De circulatie
Anatomie & beeldvorming
Venen in de longcirculatie retourneren slecht geoxigeneerd bloed naar het hart en de
grote pulmonaire venen zijn daardoor ook atypisch. Door de lagere bloeddruk in de
venen zijn de wanden ook dunner dan die van de arterien en normaal gesproken
vormen de grotere venen weer veneuze plexi.
Middenvenen in de ledematen en andere locaties waar het bloed tegen de richting van
de zwaartekracht in wordt gepompt, bevatten kleppen zodat het bloed dus niet terug
kan stromen.
Grote venen, zoals SVC en IVC, hebben wijde bundels van longitudinal glad spierweefsel
en een goed ontwikkelde tunica adventitia. De systemische venen zijn meer variable dan
arterien en vormen vaker anastomosen.
Vaak gaan venen in paren om een arterie heen, zoalas accompanying veins.
De poortader wordt gevormd door de samenkomst van de superior mesenteric en
splenic venen en dit is het hoofdkanaal van het veneuze poortsysteem. Hierbij wordt het
bloed vanuit het abdominale deel van het maag-darmkanaal, pancreas, milt en het
grootste deel van de galblaas naar de lever gebracht.
Alle venen superior aan de abdominale wand zijn afstammelingen van de IVC, behalve
de linker testiculaire en ovaria vene. Dezen stromen namelijk de linker renale vene
binnen.
Bloed uit de viscera (organen) stroomt eerst door het veneuze poortsysteem en de lever
voordat het de IVC binnenstroomt.
De IVC begint ter hoogte van de L5-vertrebra bij de samenkomst van de v. iliaca
communis en vervolgens stijgt de IVC door de cavale opening in het diafragma door naar
het rechter atrium.
De afstammeling van de IVC zijn:
- v. iliaca communis: gevormd door de samenkomst van de interne en externe venae
iliacae.
- v. Lumbalis: ter hoogte van L3 – L4 vertebra
- v. Testicularis dexter en v. Ovaris dexter
- v. Renalis
- v. Suprarenalis dexter
- v. Phrenicus inferior
- leveraderen
Het vena azygos systeem draineert de achterkant van de thoraco-abdominale wanden
en de mediastinale viscera aan beide kanten van de wervelkolom. Dit systeem heeft ook
veel anastomosen en vertakkingen.
De vena azygos en de vena hemi-azygos, de belangrijkste vertakking, ontspringen uit de
wortels van het posterior deel van de IVC en/of de v. renalis.
De vena azygos loopt omhoog in het posterior mediastinum langs de rechterkant van de
thoracale vertebrae. Het buigt over het superior gedeelte van de rechterlong heen en
komt uit in de SVC.
De vena hemi-azygos loopt langs de linkerkant vand e thoracale vertebrae en ontvangt
ook bloed uit de mediastinale, oesophagale en bronchiale venen. Ter hoogte van de Th7
– Th8 vertebae gaat de vena hemi-azygos over in de vena azygos.
Bloed gaat vanuit de linker ventrikel eerst de aorta ascendens in en vervolgens de
aortaboog. De 3 vertakkingen zijn van links naar rechts: brachiocephale arterie (splitst
later in rechter subclaviale arterie en rechter carotis arterie), linker carotis arterie en
linker subclaviale arterie. Na de aortaboog komt de aorta descendens.
,De eerste aftakking van de aorta descendens is de celiac trunk, ter hoogte van de Th12
en deze vertakking zit anterior. Deze arterie komt uit bij de maag en hier vertakt de
celiac trunk ich in de left gastric artery, de leverslagader en de miltslagader. Vervolgens
splitst de leverslagader zich weer in tweeen, waarvan eentje zich weer splitst in de
gastroduodenale arterie en de supraduodenale arterie en de andere gaat weer samen
met de left gastric artery.
Ter hoogte van L1 liggen drie aftakkingen: superior mesenteric artery (anterior) en
twee (supra)renale arterien (beide kanten lateral). De superior mesenteric artery
vertakt zich in de inferior pancreaticoduodenal artery en in de colic arteries, die
vervolgens weer in de verbinding staan met de inferior mesenteric artery. Vervolgens
vertakt deze in allerlei sigmoid arteries (gebogen arterien) van de dikke darm.
