1. Een algemeen overzicht
Als het onderzoek ter terechtzitting is afgesloten vereist het zogenaamde
„beslissingsmodel van Sv‟ dat de rechter in strikte volgorde een serie vragen
moet beantwoorden om tot een uitspraak te komen. Het beslissingsmodel behoort tot de
kern van ons strafprocesrecht. Bij een ontkennend antwoord op één van deze vragen
komt de rechter niet meer toe aan één van de latere vragen. Het praktische voordeel
daarbij is dat geen kwesties hoeven te worden opgelost waar je niet aan toe komt.
Het beslissingsmodel kan worden onderscheiden in twee soorten vragen: (1) de
preliminaire of voorvragen (formele vragen) en (2) de hoofdvragen (materiële vragen).
De voorvragen en de hoofdvragen staan respectievelijk in art. 348 Sv en art. 350 Sv. De
beslissingen of uitspraken op de voorvragen en hoofdvragen vind je respectievelijk in art.
349 lid 1 Sv en art. 352 Sv. Het beslissingsmodel ziet er als volgt uit:
Voorvragen:
Art. 349 lid 1
Art. 348
1. Is de dagvaarding geldig? Zo niet: dagvaarding nietig
2. Is de rechter bevoegd? Zo niet: rechter is onbevoegd
3. Is het OM ontvankelijk? Zo niet: OM niet-ontvankelijk
Zo niet: schorsing van de vervolging
4. Redenen voor schorsing van de vervolging?
Hoofdvragen:
Art. 352
Art. 350
5. Is het tenlastegelegde feit bewezen? Zo niet: vrijspraak
6. Is bewezen verklaarde strafbaar? Zo niet: OVAR
7. Is verdachte strafbaar? Zo niet: OVAR
8. Welke sanctie wordt opgelegd?
Zowel de beslissingen op de voorvragen als de hoofdvragen zijn einduitspraken in de zin
van 138 Sv en worden gedaan na afloop van het onderzoek ter terechtzitting. Echter, op
grond van art. 283 Sv kan de rechter direct na het uitroepen van de zaak een uitspraak
doen over de voorvragen van art. 348 Sv.
Dat de vragen zijn verdeeld over de artikelen 348 en 350 Sv staat in verband met het ne
bis in idem-beginsel van art. 68 Sr. Art. 68 Sr bepaalt dat geen nieuwe vervolging mag
worden ingesteld als reeds eerder over het feit is beslist. Bij de behandeling van de
,voorvragen wordt niet over het feit beslist. Een beslissing over het feit vindt wel plaats
als de hoofdvragen door de rechter worden nagelopen.
Dit betekent dat art. 68 Sr alleen van toepassing is in het geval van een vrijspraak, een
OVAR of bij strafoplegging. Een nietige dagvaarding, de onbevoegdheid van de rechter,
de niet-ontvankelijkheid van het OM of een schorsing van de vervolging staan dus niet in
de weg van een nieuwe vervolging.
2. Artikel 348 SV: de formele vragen
2.1 De dagvaarding en zijn geldigheid
Vraag 1 beslissingsschema
Op het moment dat de OvJ een dagvaarding doet betekenen aan de verdachte neemt
het rechtsgeding een aanvang (art. 258 lid 1 Sv). Een dagvaarding heeft vier functies:
Persoonsaanduiding van de verdachte door bijvoorbeeld de naam:
de persoonsduidingsfunctie
Oproep aan verdachte om op een bepaalde datum en tijdstip voor de rechter te
verschijnen: de oproepingsfunctie.
De dagvaarding bevat een tenlastelegging die de verdachte meedeelt waarvan hij
wordt beschuldigd: de informatiefunctie.
Verdachte wordt door middel van de dagvaarding op de hoogte gesteld van bepaalde
rechten (oproepen getuigen (art. 260 lid 3 Sv), verzoek om toevoeging raadsman),
en welke getuigen door de officier van justitie al dan niet zijn opgeroepen (art 260
lid 2 Sv): debeschuldigingsfunctie.
