onzekerheid, maar in
die onzekerheid dienen zich nieuwe ‘zekerheden’ aan.
Nieuwe zekerheden:
Kinderen blijven met vragen komen
De tijd waarin we nu leven zou je onkerkelijk kunnen noemen,
mensen willen hun leven op hun eigen manier vormgeven. Er
ontstaat een betekenisvolle wereld, ieder mens is een
‘levensbeschouwelijk wezen’. Als het zoeken van betekenis een
wezenstrek van de mens is, horen de levensvragen thuis op de
basisschool.
De behoefte aan levensbeschouwelijke inhoud blijft bestaan
Door de teloorgang van de ideologieën is kennis van
levensbeschouwelijke stromingen niet vanzelfsprekend meer. Eerst
voelden de mensen zich verbonden met hun eigen ‘zuil’, maar dat is
nu zo’n beetje ten einde. Toch willen mensen wel geïnformeerd
worden over levensbeschouwelijke stromingen, bijvoorbeeld door de
komst van vele immigranten.
Het ontwikkelen van goed burgerschap
Burgerschap:
o Persoonlijke ontplooiing: Kinderen hebben recht op hun eigen
ontplooiing.
sluit aan bij de individualiseringstrend
gaat uit van aangeboren verschillen
onderwijs op maat
o Gemeenschapszin/sociale vorming: Het stimuleren van de
sociale cohesie is ook belangrijk; normen en waarden, respect
voor elkaar etc.
, Sluit aan bij behoefte aan saamhorigheid
Nadruk op wat mensen verbindt
Leerlingen opvoeden tot sociale mensen
De ontwikkeling van competenties van de leerkracht
Invalshoeken waar het leraarschap mee te maken heeft:
Vanuit de leerling > hoe motiveer ik een kind? De leerkracht kan
vanuit zijn achtergrond de open communicatie bevorderen en
aandacht besteden aan alle meningen en opvattingen die er bij de
kinderen leven.
Vanuit het vak > de leerkracht heeft genoeg kennis over de
verschillende stromingen, kan kinderen stimuleren bij het
ontwikkelen van eigen identiteit etc.
Vanuit de maatschappij > burgerschapsvorming
o Maatschappelijke voorbereiding > naast taal en rekenen ook
iets over de maatschappij leren
o Actieve pluriformiteit > school is spiegel van de maatschappij
o Actieve participatie > leerkracht streeft goede relatie na van
de school met de gemeenschap (ouders, buurtbewoners etc.)
Vanuit de persoon > voorbeeldfunctie. De leerkracht kan omgaan
met zijn eigen levensvragen en kan door algemene levensvragen
communiceren met de kinderen, kan het kind stimuleren bij
ontwikkelen van eigen identiteit etc.
Deze competenties sluiten aan bij Wet BIO (kwaliteit leraar).
HG hs 2 Levensbeschouwing: basisstructuur
Mensen blijven altijd vragen stellen
Vooral over de zin van het bestaan.
Door vragen te stellen bouwt een mens zijn eigen levensverhaal op
Kinderen gaan ervan uit dat volwassenen op elke vraag antwoord weten.
Op school krijgen kinderen te maken met kinderen die vanuit hun
levensbeschouwing weer anders tegen dingen aankijken. De identiteit van
de school is nooit ‘af’, maar blijft in ontwikkeling.
Levensbeschouwelijke socialisatie
Socialisatie: het jezelf eigen maken van gewoontes en gebruiken van een
bepaalde cultuur.
Primaire socialisatie: vindt plaats in het gezin
Secundaire socialisatie: vindt plaats op bijvoorbeeld school en tussen
vrienden etc.
Bij het socialisatieproces hebben kinderen identificatiemodellen nodig (ze
nemen specifieke eigenschappen over van ouders/vrienden/leerkrachten
etc. en ze maken het zich eigen). Aan het begin van zijn leven identificeert
het kind zich het meest met de persoon met wie hij het meest contact
heeft. Het kind wil op hem lijken. Dit wordt dus vooral bepaald door de
thuissituatie van het kind.
Het is makkelijker om met mensen in contact te komen door internet,
mobiliteit en media.
, Er ontstaan zo nieuwe relaties die identificatie mogelijk maken.
Communicatie tussen levensbeschouwingen
500 voor tot 500 na christus: tijd waarin gesprekken tussen mensen met
verschillende culturen op gang kwam. Karl Jaspers zei: dit heet de Spiltijd
(omdat dit van belang is geweest voor de ontwikkeling van de
levensbeschouwingen die we nu kennen).
Stromingen die toen zijn ontstaan:
confucianisme en taoïsme in China
hindoeïsme en boeddhisme in India
jodendom, christendom en islam in Midden-Oosten en West-Europa
rationalisme in Griekenland
Overeenkomsten tussen deze stromingen:
het lijden hoort bij de mens
gevoel voor geweten en ethiek (doe anderen niet aan wat u niet wilt
dat u wordt aangedaan, Confucius)
Er is een God; iemand die zich het lot van mensen aantrekt
Niemand begint als een onbeschreven blad
Iedereen heeft een levensbeschouwing. Leerkracht moet de impliciete
kennis van kinderen meer expliciet maken.
Verwondering als motivatie tot het stellen van vragen
Piaget: alles wat men het kind leert, belet het kind om het uit te vinden of
te ontdekken.
De 6 levensvragen/domeinen:
1. Wie is de mens? > aard van de mens
2. Wat is goed en kwaad? > alle 6 domeinen
3. Hoe leven mensen met elkaar samen? > relatie tussen mensen +
menselijk handelen
4. Wat is de betekenis van lijden en dood? > lijden
5. Wat is ruimte? > relatie mens en natuur
6. Wat is tijd? > relatie mens en tijd
Levensvragen zijn opgesteld door Kluckhohn en Strodtbeck (Variations in
value orientations)
Antropologische constanten: op de vragen worden vanuit verschillende
levensbeschouwingen antwoorden gegeven.
Het onderscheid tussen sociale en levensbeschouwelijke ontwikkeling
Sociale ontwikkeling: sociale vaardigheden en omgangs- en
communicatievormen. Voorbeeld: Hoe spreek ik een ‘lastige’ klasgenoot
aan?
Levensbeschouwelijke ontwikkeling: normen en waarden en
oorsprong/samenhang van het leven
Voorbeeld: Is er leven na de dood?