Ter hoogte van L2 liggen de testiculaire of ovariale arterien en deze aftakkingen zitten
anterolateral.
Ter hoogte van L3 ligt de inferior mesenteric arterie en op deze hoogte gaat de aorta
descendens ook over in de abdominale aorta.
Ter hoogte van L4 vindt de bifurcatie van de abdominale aorta plaats in de linker en
rechter iliacic arterien. Op de bifurcatie loopt nog een vertakking: de median sacral
artery.
Ook zijn op de niveaus L1 – L4 steeds twee vertakkingen lateraal en dit zijn de lumbale
arterien.
Het portale veneuze systeem verzamelt zuurstofarm bloed, maar wel rijk aan
voedingsstoffen vanuit het sipjsverteringskanaal en vervolgens wordt dit bloed naar de
lever gebracht, waar het in verschillende segmenten vertakt (veneuze sinusoiden van de
lever).
De portosystemische anastomoses zijn:
- oesofagale venen draineren in de azygos vein of de linker maagader.
- Inferior en mediale rectale venen draineren in de IVC en superior rectale venen gaan
verder als IMV (inferior mesenteric vein).
- Para-umbilicale (navel) venen anastomoseren met de peri-umbilicale superior
epigastric veins.
- De clic veins anastomoseren met de retroperitoneale venen.
Het lymfatisch systeem zorgt voor de drainage van overtollig vloeistof en plasma-
eiwitten, die uit de bloedstroom gelekt zijn. Tevens zorgt het lymfatisch systeem voor
het verwijderen van cellulaire afval en infecties en voor het opnemen van vet uit
voedsel. Tot slot draagt het lymfatisch systeem ook bij aan de bescherming tegen
ziekteverwekkers.
Lymfe = het overtollige vloeistof uit de bloedvaten, dat nu in de lymfevaten zit.
Het lymfesysteem bevat:
- lymphatic plexuses: netwerken van kleine lymfatische capillairen, die uit de
extracellulaire ruimtes van de meeste weefsels komen.
- Lymfatische vaten: allerlei vaten met kleppen, die uit de lymphatic plexuses komen
en hierlangs liggen ook de lymfeknopen.
- Lymfeknopen: kleine massa’s lymfatisch weefsel, die lymfe filtreren.
- Lymfocyten: immuuncellen
- Lymfoide organen: organen, waar lymfe wordt geproduceerd
o Milt, thymus, lymfeknopen en myeloide weefsel in rode beenmerg
Nadat lymfe langs een of meerdere lymfeknopen is geweest, gaat lymfe de grotere
lymfevaten in, die lymphatic trunks worden genoemd. Deze trunks gaan uiteindelijk
samen met de right lymphatic duct of de thoracic duct.
, De right lymphatic duct draineert lymfe vanuit het rechter bovenkwadrant van het
lichaam en het eindigt in de right venous angle (kruising van rechter vena subclavia en
internal jugular vein).
De thoracic duct draineert lymfe uit de rest van het lichaam en dit is een kanaal met vele
kleppen en dunne wanden. De thoracic duct begint als cisterna chyli in de buikholte en
stijgt vervolgens naar de thorax. Het kanaal eindigt in de left venous angle (kruising
tussen linker vena subclavia en left jugular vein).
Superficial lymfatische vaten in de huid en het subcutane weefsel draineren uiteindelijk
in diepe lymfatische vaten en die gaan vervolgens weer samen met de grote bloedvaten.
Zuurstofarm bloed gaat via de venen terug naar het hart, maar de grote pulmonaire
venen zijn anders omdat ze zuurstofrijk bloed terug naar het hart brengen. Door de lage
bloeddruk zijn de wanden dunner dan die van de arterien.
Tevens hebben de medium venen kleppen, zodat het bloed door de zwaartekracht niet
terug stroomt.
Grote venen zijn te herkennen aan de lange, wijde bundels glad spierweefsel en een
goed ontwikkeld tunica adventitia.
Systemische venen zijn variabeler dan arterien en vormen ook vaker anastomoses.
Venen die samen gaan met diepe arterien worden ook wel accompanying veins of v.
comitantes genoemd. Door de contractie van het hart en het daarop volgende
drukverschil, stroomt het veneuze bloed terug naar het hart in de v. comitantes.