2.1.1
Er zijn drie redenen voor nietigheid van de dagvaarding:
Indien aan één of meer van bovengenoemde vier functies niet is voldaan.
Als de dagvaarding niet juist is betekend aan verdachte of de oproeping onduidelijk
is en als gevolg daarvan verdachte niet is verschenen ter terechtzitting.
De tenlastelegging niet voldoet aan de eis om verdachte op de hoogte te brengen
waarvan hij strafrechtelijk wordt beschuldigd.
Ad A. Kleine „tikfoutjes‟ in de dagvaarding, zoals een spelfout of verschrijving, leiden niet
tot nietigheid. Het opgeven van de naam, een foto of slechts een vingerafdruk zijn
voldoende om de persoon aan te duiden op de dagvaarding (HR 17 mei 1949, NJ 1950,
235 (Persoonsaanduiding dagvaarding). Beslissend is dat voor de verdachte en voor de
rechter duidelijk is om wie het gaat in de dagvaarding.
, De dagvaarding bevat ook juridische informatie. Via voorgedrukte tekst wordt de
verdachte medegedeeld dat hij bijvoorbeeld getuigen kan oproepen (art. 260 lid 4 Sv).
Ad B. De betekeningsvoorschriften bepalen hoe de dagvaarding aan de verdachte moet
worden uitgereikt (art. 585 Sv e.v.). In artikel 588 Sv vind je terug welke procedure
gevolgd moet worden bij het betekenen. Buiten het geval dat de verdachte in voorlopige
hechtenis zit, hoeft de dagvaarding niet in persoon te worden overhandigd.
De dagvaarding dient te worden uitgereikt op het adres waar de verdachte volgens de
gegevens van de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven, aan de verdachte
zelf of aan een ander die belooft de dagvaarding aan de verdachte af te geven.
Alleen op het moment dat een verdachte niet op komt dagen op de zitting wordt
nagegaan of de dagvaarding correct is betekend (art. 278 lid 1 Sv). Is dat het geval,
wordt tegen de verdachte verstek verleend (art. 280 lid 1 Sv). De dagvaarding is echter
nietig als wordt vastgesteld dat de dagvaarding niet op de juiste wijze is betekend.
De dagvaarding is eveneens nietig als de oproep aan verdachte om voor de rechter te
verschijnen dermate onbegrijpelijk is dat voor verdachte niet duidelijk is wanneer hij
voor moet komen. Deze regel is niet terug te vinden in de wet, maar in jurisprudentie.
Het niet juist aanduiden van het adres in de oproeping brengt nietigheid van de
oproeping mee, mits in een concreet geval de belangen van de betrokkene zijn geschaad
(HR 14 oktober 2003, NJ 2004, 588 (verkeerd adres zitting).
Ad C. De tenlastelegging is de grondslag voor de terechtzitting en heeft twee functies:
(1) zo weet verdachte waarvan hij wordt verdacht en (2) de rechter moet zijn onderzoek
beperken tot hetgeen ten laste is gelegd.
Op grond van art. 261 lid 1 Sv dient de tenlastelegging te beschrijven (1) het
tenlastegelegde feit en (2) het tijdstip waarop en (3) de plaats waar het delict begaan
zou zijn. Of de genoemde tijd en plaats juist zijn speelt bij de vraag of de tenlastelegging
als grondslag voor de terechtzitting kan dienen geen rol (wel bij de bewijsvraag). Art.
261 Sv vereist tevens een vermelding van (4) de wettelijke bepalingen waarbij het
voorval strafbaar is gesteld.
Schending van art. 261 lid 1 Sv leidt tot nietigheid van de dagvaarding. Hoe specifiek de
tenlastelegging moet zijn, is afhankelijk van hoe vaak het feit is gepleegd. De aard van
de delictsomschrijving bepaalt hoe specifiek de tijds- en plaatsbepaling moet worden
omschreven.
Als het onderzoek ter terechtzitting is afgesloten vereist het zogenaamde
„beslissingsmodel van Sv‟ dat de rechter in strikte volgorde een serie vragen
moet beantwoorden om tot een uitspraak te komen. Het beslissingsmodel behoort tot de
kern van ons strafprocesrecht. Bij een ontkennend antwoord op één van deze vragen
komt de rechter niet meer toe aan één van de latere vragen. Het praktische voordeel
daarbij is dat geen kwesties hoeven te worden opgelost waar je niet aan toe komt.
Het beslissingsmodel kan worden onderscheiden in twee soorten vragen: (1) de
preliminaire of voorvragen (formele vragen) en (2) de hoofdvragen (materiële vragen).
De voorvragen en de hoofdvragen staan respectievelijk in art. 348 Sv en art. 350 Sv. De
beslissingen of uitspraken op de voorvragen en hoofdvragen vind je respectievelijk in art.
349 lid 1 Sv en art. 352 Sv. Het beslissingsmodel ziet er als volgt uit:
Voorvragen:
Art. 349 lid 1
Art. 348
1. Is de dagvaarding geldig? Zo niet: dagvaarding nietig
2. Is de rechter bevoegd? Zo niet: rechter is onbevoegd
3. Is het OM ontvankelijk? Zo niet: OM niet-ontvankelijk
Zo niet: schorsing van de vervolging
4. Redenen voor schorsing van de vervolging?
Hoofdvragen:
Art. 352
Art. 350
5. Is het tenlastegelegde feit bewezen? Zo niet: vrijspraak
6. Is bewezen verklaarde strafbaar? Zo niet: OVAR
7. Is verdachte strafbaar? Zo niet: OVAR
8. Welke sanctie wordt opgelegd?
Zowel de beslissingen op de voorvragen als de hoofdvragen zijn einduitspraken in de zin
van 138 Sv en worden gedaan na afloop van het onderzoek ter terechtzitting. Echter, op
grond van art. 283 Sv kan de rechter direct na het uitroepen van de zaak een uitspraak
doen over de voorvragen van art. 348 Sv.
Dat de vragen zijn verdeeld over de artikelen 348 en 350 Sv staat in verband met het ne
bis in idem-beginsel van art. 68 Sr. Art. 68 Sr bepaalt dat geen nieuwe vervolging mag
worden ingesteld als reeds eerder over het feit is beslist. Bij de behandeling van de
,voorvragen wordt niet over het feit beslist. Een beslissing over het feit vindt wel plaats
als de hoofdvragen door de rechter worden nagelopen.
Dit betekent dat art. 68 Sr alleen van toepassing is in het geval van een vrijspraak, een
OVAR of bij strafoplegging. Een nietige dagvaarding, de onbevoegdheid van de rechter,
de niet-ontvankelijkheid van het OM of een schorsing van de vervolging staan dus niet in
de weg van een nieuwe vervolging.
2. Artikel 348 SV: de formele vragen
2.1 De dagvaarding en zijn geldigheid
Vraag 1 beslissingsschema
Op het moment dat de OvJ een dagvaarding doet betekenen aan de verdachte neemt
het rechtsgeding een aanvang (art. 258 lid 1 Sv). Een dagvaarding heeft vier functies:
Persoonsaanduiding van de verdachte door bijvoorbeeld de naam:
de persoonsduidingsfunctie
Oproep aan verdachte om op een bepaalde datum en tijdstip voor de rechter te
verschijnen: de oproepingsfunctie.
De dagvaarding bevat een tenlastelegging die de verdachte meedeelt waarvan hij
wordt beschuldigd: de informatiefunctie.
Verdachte wordt door middel van de dagvaarding op de hoogte gesteld van bepaalde
rechten (oproepen getuigen (art. 260 lid 3 Sv), verzoek om toevoeging raadsman),
en welke getuigen door de officier van justitie al dan niet zijn opgeroepen (art 260
lid 2 Sv): debeschuldigingsfunctie.