Ook door middel van spiercontracties wordt het bloed in de venen naar het hart
gestuwd (= musculoveneuze pomp).
Fysiologie
Het hart is de motor en de scheiding tussen de grote en kleine bloedsomloop en de
andere onderdelen van de circulatie zijn:
- arterien: ze transporteren bloed onder hoge druk door het lichaam richting de
weefsels en arterien hebben een sterke wand. Het bloed stroomt hier met hoge
snelheid.
- Arteriolen: ze fungeren als controleleidingen en ze hebben gespierde wanden, die
razendsnel kunnen sluiten en openen.
- Capillairen: ze zorgen voor uitwisseling van vloeistoffen, voedingsstoffen,
elektrolyten, hormonen etc. tussen het bloed en het interstitium. Ze hebben hele
dunne wanden, die afhankelijk van de functie een bepaalde permeabiliteit hebben.
- Venulen: ze verzamelen bloed uit capillairen.
- Venen: ze zorgen voor het transport van bloed vanuit de weefsels terug naar het
hart. Er heerst een lage druk en ze hebben stevig, niet gespierde wanden met
kleppen.
Capaciteitsvaten hebben een grote capaciteit en bevatten dus het grootste gedeelte van
het bloed. Dit zijn voornameljk de venulen en de venen. Tevens heerst ere en lage druk
en is ere en weinig gespierde wand.
Weerstandvaten hebben meestal een gespierde wand, waarmee de diameter van het
lumen bepaald kan worden. Hierdoor kan de bloedstroom door de weefsels bepaald
worden. Dit zijn voornamelijk de arterien en de arteriolen.
Wet van Poiseuille = de relatie tussen de diameter en de geleiding van een bloedvat.
Ieder bloedvatn heeft concentrische ringen en hoe groter het vat, des te meer
concentrische ringen. De snelheid in elk van deze ringen is anders: de buitenste ringen
zijn langzamer, dan de binnenste ringen. Dus naar binnen toe neemt de snelheid van de
bloedstroom steeds meer toe.
Anatomie & beeldvorming
Venen in de longcirculatie retourneren slecht geoxigeneerd bloed naar het hart en de
grote pulmonaire venen zijn daardoor ook atypisch. Door de lagere bloeddruk in de
venen zijn de wanden ook dunner dan die van de arterien en normaal gesproken
vormen de grotere venen weer veneuze plexi.
Middenvenen in de ledematen en andere locaties waar het bloed tegen de richting van
de zwaartekracht in wordt gepompt, bevatten kleppen zodat het bloed dus niet terug
kan stromen.
Grote venen, zoals SVC en IVC, hebben wijde bundels van longitudinal glad spierweefsel
en een goed ontwikkelde tunica adventitia. De systemische venen zijn meer variable dan
arterien en vormen vaker anastomosen.
Vaak gaan venen in paren om een arterie heen, zoalas accompanying veins.
De poortader wordt gevormd door de samenkomst van de superior mesenteric en
splenic venen en dit is het hoofdkanaal van het veneuze poortsysteem. Hierbij wordt het
bloed vanuit het abdominale deel van het maag-darmkanaal, pancreas, milt en het
grootste deel van de galblaas naar de lever gebracht.
Alle venen superior aan de abdominale wand zijn afstammelingen van de IVC, behalve
de linker testiculaire en ovaria vene. Dezen stromen namelijk de linker renale vene
binnen.
Bloed uit de viscera (organen) stroomt eerst door het veneuze poortsysteem en de lever
voordat het de IVC binnenstroomt.
De IVC begint ter hoogte van de L5-vertrebra bij de samenkomst van de v. iliaca
communis en vervolgens stijgt de IVC door de cavale opening in het diafragma door naar
het rechter atrium.
De afstammeling van de IVC zijn:
- v. iliaca communis: gevormd door de samenkomst van de interne en externe venae
iliacae.
- v. Lumbalis: ter hoogte van L3 – L4 vertebra
- v. Testicularis dexter en v. Ovaris dexter
- v. Renalis
- v. Suprarenalis dexter
- v. Phrenicus inferior
- leveraderen
Het vena azygos systeem draineert de achterkant van de thoraco-abdominale wanden
en de mediastinale viscera aan beide kanten van de wervelkolom. Dit systeem heeft ook
veel anastomosen en vertakkingen.
De vena azygos en de vena hemi-azygos, de belangrijkste vertakking, ontspringen uit de
wortels van het posterior deel van de IVC en/of de v. renalis.
De vena azygos loopt omhoog in het posterior mediastinum langs de rechterkant van de
thoracale vertebrae. Het buigt over het superior gedeelte van de rechterlong heen en
komt uit in de SVC.
De vena hemi-azygos loopt langs de linkerkant vand e thoracale vertebrae en ontvangt
ook bloed uit de mediastinale, oesophagale en bronchiale venen. Ter hoogte van de Th7
– Th8 vertebae gaat de vena hemi-azygos over in de vena azygos.
Bloed gaat vanuit de linker ventrikel eerst de aorta ascendens in en vervolgens de
aortaboog. De 3 vertakkingen zijn van links naar rechts: brachiocephale arterie (splitst
later in rechter subclaviale arterie en rechter carotis arterie), linker carotis arterie en
linker subclaviale arterie. Na de aortaboog komt de aorta descendens.
,De eerste aftakking van de aorta descendens is de celiac trunk, ter hoogte van de Th12
en deze vertakking zit anterior. Deze arterie komt uit bij de maag en hier vertakt de
celiac trunk ich in de left gastric artery, de leverslagader en de miltslagader. Vervolgens
splitst de leverslagader zich weer in tweeen, waarvan eentje zich weer splitst in de
gastroduodenale arterie en de supraduodenale arterie en de andere gaat weer samen
met de left gastric artery.
Ter hoogte van L1 liggen drie aftakkingen: superior mesenteric artery (anterior) en
twee (supra)renale arterien (beide kanten lateral). De superior mesenteric artery
vertakt zich in de inferior pancreaticoduodenal artery en in de colic arteries, die
vervolgens weer in de verbinding staan met de inferior mesenteric artery. Vervolgens
vertakt deze in allerlei sigmoid arteries (gebogen arterien) van de dikke darm.
Ter hoogte van L2 liggen de testiculaire of ovariale arterien en deze aftakkingen zitten
anterolateral.
Ter hoogte van L3 ligt de inferior mesenteric arterie en op deze hoogte gaat de aorta
descendens ook over in de abdominale aorta.
Ter hoogte van L4 vindt de bifurcatie van de abdominale aorta plaats in de linker en
rechter iliacic arterien. Op de bifurcatie loopt nog een vertakking: de median sacral
artery.
Ook zijn op de niveaus L1 – L4 steeds twee vertakkingen lateraal en dit zijn de lumbale
arterien.
Het portale veneuze systeem verzamelt zuurstofarm bloed, maar wel rijk aan
voedingsstoffen vanuit het sipjsverteringskanaal en vervolgens wordt dit bloed naar de
lever gebracht, waar het in verschillende segmenten vertakt (veneuze sinusoiden van de
lever).
De portosystemische anastomoses zijn:
- oesofagale venen draineren in de azygos vein of de linker maagader.
- Inferior en mediale rectale venen draineren in de IVC en superior rectale venen gaan
verder als IMV (inferior mesenteric vein).
- Para-umbilicale (navel) venen anastomoseren met de peri-umbilicale superior
epigastric veins.
- De clic veins anastomoseren met de retroperitoneale venen.
Het lymfatisch systeem zorgt voor de drainage van overtollig vloeistof en plasma-
eiwitten, die uit de bloedstroom gelekt zijn. Tevens zorgt het lymfatisch systeem voor
het verwijderen van cellulaire afval en infecties en voor het opnemen van vet uit
voedsel. Tot slot draagt het lymfatisch systeem ook bij aan de bescherming tegen
ziekteverwekkers.
Lymfe = het overtollige vloeistof uit de bloedvaten, dat nu in de lymfevaten zit.
Het lymfesysteem bevat:
- lymphatic plexuses: netwerken van kleine lymfatische capillairen, die uit de
extracellulaire ruimtes van de meeste weefsels komen.