2.1.1
Er zijn drie redenen voor nietigheid van de dagvaarding:
Indien aan één of meer van bovengenoemde vier functies niet is voldaan.
Als de dagvaarding niet juist is betekend aan verdachte of de oproeping onduidelijk
is en als gevolg daarvan verdachte niet is verschenen ter terechtzitting.
De tenlastelegging niet voldoet aan de eis om verdachte op de hoogte te brengen
waarvan hij strafrechtelijk wordt beschuldigd.
Ad A. Kleine „tikfoutjes‟ in de dagvaarding, zoals een spelfout of verschrijving, leiden niet
tot nietigheid. Het opgeven van de naam, een foto of slechts een vingerafdruk zijn
voldoende om de persoon aan te duiden op de dagvaarding (HR 17 mei 1949, NJ 1950,
235 (Persoonsaanduiding dagvaarding). Beslissend is dat voor de verdachte en voor de
rechter duidelijk is om wie het gaat in de dagvaarding.
, De dagvaarding bevat ook juridische informatie. Via voorgedrukte tekst wordt de
verdachte medegedeeld dat hij bijvoorbeeld getuigen kan oproepen (art. 260 lid 4 Sv).
Ad B. De betekeningsvoorschriften bepalen hoe de dagvaarding aan de verdachte moet
worden uitgereikt (art. 585 Sv e.v.). In artikel 588 Sv vind je terug welke procedure
gevolgd moet worden bij het betekenen. Buiten het geval dat de verdachte in voorlopige
hechtenis zit, hoeft de dagvaarding niet in persoon te worden overhandigd.
De dagvaarding dient te worden uitgereikt op het adres waar de verdachte volgens de
gegevens van de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven, aan de verdachte
zelf of aan een ander die belooft de dagvaarding aan de verdachte af te geven.
Alleen op het moment dat een verdachte niet op komt dagen op de zitting wordt
nagegaan of de dagvaarding correct is betekend (art. 278 lid 1 Sv). Is dat het geval,
wordt tegen de verdachte verstek verleend (art. 280 lid 1 Sv). De dagvaarding is echter
nietig als wordt vastgesteld dat de dagvaarding niet op de juiste wijze is betekend.
De dagvaarding is eveneens nietig als de oproep aan verdachte om voor de rechter te
verschijnen dermate onbegrijpelijk is dat voor verdachte niet duidelijk is wanneer hij
voor moet komen. Deze regel is niet terug te vinden in de wet, maar in jurisprudentie.
Het niet juist aanduiden van het adres in de oproeping brengt nietigheid van de
oproeping mee, mits in een concreet geval de belangen van de betrokkene zijn geschaad
(HR 14 oktober 2003, NJ 2004, 588 (verkeerd adres zitting).
Ad C. De tenlastelegging is de grondslag voor de terechtzitting en heeft twee functies:
(1) zo weet verdachte waarvan hij wordt verdacht en (2) de rechter moet zijn onderzoek
beperken tot hetgeen ten laste is gelegd.
Op grond van art. 261 lid 1 Sv dient de tenlastelegging te beschrijven (1) het
tenlastegelegde feit en (2) het tijdstip waarop en (3) de plaats waar het delict begaan
zou zijn. Of de genoemde tijd en plaats juist zijn speelt bij de vraag of de tenlastelegging
als grondslag voor de terechtzitting kan dienen geen rol (wel bij de bewijsvraag). Art.
261 Sv vereist tevens een vermelding van (4) de wettelijke bepalingen waarbij het
voorval strafbaar is gesteld.
Schending van art. 261 lid 1 Sv leidt tot nietigheid van de dagvaarding. Hoe specifiek de
tenlastelegging moet zijn, is afhankelijk van hoe vaak het feit is gepleegd. De aard van
de delictsomschrijving bepaalt hoe specifiek de tijds- en plaatsbepaling moet worden
omschreven.