- Lymfatische vaten: allerlei vaten met kleppen, die uit de lymphatic plexuses komen
en hierlangs liggen ook de lymfeknopen.
- Lymfeknopen: kleine massa’s lymfatisch weefsel, die lymfe filtreren.
- Lymfocyten: immuuncellen
- Lymfoide organen: organen, waar lymfe wordt geproduceerd
o Milt, thymus, lymfeknopen en myeloide weefsel in rode beenmerg
Nadat lymfe langs een of meerdere lymfeknopen is geweest, gaat lymfe de grotere
lymfevaten in, die lymphatic trunks worden genoemd. Deze trunks gaan uiteindelijk
samen met de right lymphatic duct of de thoracic duct.
, De right lymphatic duct draineert lymfe vanuit het rechter bovenkwadrant van het
lichaam en het eindigt in de right venous angle (kruising van rechter vena subclavia en
internal jugular vein).
De thoracic duct draineert lymfe uit de rest van het lichaam en dit is een kanaal met vele
kleppen en dunne wanden. De thoracic duct begint als cisterna chyli in de buikholte en
stijgt vervolgens naar de thorax. Het kanaal eindigt in de left venous angle (kruising
tussen linker vena subclavia en left jugular vein).
Superficial lymfatische vaten in de huid en het subcutane weefsel draineren uiteindelijk
in diepe lymfatische vaten en die gaan vervolgens weer samen met de grote bloedvaten.
Zuurstofarm bloed gaat via de venen terug naar het hart, maar de grote pulmonaire
venen zijn anders omdat ze zuurstofrijk bloed terug naar het hart brengen. Door de lage
bloeddruk zijn de wanden dunner dan die van de arterien.
Tevens hebben de medium venen kleppen, zodat het bloed door de zwaartekracht niet
terug stroomt.
Grote venen zijn te herkennen aan de lange, wijde bundels glad spierweefsel en een
goed ontwikkeld tunica adventitia.
Systemische venen zijn variabeler dan arterien en vormen ook vaker anastomoses.
Venen die samen gaan met diepe arterien worden ook wel accompanying veins of v.
comitantes genoemd. Door de contractie van het hart en het daarop volgende
drukverschil, stroomt het veneuze bloed terug naar het hart in de v. comitantes.
Ook door middel van spiercontracties wordt het bloed in de venen naar het hart
gestuwd (= musculoveneuze pomp).
Fysiologie
Het hart is de motor en de scheiding tussen de grote en kleine bloedsomloop en de
andere onderdelen van de circulatie zijn:
- arterien: ze transporteren bloed onder hoge druk door het lichaam richting de
weefsels en arterien hebben een sterke wand. Het bloed stroomt hier met hoge
snelheid.
- Arteriolen: ze fungeren als controleleidingen en ze hebben gespierde wanden, die
razendsnel kunnen sluiten en openen.
- Capillairen: ze zorgen voor uitwisseling van vloeistoffen, voedingsstoffen,
elektrolyten, hormonen etc. tussen het bloed en het interstitium. Ze hebben hele
dunne wanden, die afhankelijk van de functie een bepaalde permeabiliteit hebben.
- Venulen: ze verzamelen bloed uit capillairen.
- Venen: ze zorgen voor het transport van bloed vanuit de weefsels terug naar het
hart. Er heerst een lage druk en ze hebben stevig, niet gespierde wanden met
kleppen.
Capaciteitsvaten hebben een grote capaciteit en bevatten dus het grootste gedeelte van
het bloed. Dit zijn voornameljk de venulen en de venen. Tevens heerst ere en lage druk
en is ere en weinig gespierde wand.
Weerstandvaten hebben meestal een gespierde wand, waarmee de diameter van het
lumen bepaald kan worden. Hierdoor kan de bloedstroom door de weefsels bepaald
worden. Dit zijn voornamelijk de arterien en de arteriolen.
Wet van Poiseuille = de relatie tussen de diameter en de geleiding van een bloedvat.
Ieder bloedvatn heeft concentrische ringen en hoe groter het vat, des te meer
concentrische ringen. De snelheid in elk van deze ringen is anders: de buitenste ringen
zijn langzamer, dan de binnenste ringen. Dus naar binnen toe neemt de snelheid van de
bloedstroom steeds meer toe.